Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 97
Jaar: 2011
Maand: mei
Auteurs: Dr. David J. Heaf
Vertaling en bewerking Alois Schotanus

 

Bijenvriendelijk en duurzaam imkeren: kunstmatige koninginnenteelt

In aansluiting op de vorige uittreksels (1) uit zijn boek The Bee-friendly Beekeeper (2), geven we hierna de visie van de auteur, David Heaf, omtrent de kunstmatige koninginnenteelt. Voor de goede orde herhalen we nog even dat het hier om een strikt persoonlijk standpunt gaat, waarbij de auteur niet de belangen van de imker vooropstelt, maar wel het welzijn van het bijenvolk.

Waarschuwing

In een reeks lezingen over bijen en bijenteelt, waarschuwde Rudolf Steiner (3) reeds in 1923 voor de problemen die door de kunstmatige koninginnenteelt zouden opgeroepen worden. Toen reeds voorspelde hij dat de kunstmatige koninginnenteelt het bijenhouden over 80 tot 100 jaar ernstig zou bedreigen. Een imkerkoninginnenteler die de lezing bijwoonde, betwistte deze uitspraak waarop Steiner grif toegaf dat de nadelen van die toenmalige moderne teeltmethodes niet merkbaar zouden zijn in de eerstvolgende jaren. Steiner refereerde eerder naar de gevolgen op langere termijn. Hij uitte de vrees dat de natuurlijke koninginnenteelt die langs organische wegen en biologische wetten verliep, onder druk van imkertechnische efficiëntie a.h.w. ‘gemechaniseerd’ zou worden. Hij stelde dat de innig intieme relatie tussen de kolonie en de koningin die het bijenvolk zelf had voortgebracht, nooit zou kunnen geëvenaard worden door een koningin die van elders in het volk was ingebracht.

Steiner was niet de enige die de waarschuwing de wereld instuurde dat de artificiële aanmaak van koninginnen onvermijdelijk zou leiden tot inferieure bijenvolken. Zijn generatiegenoot, Emile Warré (1), een imker met veel experimentele ervaring in de kunstmatige koninginnenteelt, schreef:

Kunstmatige k-teelt die beoefend wordt bij intensief imkeren, geeft alleen maar middelmatige tot minderwaardige koninginnen. Het bijenvolk kan er alleen maar slecht bij varen. Het eindresultaat zal erop neerkomen dat de imkers opgezadeld zullen worden met zwakke volken, met kwetsbare werksters die niet in staat zijn om weerstand te bieden aan ziekten en meer bepaald dan aan het vuilbroed.

Die ‘mechanisering’ van de k-teelt waar Steiner naar refereerde, verloopt langs wegen van geleidelijkheid over afleggers waarin geen zwermneiging te bespeuren valt, over de moderne k-teelt door overlarven, over instrumentele inseminatie en uiteindelijk tot de technologie van de DNA-recombinatie waarvan gesuggereerd wordt dat ze in staat zou zijn om ziekteresistente volken op te leveren.

Wezenlijk onderscheid

Er bestaat een wezenlijk onderscheid tussen een normale koningin, ontstaan uit een larve door het volk uitgekozen en die van meet af met een overvloed aan koninginnenbrij in een speciaal daartoe gebouwde ronde, vertikaal hangende cel tot ontwikkeling kwam, enerzijds, en anderzijds een noodkoningin, voortgekomen uit een larve die oorspronkelijk voorbestemd was om tot werkster uit te groeien, maar pas in later stadium tot koningin werd opgekweekt.

Imkers weten al zeer lang dat dergelijke koninginnen, ontstaan uit redcellen, zeer vaak omgewisseld worden door het bijenvolk. Uiterlijk is er nauwelijks een verschil te merken tussen de twee types van koninginnen. Maar de bijen kunnen wel het onderscheid maken en zullen er naar handelen. Alle commerciële koninginnen zijn in feite noodkoninginnen, met dit verschil dat ze van meet af aan in een aangepaste, ronde cup werden gekweekt, waarin ze door overlarving waren gedeponeerd.

f1Om een dergelijke, kunstmatig geteelde koningin in een bijenvolk in te voeren, moet het volk eerst tot een toestand van hopeloze moerloosheid gebracht worden.

Bovendien blijft het risico bestaan, dat ze door het volk binnen de kortste tijd wordt gewisseld voor een exemplaar dat het volk zelf heeft voortgebracht, een koningin bij wie de innig intieme relatie – waarover Steiner sprak – zich volledig en harmonieus kan ontplooien.

De fysische basis voor de innig intieme relatie tussen koningin en kolonie mag dan zeer complex zijn, het is een feit dat de koninginnenstof - de zgn. queensubstance - de belangrijkste factor uitmaakt.

Wetenschappelijk onderzoek naar de aard en de samenstelling van de koninginnenstof staat nog in de kinderschoenen, maar vast staat alleszins dat ze zeer nauw betrokken is bij de gezondheid en de organisatie van de kolonie: zij stuurt en controleert het gedrag van de werksters, bijv. als rem op hun ei-afzet (leggende werksters), als stimulans voor de verzamel- en bouwactiviteiten, voor het opzetten van nieuwe koninginnen en als startsignaal voor de zwermvoorbereidingen.

Het veelvoud van al deze effecten is deels gerelateerd aan de situatie waarin het volk verkeert, maar is vooral te wijten aan de complexe samenstelling van de koninginnenstof. Inderdaad, het feromoon dat afgescheiden wordt door de kaakklieren en instaat voor de vorming van de hofstaat van de koningin, bevat niet minder dan negen bekende scheikundige componenten, met daarenboven nog enkele andere waarvan de precieze identificatie nog niet vastligt.

De werkbij beschikt over 170 geurreceptoren waarlangs het ingewikkelde scheikundig proces verloopt dat aan de basis ligt van de innig intieme relatie tussen koningin en kolonie. Bij onderzoek in verschillende labo’s tracht men dit proces te ontrafelen tot op moleculair niveau om na te gaan hoe deze componenten inwerken op de expressie van de genen. Belangrijk voor onze overwegingen op dit vlak, is de vaststelling dat de productie van het koninginnenferomoon sterk beïnvloed wordt door factoren die verbonden zijn met de voorplanting en de meervoudige paring.

Wanneer we natuurlijk gepaarde koninginnen vergelijken met de instrumenteel geïnsemineerde koninginnen, komen we tot de vaststelling dat de eerstgenoemde de grootste ei-afzet produceren en een sterker feromoonprofiel demonstreren. Meervoudig gepaarde koninginnen zijn aantrekkelijker voor de werkbijen.

Deze aantrekkingskracht is een essentieel onderdeel van de innig intieme relatie tussen beide partijen.

Op grond van deze bevindingen, is de vraag gerechtvaardigd of het proces van chemische wisselwerking tussen feromonen en receptoren en de daarmee verbonden gedragingen van de werksters, a.h.w. met een vingerknip kan ingeschakeld worden door gewoonweg een vreemde koningin in te voeren. Of moet er een bepaalde tijd verlopen waarin de werksters de gelegenheid krijgen om hun gedragingen af te stemmen op het spectrum van de nieuw beschikbaar gestelde feromonen? In het laatste geval is het essentieel dat de kolonie voor een langere tijd blootgesteld wordt aan de rijpende koningin om tot een volkomen ontwikkeling van de innig intieme relatie te geraken. Het komt erop neer dat koninginnenteelt binnen het stamvolk moet gebeuren en niet in minuscule éénraamskastjes ergens op een commercieel paringsstation vanwaar ze ‘by airmail’ de gehele wereld rond verspreid worden.

Schadelijke oorzaken

De kunstmatige koninginnenteelt werd geïdentificeerd als een van de meest schadelijke oorzaken van het verlies van genetische diversiteit bij de honingbijen wereldwijd; in de USA bijv. stammen miljoenen commercieel ingezette bijenvolken af van niet meer dan 500 teeltkoninginnen. Daarbij moet dan nog de trend gevoegd worden van de imkers en de k-telers om slechts met een zeer beperkte keuze van rassen en lijnen te werken. In

Europa beperkt die keuze zich tot enkele lijnen van de rassen A.m. carnica, de A.m. ligustica en de A.m. caucasica, alhoewel er meer dan een tiental rassen beschikbaar zijn. En precies zoals bij de andere vormen van veeteelt, leidt de genetische uniformiteit onvermijdelijk tot catastrofale verliezen, wanneer een parasiet of een infectie toeslaat.

Natuurlijke selectie

Tenslotte is er nog het aspect van de natuurlijke selectie. Als de bijen al gedomesticeerd kunnen genoemd worden, dan is dat slechts gedeeltelijk terecht. Zij blijven nog altijd min of meer onderworpen aan de wijze wet van de natuurlijke selectie, afhankelijk van de ingrijpende tussenkomsten vanwege de imker. In een natuurlijk zwermproces – de natuurlijke reproductievorm van het bijenvolk – worden tien tot twintig en soms meer koninginnen gekweekt, alhoewel er uiteindelijk slechts één zal overblijven die het stamvolk naar een nieuwe toekomst zal voeren, nadat de oude koningin is vertrokken. Eén of twee nazwermen kunnen eventueel nog aanvullende kolonies stichten.

f2Alle andere kandidaten worden onverbiddelijk uitgezuiverd tot er nog slechts één overblijft. Maar koninginnentelers zouden het vast als je reinste verspilling beschouwen, indien zij uit een hele reeks opgekweekte cellen, er slechts één of twee zouden weerhouden! De kunstmatige koninginnenteelt verhindert aldus een belangrijke stap in de natuurlijke selectie, die langs een proces van complexe gedragingen tussen de rivaliserende koninginnen en tussen de werksters en de koninginnen, ervoor zorgt dat alleen de beste overblijft; survival of the fittest weet u wel.

Een ander gamma van complexe gedragingen dat compleet de pas wordt afgesneden door de kunstmatige koninginnenteelt, is het gecompliceerde en prachtige proces van de opbouw van een nieuwe nestsite voor het bijenvolk.

Het natuurlijk zwermgebeuren omvat niet alleen de georkestreerde uittocht, maar ook het samenklitten tot één tros, de beraadslagingen om tot de definitieve keuze van de nieuwe site te besluiten, de collectieve, geleide verplaatsing naar het nieuwe adres, de bezetting en de constructie van een nieuw nest in de gekozen ruimte, de onmiddellijke aanvoer van voorraden om de winter te overleven ...

Men kan zich afvragen hoeveel bijengeneraties die men belet om het volledig zwermproces door te maken, er nog nodig zullen zijn om de bijenvolken zodanig genetisch te verzwakken dat ze niet langer fit genoeg zullen zijn om te overleven zonder de tussenkomst van de mens. In de streken met een gematigd klimaat overleeft in de vrije natuur slechts 80% van de zwermen de eerste winter. Dat is wel een bijzonder harde selectiecriterium. Wanneer de bijenhouder dit meedogenloos natuurlijk proces probeert te verhinderen en door inpampering van de volken met suiker en aanvullende voedingssupplementen – niet alleen in de herfst, maar ook het gehele jaar door – de natuur belemmert haar initiële opdracht uit te voeren, neemt hij meteen ook de stimulans weg voor een langetermijnfitness van de bijenvolken.

Referenties:

1- Zie Mnbl. Vl. Imkersb. - 2011/ jan. - mrt. - april;
2- The Bee-friendly Beekeeper - David Heaf, ISBN-978-1-904846- 60-4, Northern Bee Books, Scout Bottom Farm, Mytholmroyd, West Yorkshire HX7 5JS, United Kingdom;
3- Rudolf Steiner: 1861-1925, Antroposofisch filosoof, pedagoog en schrijver, Über das Wesen der Bienen.’