Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Nosema ceranae laag risico voor bijen?

Van: Ghislain De Roeck [mailto:gderoeck bij euphonynet.be]
Verzonden: donderdag 30 juli 2009 21:57
Aan: bijen bij cari.be
Onderwerp: [bijen] Nosema ceranae dan toch een ziekteverwekker met laag risico?

Goede vrienden,
Op BEE-L verscheen een samenvatting van een onderzoek dat als titel droeg: 'Effects of symptomless infections with Nosema sp. on honey bee colonies' van een Duits team van experten: Reinhold Siede1, Stefan Berg2, Marina Meixner1
1) LLH- Bieneninstitut Kirchhain, Erlenstr. 9, 35274 Kirchhain, Germany
2) LWG Fachzentrum Bienen, An der Steige 15, 97209 Veitshöchheim, Germany
Hierna een vertaling van de samenvatting:
De ziekteverwekkende schimmel Nosema sp. werd er recent van verdacht ernstige schade te veroorzaken aan bijenvolken in het gebied rond de Middellandse zee. Met name de in Europa nieuw gedetecteerde soort N. ceranae, werd aan de sterfte van bijenvolken gelinkt. De verspreiding van N. ceranae in Midden- en Noord-Europa is goed gedocumenteerd, maar er is weinig bekend over het effect ervan op de prestaties van de volken onder gematigde klimatologische omstandigheden. Dit onderzoek wil het verband nagaan tussen een infectie met Nosema ceranae en bijensterfte en de gevolgen van de symptoomloze infecties met Nosema sp. op bijenvolken.

In Duitsland werden achttien volken opgevolgd gedurende één jaar: van juli 2005 tot juni 2006. Stalen van levende werksters werden verzameld en getest op de aanwezigheid van nosemasporen in juli, augustus, februari en april. De sterkte van elk volk (aantal bijen en broedcellen) werd gemeten in juli, november en mei. Zeventien volken hadden een hoge besmettingsgraad met sporen van Nosema sp. aan het begin van de observatieperiode. Vervolgens verminderden de sporenaantallen tijdens de herfst, er werden toen in slechts drie volken sporen gevonden, maar ze verhoogden opnieuw in februari, toen tien van de achttien volken positief testten voor nosemose. In april 2006 echter, werden er in slechts vier van de overgebleven zestien volken nosemasporen aangetroffen. Geen enkel testvolk vertoonde ooit de typische symptomen van nosemose. Moleculaire analyse van spoorstalen brachten aan het licht dat N. ceranae wijd verspreid was in de meeste kolonies. In juli 2005 en april 2006 kwamen er weinig gemengde besmettingen van N. ceranae- en N. apis voor en infecties met N. apis alleen werden nooit geconstateerd. De in elk bijenstaal aanwezige hoeveelheid nosemasporen werd bepaald met behulp van kwantitatieve PCR en gekoppeld aan de volksterkte en het broedoppervlak. Hoewel er tijdens de observatieperiode op geen enkel ogenblik ziektesymptomen aanwezig waren, had een infectie met nosemasporen in februari en april aanzienlijke negatieve gevolgen voor de volksterkte en het broedoppervlak in de maand mei daaropvolgend. Volken met nosemasporen in augustus vertoonden ook de neiging zwakker te zijn en minder broed te hebben in de daarop volgende lente, maar de gevolgen waren niet betekenisvol. We konden geen onderscheid maken tussen gevolgen van N. apis en N. ceranae in volken zonder symptomen.

Tot besluit, een infectie met N. ceranae beïnvloedt de volksterkte, maar leidt niet tot wintersterfte. Met betrekking tot de overwinteringkansen van bijenvolken, lijkt N. ceranae een ziekteverwekker met een laag risico. Echter, grotere veldstudies, over een langere periode, zijn vereist om het potentieel risico van een infectie met N. ceranae correct te beoordelen.

Beste groetjes,

Ghislain.