Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 90
Jaar: 2004
Maand: september
Auteurs: Dr. Michel Asperges, wetenschappelijk medewerker LUC Diepenbeek
 

 

Nectarklieren deel 2

1.4 Beschikbaarheid stuifmeel en stamper

Het stuifmeel en de stempel zijn niet op elk moment van de dag beschikbaar. Soms stellen we vast dat honingbijen het vertikken om 's morgens vroeg op bepaalde gewassen te vliegen, ook al lijken de abiotische factoren zoals temperatuur en licht te voldoen aan onze normen.

1.4.1 Malva-soorten

Malva behoort tot de familie van de Kaasjeskruidachtigen. Een kleine observatie van verschillende soorten gedurende één dag in september (dit om het verschil in abiotische veranderingen niet al te veel te laten meespelen) leert ons het volgende:

f1Opmerking:

f2Dat we nooit 100 % noteerden is te wijten aan het feit dat we de bloemen telden die volledig open waren, dus ook de stempels. We gingen ervan uit dat ook de andere bloemen wel zouden ontluiken al was het een beetje later.

Vaststellingen:

• De geobserveerde bloemen van de Kaasjeskruidachtigen vertonen een ritmeverschijnsel. Eerst ontluiken de bloemen, pas later rijpen de meeldraden en dit tijdens het warmste deel van de dag. De stempels en stijlen groeien in de loop van de voormiddag om rond 13 uur volledig ontloken te zijn. Bij alle bloemen zijn de kleine stompjes van de stempels duidelijk waar- neembaar bovenaan in de top van de meeldraadkoker. Bij Hibiscus zijn de stempels al van in het begin te zien als kleine, ronde schijfjes maar ze ontvouwen zich pas in de loop van de middag. Er valt op te merken dat de meeste insecten in de late voormiddag en op de voormiddag vliegen.

• Hibiscus lijkt een iets latere soort te zijn dan Malva en Lavatera. Hibiscus is wel een houtige plant.

• De drie soorten sluiten hun bloemen door opplooien en oprollen van de kroonbladen.

• Alle bestudeerde soorten laten hun bloemen slechts eenmaal ontluiken.

•De bloemen sluiten steeds laat in de avond, als de kans op bestuiving zeker klein is.

1.4.2 Appelbloesem

In de loop van april en mei vindt bij de appelbloesems een gelijkaardig proces plaats. Bedenk dat deze bloemen opengaan als het nog behoorlijk koud kan zijn, J soms vriezen de bloemen zelfs nog af! Imkers weten maar al te goed dat hun bijen in de bloeiperiode van de appel pas laat in de voormiddag middag en vooral rond de middag of de vroege namiddag bloemen van de appelaar bezoeken. Als er nog paardebloemen in bloei staan foerageren de stuifmeel- en nectarhaalsters eerst nog wat op deze bloeiwijzen voor ze op de appel gaan.

f3f4Op een zonnige dag stellen we vast dat eerst de kroonbladen zich ontplooien en pas nadien de vijf meeldraden zonder dat de helmknoppen open zijn. Er is dus geen stuifmeel te zien en ook de vijf stijlen zitten nog mooi dicht tegen elkaar; de stempels zijn nog helemaal niet te zien. Pas rond 10 uur ontplooien de helm knoppen zich en komt het stuifmeel los. Rond deze tijd worden de bloemen zowel door stuifmeelhaalsters als nectarzuigers bezocht. Dikwijls zijn er meer hommels dan honingbijen. Rond de middag en vooral na de middag ontplooien de stijlen en stempels zich. Nu kan de volledige bestuiving gebeuren.

De bestudeerde soorten zijn, wat betreft de ritmische ontwikkeling van meeldraden en stampers, mooie voorbeelden van 'protandrische' bloemen: eerst zijn de meeldraden rijp en pas later de stempels. Zelfbestuiving wordt bijna uitgesloten al is het bekend dat de stempels zo snel groeien dat ze krullen en zo toch in staat zijn het eigen stuifmeel tussen de papillen en de kleverige haren op de stempel op te nemen.

2. Nectar

Nectar bestaat hoofdzakelijk uit water en suikers (sacharose, ook wel sucrose genoemd, glucose en fructose) maar bevat ook andere stoffen zoals aminozuren (asparagine, glutamine, serine, proline, cystine, tyrosine, methionine en alanine), eiwitten o.a. enzymen (zoals sucrase, oxidase en tyrosinase), vitamines in zeer lage concentraties (zoals ascorbinezuur of vitamirle C, riboflavine, foleïnezuur, thiamine, nicotinezuur, biotinepyridoxine), organische zuren (zoals oxaalzuur, fumaarzuur, appelzuur, citroenzuur, Afketoglutaarzuur, gluconzuur en tartaarzuur) en uiteindelijk ook nog een weinig mineralen, hoofdzakelijk fosfaatverbindingen. Soms bevat nectar ook glycosiden en alkanoïden die toxisch zijn voor de bijen en de mens, b.v. sommige lindesoorten en zijdeplanten. Voor de imker is het natuurlijk belangrijk te weten of de bloemen waarop de bijen foerageren voldoende suikers in hun nectariën of nectarklieren produceren en vooral wanneer ze nectar produceren.

f5f6

De hoeveelheid nectar die een bepaalde bloem produceert kan plaatselijk verschillen en is afhankelijk van abiotische factoren zoals tijdstip (dagritme van de bloem), temperatuur, vochtigheid, bodemsamenstelling. Volgens Kartashova (1965) bedraagt de suikerconcentratie, uitgedrukt in % vers gewicht aan nectar bij winterlinde (Tilia cordata) op een locatie 12 % en op een andere locatie 75 %.

Bij het interpreteren van deze tabel moeten we met enkele punten rekening houden.

• Een aantal bloemen is zeer klein! Het heeft geen zin om een bloem van tijm te vergelijken met een schotel van de zonnebloem of een passiebloem.

• Het valt op dat peren, in tegenstelling tot appel en zoete kers, geen interessante bloemen zijn voor nectar en dus ook geen goede honingopbrengst geven.

• Fluweelblad, wilde kastanje, passiebloem, komkommers en pompoenen zijn zeer rijk aan nectar maar in vergelijking met de koolachtigen en vele andere planten hebben ze maar weinig bloemen. Vele kleintjes maken echter een groot!

• Belangrijk is natuurlijk de hoeveelheid bloemen die ter beschikking is van de bijen: een veld met klaver, koolzaad, raapzaad, of mosterd is belangrijker dan enkele vierkante meter tijm waarop de bijen nochtans goed vliegen.

f8f7

f9

Als we weten dat natuurlijk vloeibare honing rijk is aan fructose, dan kunnen we uit deze tabel afleiden dat Valse acacia een transparante vloeibare honing is en meestal blijft. Zo geven framboos, kers en peer - deze laatste wordt weinig bevlogen - eerst een vloeibare honing die langzaam maar zeker zal opstijven. De kleur van de honing wordt hoofdzakelijk bepaald door het stuifmeel dat kleurstoffen van het type flavonen bevat terwijl de geur hoofdzakelijk bepaald wordt door de etherische oliën van de bloemen en het stuifmeel.

Fahn (1949) heeft ook voor ander planten de concentratie aan suikers, uitgedrukt in % van het vers gewicht aan nectar, gemeten.

f10

Uit deze tabel zien we dat de Citrussoorten vloeibare honing produceren gezien hun laag percentage aan sacharose. Lavendel zou in principe vaste honing moeten geven. Als men in de streek rond de Middellandse zee lavendelhoning koopt, dan is deze echter meestal lopend. Men laat deze honing niet rijpen en uitkristalliseren, maar doet hem nog vloeibaar rechtstreeks in potten! Als men deze honing niet snel consumeert of in de koelkast bewaart, gaat hij gisten.

Volgens Herbert G. e.a. (1983) zijn bepaalde plantenfamilies rijk aan sacharose en arm aan glucose en fructose of rijk aan glucose en/of fructose maar arm aan sacharose; bij andere is de concentratie aan sacharose en glucose/fructose ongeveer gelijk. Zo zijn de ranonkelachtigen (Ranunculaceae) en de lipbloemigen (Laminaceae) zeer rijk aan sacharose terwijl de kruisbloemigen (Brassicacae) en de samengesteldbloemigen (Asteraceae) dan weer zeer rijk aan glucose en lof fructose zijn maar arm aan sacharose. Bij de vlinderbloemigen (Fabaceae) is er geen duidelijkheid, ofwel zijn ze rijk aan fructose, ofwel aan glucose, ofwel aan sacharose. Voor de imker betekent dit dat de honing snel of zeer langzaam zal uitkristalliseren.

Deel 3 van deze reeks verschijnt in ons oktobernummer en gaat over de nectarklieren. We leren o.a. bloemen kennen met merkwaardige extraflorale nectarklieren, vernemen hoe nectarklieren functioneren en welke hun rol is in de fysiologie van de planten die ze dragen.