Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 91
Jaar: 2005
Maand: september
Auteurs: Chris Simoens

OP WEG NAAR MEER AUTOCHTOON GROEN IN VLAANDEREN?

Er komt stilaan meer autochtoon teeltmateriaal ter beschikking in Vlaanderen. Al kan het nog ruim zes jaar duren eer u als particulier vlot boompjes en struikjes ‘van hier’ kunt aankopen. De Vlaamse Gemeenschap wenst het buitengebied te verrijken met dit autochtone plantsoen. Van een heksenjacht tegen exoten is geen sprake. Een gunstige evolutie, ook voor ons imkers.

Op 28 april 2005 stelde Bos en Groen de stand van zaken voor van het project ‘autochtone bomen en struiken’. Bos en Groen is een afdeling van AMINAL, de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van de Vlaamse Gemeenschap. Zij staat in voor bossen, parken, viswaters en wildbeheer. Streefdoel is een groen Vlaanderen, van in de stadkern tot in het buitengebied.

Eén van de sprekers was Kristine Vander Mijnsbrugge. Zij werkt op het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer (IBW, Geraardsbergen) in opdracht van Bos en Groen. Haar voornaamste taak is de uitbouw van zaadtuinen met autochtoon plantgoed. Achteraf was ze bereid ons bijkomend tekst en uitleg te verschaffen.

f1Wat bedoelt u juist met inheems en autochtoon?

Een plantensoort is inheems in Vlaanderen, als Vlaanderen binnen het natuurlijke verspreidinggebied van de soort ligt. Een plant is autochtoon in een bepaalde streek in Vlaanderen als hij een nakomeling is van planten die zich sinds de laatste ijstijd spontaan in die streek gevestigd hebben. Deze voorouderplanten hebben zich sindsdien natuurlijk verjongd, ofwel werden ze kunstmatig vermeerderd met strikt lokaal materiaal. Al komt de zomereik in heel Europa voor en is hij bijgevolg inheems in Vlaanderen en in de Balkan, toch is een concrete zomereik uit de Balkan niet autochtoon in de Vlaamse Ardennen. Een Amerikaanse eik is een uitheemse soort: zijn verspreidinggebied ligt volledig buiten Vlaanderen. Het is een echte exoot.

Van waar de interesse voor autochtoon groen?

Boomkwekers halen hun zaden meestal uit andere landen. Hierdoor is autochtoon materiaal totaal verdrongen. Slechts 5% van de bossen in Vlaanderen kan nog als autochtoon beschouwd worden. De situatie is vooral ernstig voor struiken. Door allerlei tussenhandel is de herkomst van de zaden zelfs onbekend. Dikwijls komen ze uit Zuid- of Oost-Europa. Het zaad voor bomen komt veelal uit de ons omringende landen.

Waarom is het onderscheid tussen ‘inheems’ en ‘autochtoon’ zo belangrijk? Een Amerikaanse eik is hier inderdaad een totaal vreemde soort. Maar waarom mag de soort ‘eenstijlige meidoorn’ niet evengoed uit Roemenië afkomstig zijn?

Autochtone planten zijn hoe dan ook beter aangepast aan de plaatselijke groeiomstandigheden. Zo zijn de tijdstippen van ontkiemen, uitlopen en bloeien veel beter afgestemd op het plaatselijke klimaat. Boomkwekers die verschillende herkomsten van dezelfde soort naast elkaar opkweken, bijvoorbeeld haagbeuken uit Noorwegen, uit Duitsland of uit Roemenië, weten heel goed dat er grote verschillen zijn in het moment van uitlopen, in de vorm van de planten, de kleur, enz. Haagbeuken uit Oost-Europa kiemen hier vroeger.

Ze zijn immers aangepast aan een harde vorstperiode, maar in Vlaanderen komt die niet voor. Uit een onderzoek in Engeland bleek dat de autochtone meidoorn veel minder gevoelig is voor late vorst en meeldauw, onder meer omdat hij later bloeit.

f2

Zouden autochtone bomen en struiken misschien meer nectar en stuifmeel produceren?

Dat is mogelijk, alleen is dit tot nu toe niet onderzocht. Het klopt inderdaad dat het belang van autochtoon groen verder gaat dan een betere aanpassing aan klimaat en bodem. Ook de samenleving met tal van specifieke, streekgebonden levende organismen speelt een rol: micro-organismen, mossen, planten en dieren. Bomen en struiken zijn immers verweven in een ecologisch netwerk met een hele reeks ‘wederzijdse afhankelijkheden’. De interactie met de bestuivers is een van die afhankelijkheden. Zo is het mogelijk dat het bloeitijdstip van autochtone planten beter afgestemd is op de levencyclus van de plaatselijke solitaire bijen. Of dat autochtoon groen meer nectar en stuifmeel produceert. Zwart op wit kunnen we dit niet bewijzen, gewoonweg omdat onderzoek hieromtrent tot nu toe onmogelijk was. Alleen nu wordt het doenbaar. We beschikken immers over autochtoon en niet-autochtoon plantgoed, en zouden percelen met elkaar kunnen vergelijken.

Maar ook zonder sluitende bewijzen kunnen we de situatie in Vlaanderen als behoorlijk dramatisch inschatten. Er wordt nog steeds ontzettend veel niet autochtoon en dus vermoedelijk minder aangepast materiaal aangeplant zowel in bossen als in kleine landschapelementen. Het project autochtone struiken en bomen is precies ontstaan vanuit een bezorgdheid hierover. Met meer autochtoon materiaal hopen we dat de bossen, de houtkanten en de hagen in Vlaanderen op middellange termijn vitaler zijn.

Hoe bent u te werk gegaan om de zaadtuinen aan te leggen?

De eerste stap was de inventaris. Bos en Groen heeft hiervoor sinds 1997 Bert Maes, Chris Rövekamp, Bart Opstaele en Arnout Zwaenepoel aangezocht. Met hun teams hebben zij heel Vlaanderen uitgekamd op zoek naar plekken met autochtone planten. Een niet eenvoudig, maar wel boeiend werk. Vaak moesten ze in historische archieven duiken om de leeftijd van een bepaalde boom te achterhalen. Of was aanvullend moleculair-genetisch onderzoek nodig.

Op basis van deze inventaris heb ik sinds 1999 her en der stekken en zaden geoogst. Hiermee werden zaadtuinen aangelegd voor de verschillende soorten (zie tabel op de laatste pagina van deze bijdrage). Op termijn zullen de zaden geoogst in deze zaadtuinen aan de boomkwekers ter beschikking gesteld worden voor commercialisering.

Interessant voor imkers is ons project in het Meetjesland. Daar leggen we een stekgaard van wilgen aan. Het is een verzameling van schiet- en kraakwilgen en van hybriden tussen beide, afkomstig uit verschillende regio’s in Vlaanderen. We willen nagaan of er verschillen zijn tussen wilgen afkomstig uit verschillende regio’s.

Deze verzamelingen kunnen later dienst doen als stekgaard, dus om commercieel plantmateriaal op te kweken uit stek. Voor de meeste andere boom en struiksoorten wordt commercieel plantsoen opgekweekt uit zaden.

U werkt ook met verschillende ‘herkomstgebieden’

Vlaanderen is nu eenmaal geen homogeen gebied. Daarom hebben we vijf herkomstgebieden afgebakend, vooral op basis van bodemkundige, klimatologische en hydrologische factoren: Vlaamse zandstreek, Kempen, Brabants District Oost, Brabants District West en Laag Maasplateau. Een struik die autochtoon is in de Kempen is dit niet in de Vlaamse Zandstreek. Maar als we voor de Vlaamse Zandstreek moeten kiezen tussen een Kempense of Poolse boom, verkiezen we natuurlijk de Kempense. Bovendien zijn de verschillen tussen herkomstgebieden niet voor alle soorten even relevant. Voor haagbeuk heeft genetisch onderzoek U werkt ook met verschillende ‘herkomstgebieden’? uitgewezen dat de verschillen tussen de verschillende herkomstgebieden verwaarloosbaar klein is.

f3Wie oogst er in Vlaanderen autochtoon zaad?

Bos en Groen oogst al vele jaren heel wat autochtoon zaad en laat dit in eigen kwekerijen opkweken tot autochtoon plantsoen. De planten zijn voor eigen gebruik. Daarnaast zijn er twee Regionale Landschappen (Vlaamse Ardennen en West-Vlaams Heuvelland) die zelf ook al vele jaren autochtoon zaad oogsten. De boompjes laten ze dan opkweken bij een privékweker.

De afdelingen Oost- en West-Vlaanderen van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) werken analoog. Ze gebruiken de autochtone planten voor hun eigen projecten. In de andere provincies ligt het blijkbaar iets moeilijker om de diverse instanties warm te maken. Het zal nog heel wat inspanning vergen eer iedereen op dezelfde lijn zit.

Waarvoor werd het autochtone plantgoed tot nu toe ingezet?

Regionale Landschappen en VLM gebruiken het autochtone materiaal voor hun eigen projecten, zoals het aanleggen van heggen en houtkanten en het beplanten van boerenerven. Bos en Groen gebruikt het voor het beheer van de eigen bossen.

Voor de particulier is het dus nog veel te vroeg?

Particulieren kunnen nu al terecht bij de Regionale Landschappen die hun overschotten te koop aanbieden of in projecten die gericht zijn op de verkoop van plantsoen. Dit is op Vlaamse schaal wel zeer beperkt. Binnen zes à acht jaar moet autochtoon plantgoed ook in de commerciële handel verkrijgbaar zijn. Want je moet drie à vier jaar rekenen eer de zaadtuinen voldoende zaad leveren, en dan nog eens drie à vier jaar eer de boomkweker verkoopbaar plantgoed heeft.

Betekent dit nu dat de overheid ernaar streeft om op termijn alle ‘vreemde’ planten te weren?

Zeker niet. Eerst en vooral is het gebruik van autochtone planten niet van toepassing op de woongebieden. In de stadstuinen kan iedereen dus gewoon zijn gang gaan. Dit geldt ook voor plantsoendiensten in steden en gemeenten. Wel streven we naar autochtone bomen en struiken in het buitengebied. Daar speelt immers de ecologische waarde een ‘veel grotere rol. Op natuurterreinen en in bossen, heggen en houtkanten wordt dus bij voorkeur autochtoon plantmateriaal gebruikt. Bovendien is hier geen sprake van gebod of verbod, we willen het alleen stimuleren.

Daarnaast is ook de cultuurhistorische waarde van groot belang. Sommige soorten zijn karakteristiek voor een bepaalde site of landschap. De uitheemse Canadese populieren van de Damse vaart zijn omwille van hun landschappelijke waarde toch ‘streekeigen’. De sierhagen in de onmiddellijke buurt van een boerenerf herbergen andere soorten dan een houtkant van een talud dat in de buurt van een historisch bos ligt. Het cultuurhistorische aspect is vooral een taak van de afdeling Monumenten en Landschappen. Ze werkt aan een lijst van ‘cultuurhistorisch streekeigen’ planten voor elke streek in Vlaanderen.

Ook voor houtwinning is het (nog) niet nodig autochtone bomen te gebruiken, aangezien het autochtone teeltmateriaal meestal nog niet op economische kwaliteit werd getest.

En wat met de bomen die zo geliefd zijn door imkers: tamme kastanje en acacia?

Tamme kastanje, evenals mispel, werd al in onze streken ingevoerd door de Romeinen. We spreken van ‘archaeofyten’, planten die al eeuwenlang door menselijk toedoen in een bepaald gebied aanwezig zijn. Zowel tamme kastanje als mispel zijn op zijn minst cultuurhistorisch streekeigen. Acacia is uitheems, in feite een echte exoot. Maar hij mag gerust in parken en privétuinen aangeplant worden. Alleen heeft hij een agressieve groei met wortelopslag. Robinia groeit gewoon de banen kapot. De plantsoendiensten moeten zelf maar beslissen of zij dit dulden. Al bij al is er genoeg keuze aan nectar- en stuifmeelproducerende soorten bij de streekeigen bomen en struiken.

Maar tot een ‘heksenjacht op exoten’ komt het niet, zoals sommigen vrezen?

In alle kringen zitten wel enkele extremisten, zeker? Neen, een heksenjacht wordt het zeker niet. Waar bepaalde exoten staan, mogen ze gerust blijven. Tenzij ze overdreven woekeren, natuurlijk. Maar zoals gezegd, onze aandacht gaat vooral naar de buitengebieden. We hopen gewoon dat onze bossen en kleine landschapelementen op termijn vitaler worden. Vlaanderen staat trouwens niet alleen met zijn terugkeer naar autochtoon groen. Het is een evolutie die je in heel Europa ziet.