Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 101
Jaar: 2015
Maand: November
Auteur : Norbert Nijs

INVOERKOOITJE VERSUS NAMAAKDOP

50 1

Een vreemde (niet-eigen) moer kan je zowel met een invoerkooitje als met een namaakdop in een volk brengen. De keuze hangt grotendeels af van de omstandigheden. In een kooitje zit de moer veilig opgesloten achter een suikerstop die door de bijen moet verwijderd worden alvorens ze in rechtstreeks contact met haar kunnen komen en alvorens de moer het kooitje kan verlaten. Het kooitje functioneert vooral als bescherming.
 
In het kader van een moerwissel bijvoorbeeld beschermt het de moer in de korte periode dat de feromonen van haar voorgangster nog aanwezig zijn.
 
Zoals je wel weet, blijven deze altijd nog een tijdje nawerken in de voedersapstroom. Slechts nadat de feromonen uitgewerkt zijn, zal de moerloosheid toeslaan waardoor voor een nieuwe moer de vijandelijke omgeving zal veranderen in een vriendelijke omgeving en ze niet meer belaagd maar aangehaald zal worden.
 
Tijdens haar verblijf in het kooitje kunnen moer en bijen al kennis met elkaar maken doorheen de kooirooster. Dat is bevorderlijk voor haar aanvaarding.
 
Als het goed zit, zullen ze haar zelfs al beginnen te voeden langs die weg. Wanneer dan de uitgang vrijgemaakt is, kan ze risicoloos inlopen. Nog een pluspunt van invoerkooitjes is hun flexibiliteit, dit is de mogelijkheid om de duur van de arrestperiode aan te passen. Als het nodig is, kan haar verblijf in het kooitje verlengd worden. Het volstaat om de uitweg tijdelijk af te tapen, er wel voor zorgend dat er voedsel aanwezig is.

Het invoerkooitje is een absolute noodzaak in situaties waar de bijen, op het ogenblik dat een nieuwe moer ingebracht wordt, nog niet in de gepaste stemming verkeren om deze te aanvaarden.

Wanneer echter de juiste omstandigheden aanwezig zijn, hoeft deze moer geen uren of, afhankelijk van het gebruikte type kooitje, dagen opgesloten te blijven in afwachting dat de bijen haar bevrijden. Vanuit het kooitje kan ze haar eigen feromonen niet verspreiden zoals het hoort en zich bijgevolg niet laten gelden in het volk.

Daarenboven staat haar eileg al die tijd op non-activiteit. Een invoerkooitje is daarom enkel aangewezen wanneer het beschermd inlopen nodig en verantwoord is. Er moet daarvoor een reden aanwezig zijn. Is die er niet, dan is een namaakdop een betere keuze. Uit een namaakdop kan de moer zichzelf bevrijden. Naar verluidt kan ze al een goed uur later op de raat lopen. Je laat haar liefst ’s avonds inlopen.

50 2

Mijn voorkeur voor de namaakdop is echter niet specifiek op voorgaande argumenten gesteund. Het verblijf in het invoerkooitje is op zich niet het probleem, althans als dat geen dagen aansleept. Een namaakdop heeft namelijk nog twee andere troeven in vergelijking met een invoerkooitje.

Extra troeven

De eerste troef is van praktische aard. Je kan namelijk een moer gemakkelijker in een namaakdop laten lopen dan in een invoerkooitje en de dop gemakkelijker tussen de ramen plaatsen. Hij neemt minder plaats in en, belangrijk, de bijen worden bij die gelegenheid minder gestoord. Dat komt de aanvaarding van de moer altijd ten goede.

Nadat je ze in de namaakdop gebracht hebt, steek je op ca 5 mm van het open uiteinde een prikkertje doorheen de dop, je duwt het gedeelte boven het prikkertje dicht en je hangt hem tussen twee ramen aan de rand van het broednest.

Het prikkertje ligt dan horizontaal bovenop de twee aanpalende ramen. Indien nodig, kan de bijengang ter plaatse wat verbreed worden met behulp van het vormstokje. Dit alles kan met een minimale storing van het bijenvolk gebeuren.

De tweede reden is fundamenteler. Wanneer alle voorwaarden aanwezig zijn om een moer veilig te laten inlopen en de bijen haar desniettemin afwijzen of haar wel aanvaarden maar achteraf via een stille moerwissel vervangen, wordt dit bijna altijd toegeschreven aan de moer zelf. De oorzaak wordt dan gezocht in een ondermaatse legcapaciteit, fysieke tekortkomingen of een te onstuimig gedrag.

In een aantal gevallen kan en zal dat inderdaad wel de reden zijn, maar er zijn tal van andere factoren die hier een rol kunnen spelen, zoals slechte weersomstandigheden bij het openen van de kast, hoge mijtenlast, ziektetoestanden, enzovoort.

Deze kunnen allemaal op het humeur van de bijen werken en een vijandige reactie tegenover de ingebrachte vreemde moer uitlokken. Ook het veelvuldig openen van de kast en zeker als dat te kort na elkaar gebeurt, zint bijen absoluut niet en kan eveneens het aanvaardingsproces grondig verstoren.

Er is echter nog een andere en mijn inziens zeker niet te veronachtzamen risicofactor, namelijk het risico op het ontstaan van wantrouwen door de manier waarop een moer ingebracht wordt. Dieren zijn van nature erg wantrouwig en altijd op hun qui vive. Er zijn daar tal van voorbeelden van in de natuur.

Je mag bijgevolg niet uitsluiten dat dit ook een rol kan spelen bij de aanvaarding van een moer. De vaststelling dat ze gemakkelijker aangenomen wordt wanneer de bijen naar haar toevliegen of als je haar ’s avonds onopgemerkt laat inlopen, toont alleszins aan dat de wijze waarop het contact tussen moer en bijen tot stand komt, invloed heeft op haar aanvaarding.

Het opzoeken en verwijderen van redcellen zorgt altijd voor opwinding, stress, paniek, agressie. Bijen zijn op dat moment erg op hun hoede en ze zullen het in hun nest geduwde kooitje alvast met een wantrouwig oog bekijken, evenzo de erin opgesloten vreemde moer die ze direct ontdekken als gevolg van de feromoonwerking.

Dat wantrouwen zou wel eens de oorzaak of medeoorzaak kunnen zijn van een latere stille moerwissel. Je houdt dat toch best in gedachten, ook al omdat het ene volk het andere niet is.

Breng daarom een moer altijd zo rustig en onopvallend mogelijk in en laat dat volk daarna zeker een paar weken gerust. Heb vertrouwen en wacht af. Ga nooit te vroeg controleren of ze aanvaard is. Zolang ze niet vast op de troon zit, breng je haar daardoor altijd in gevaar.

Een namaakdop stelt, wat dat betreft, duidelijk minder problemen. Er is op het ogenblik dat hij ingebracht wordt geen directe aanwijzing of signaal dat er een moer in opgesloten zit. Je mag trouwens een rudimentair nagemaakte moerdop niet gelijk stellen met een echte moerdop en evenmin de hoge slaagkans van deze werkwijze toeschrijven aan het feit dat een vreemde moer dan op een erg vergelijkbare wijze inloopt als een eigen moer.

De vorm, inplanting, temperatuur en geur van de dop zijn niet van aard om dat verband te leggen. Op de keper beschouwd, is het niet meer dan een hulpmiddel om een moer op een verdoken wijze binnen te smokkelen, wat voor haar veiliger is omdat het de bijen dan geen reden tot achterdocht biedt.

Bijen zullen de namaakdop ook argwanend bekijken en hem bijgevolg zo snel mogelijk willen verwijderen. Terwijl de moer nog bezig is met zich een uitweg te knagen, zullen zij al met de afbraak starten. Ondertussen zal de door het openen van de kast veroorzaakte opwinding wegebben, zodat de ontmoeting tussen moer en bijen in een rustigere context zal verlopen. Als ze welkom is, zullen ze haar onmiddellijk beginnen te verzorgen.

Door haar verblijf in de namaakdop draagt ze bij het inlopen duidelijk de geur van bijenwas, wat nog versterkt wordt omdat ze zich door een uitgesneden opening in de dop moet wringen om hem te verlaten. Ook dat komt haar aanvaarding ten goede. Er wordt soms aangeraden om bij het inbrengen van een moer gelijktijdig ook wat voederdeeg in te brengen als afleidingsmanoeuvre, wat eigenlijk geen slecht idee is.

Als de honingbak aanwezig is, zou je eventueel ter vervanging een strook keukenpapier op de ramen kunnen leggen. De bijen kunnen daarop dan de agressie afreageren die onvermijdelijk bij hen opgewekt wordt door het openen van de kast en het inbrengen van kooitje of namaakdop. Ze zullen het vel papier zo snel mogelijk willen verwijderen. Dat reduceert eveneens het risico dat hun agressie zich tegen de ingebrachte moer keert.

Vervaardig de namaakdoppen met zorg

50 3

Om namaakdoppen te maken, heb je een rond vormstokje nodig met een diameter van 9 mm, bij voorkeur uit hard hout, dat je over een afstand van ca 5 cm met bijvoorbeeld een slijpmolen of met een houtrasp iets taps maakt, dus versmallend naar het uiteinde toe.

Opdat een moer gemakkelijker de bodem uit de namaakdop zou kunnen snijden, versmal je het stokje onderaan iets meer zodat er een stompe punt ontstaat naar het model van een echte moerdop. Ter afwerking maak je het nog glad met fijn schuurpapier om zeker te zijn dat de dop er goed zal afglijden.

Het is aangewezen om het stokje in water te zetten alvorens je namaakdoppen gaat maken. Dat hoeft niet noodzakelijk 24 uur vooraf te gebeuren. Het volstaat om het voorafgaand in water te dompelen bij elke dop die je aanmaakt. De bijenwas laat je ‘au bain-marie’ smelten. Je doet hem bijvoorbeeld in een voor een derde met regenwater gevuld blik dat je in een kom plaatst met water dat je zachtjes aan de kook brengt.

Je plaatst het blik er best schuin in zodat de luchtbellen kunnen ontsnappen die onder de bodem van het blik gevormd worden tijdens het verhitten. Dit doe je door op de juiste hoogte tegen de zijkant van het blik een houten latje te bevestigen met ijzerdraad, binddraad of koord. Als deze lat op de rand van de kom ligt, moet het blik langs die kant een paar cm opgetild worden (zie foto 1).

50 4

Wanneer de bijenwas gesmolten is, neem je het vormstokje uit het water en je schudt er het overtollige water goed af. Vervolgens dompel je het in een vloeiende beweging loodrecht 4 tot 5 cm diep in de gesmolten bijenwas die bovenop het regenwater drijft. Je haalt het er onmiddellijk uit en je schudt het opnieuw af, ditmaal binnenin het blik.

Je wacht eventjes tot de was zichtbaar stolt, wat zeer snel gaat, je dompelt het stokje een tweede maal in de gesmolten was om de dop wat steviger te maken en je schudt het vormstokje opnieuw af. Door het telkens af te schudden nadat je het in water of in vloeibare was gedompeld hebt, krijg je duidelijk nettere doppen (zie foto 2). Anders ontstaan er storende wasstrepen en wasbobbels op de dop, meestal onderaan waar de moer zich een uitweg moet knagen. Voor de bijen speelt het geen rol, maar het oogt netter en de moer kan er gemakkelijker een opening in maken.

50 5

Alvorens je de dop van het stokje afneemt, snijd je hem voorzichtig op een lengte van ca 4,5 cm recht af met een mes. Direct daarna schuif je hem van het vormstokje af. Hij moet er probleemloos afkomen, zo niet is het werkje niet goed gedaan. Je kunt hem eventueel onderaan een kerfje of sneetje geven om hem vlotter van het stokje te kunnen schuiven, maar bij een taps vormstokje is dit niet strikt nodig.

Alvorens op dezelfde wijze de volgende dop te maken, moet je wel de wasresten verwijderen die tegen het vormstokje zijn blijven kleven en het stokje reinigen. Ik doe dat met een vochtig vel keukenpapier. Het is verstandig om een aantal namaakdoppen in reserve te houden voor wanneer ze nodig zullen zijn. Het is een ideaal werkje voor de wintermaanden.

Bemerkingen

  • De moer verwijderen, redcellen laten optrekken en ze 8 dagen later wegbreken, is de gangbare techniek om een volk hopeloos moerloos te maken. Het ontneemt de bijen de mogelijkheid, althans op dat moment, om nog zelf een moer te kweken zodat, aldus de redenering, ze dan niet anders kunnen dan de ingebrachte moer aan te nemen.
  • Maar eigenlijk dient deze werkwijze twee andere minstens even belangrijke doelen. Ze geeft namelijk de zekerheid dat er geen stille moerwissel aan de gang is en sluit uit dat er in het volk op het ogenblik dat de moer ingebracht wordt, nog feromonen van de vorige moer aanwezig zijn.
  • Dit laatste is niet enkel vanuit het standpunt van de bijen erg belangrijk maar ook vanuit dit van de nieuwe moer, want die feromonen zouden haar instinctief zenuwachtig en ongerust maken, mogelijk zelfs agressief, terwijl het er op dat moment vooral op aan komt dat ze zich rustig gedraagt.
  • Het verdient aanbeveling om een moer na het aanbrengen van een rugschildje steeds terug in haar volk te brengen met behulp van een namaakdop. Dit is het veiligst. Als je ze onbeschermd terugplaatst, loop je steeds het risico dat ze door de bijen voor een vreemde moer aanzien wordt en bijgevolg ingebald wordt.
  • Het zal niet de eerste keer zijn dat dit gebeurt. Ik heb het trouwens ook al meegemaakt. Je kan de moer wat helpen door de dop vooraf met een scherp mes al tot de helft door te snijden (= er een gleuf in maken) op de plaats waar ze hem normaal open zal knagen. Haar werk is dan al half gedaan.