Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 99
Jaar: 2013
Maand: januari-februari
Auteurs: Arnout Zwaenepoel, plantenbioloog

Situering van de exotenproblematiek

Onderzoek

f1In 1997 startte het onderzoek naar oorspronkelijk inheemse bomen en struiken in Vlaanderen en Nederland. Dat onderzoek omvatte een systematische kartering van de autochtone bomen in beide regio’s. Daarbij werden verschillende nieuwe struiken en bomen voor Vlaanderen ontdekt (bijvoorbeeld de kale struweelroos en wigbladige roos) of herontdekt nadat ze uitgestorven gewaand waren (bijvoorbeeld koraalmeidoorn). Daarnaast werden ook heel wat oud-cultuurtaxa herontdekt, bijvoorbeeld het hele 19de-eeuwse mandenmakerspectrum wilgen, die in geen enkele flora nog vermeld waren. Bovenal kregen we natuurlijk een veel duidelijker beeld op de verspreiding van de laatste relicten van onze oorspronkelijk inheemse bomen en struiken in Vlaanderen en Nederland. Tegelijk werden we ons pijnlijk bewust van de zeldzaamheid van die taxa en de sterke bedreiging ervan door onder meer exoten, maar ook door afname van het bosareaal, gewijzigd bosbeheer, toenemende bebouwing, enz. Voor hen die meer willen vernemen over dit onderzoek verwijzen we naar het boek: Maes et al. (2006). Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen. Herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Uitgeverij Boom, Amsterdam, 376 p.

Geen kruistocht tegen invasieve exoten

Door dit onderzoek, maar evengoed vanuit een meer klassiek bosbouwkundig standpunt, werden een aantal maatregelen genomen om enkele zogenaamde invasieve exoten te weren uit onze bossen en natuurgebieden. Het gaat daarbij in de eerste plaats om Amerikaanse vogelkers, in mindere mate en afhankelijk van de mate van bedreiging ook om andere boomsoorten zoals Amerikaanse eik, robinia, grauwe abeel, …

De promotie van autochtone struiken en bomen en de maatregelen tegen bepaalde invasieve exoten zijn zeker niet bedoeld als een onvoorwaardelijke kruistocht tegen alle exoten. Daarover heersen veel misverstanden. In de eerste plaats wordt beoogd groeiplaatsen van zeldzame en bedreigde oorspronkelijk inheemse struik- en boomsoorten te beschermen en dus zijn het vooral natuur- en bosgebieden die de meeste aandacht krijgen bij de exotenbestrijding. Tuinen en parken vallen grotendeels buiten het terrein van die maatregelen, al is het wel zo dat ook daar het gebruik van meer inheemse bomen en struiken zeker te verdedigen is vanuit een standpunt om de biodiversiteit niet verder te doen achteruitgaan.

Herstelmaatregelen

Het kappen van exoten gaat meestal gepaard met herstelmaatregelen. Het vrijstellen van lichtminnende struiken en bomen in de rand van het bos is meestal een belangrijke maatregel ter bescherming van die zeldzame autochtone taxa (tweestijlige meidoorn, koraalmeidoorn, geoorde wilg, wilde peer, wilde appel, bosroos, wilde kardinaalsmuts, Spaanse aak, zuurbes, rode en gele kornoelje, winterlinde, zomerlinde, ...).

Ook algemenere soorten zoals de grauwe wilg, de boswilg, de vuilboom, de wilde lijsterbes en de ratelpopulier profiteren hier sterk van. Tenslotte is de maatregel ook vaak bedoeld ter bescherming van oud cultuurtaxa en archeofyten zoals wilde mispel, zoete kers, knotbomen van haagbeuk, knotbomen van gewone es, zwarte populier of grens- en hoekbomen. Tegelijk worden vaak maatregelen getroffen om een bredere mantelzoom te creëren, waarvan dus ook heel wat kruiden profiteren. Op die manier is de compensatie aan bloeiende planten, zowel kruiden, struiken als bomen, meestal groter dan wat er weggehakt wordt aan exoten. Tal van uitbreidingen van zeldzame insecten zijn de laatste jaren mede te danken aan dit soort maatregelen. We denken bijvoorbeeld aan de recente heruitbreidingen van de kleine ijsvogelvlinder, de grote weerschijnvlinder, diverse parelmoervlinders, … Ook bijen, zowel wilde bijen als de honingbij profiteren meestal mee van dit soort bosrandbeheer. Het aanbod aan bloeiende planten wordt door dit soort maatregelen meestal groter en wat ook belangrijk is, het is meestal beter gespreid in de tijd, wat voor bijen heel zeker een belangrijk criterium is, om schaarsteperiodes aan drachtplanten zoals wilgen, linden, esdoorns, robinia’s te overbruggen. Ook andere organismen, zoals vleermuizen, kleine marterachtigen, hagedissen, hazelworm, … profiteren van dit bosrandbeheer.

Besluit

Exotenbeheer is geen blinde haatcampagne tegen een aantal exoten, maar een weloverwogen aanpak om de biodiversiteit in onze bossen en natuurgebieden te behouden, te herstellen of te vergroten. Bijen kunnen meestal mee profiteren van deze maatregelen.

Enkele definities

Archeofyt: Planten die ingeburgerd zijn vóór 1500.

Autochtoon: Synoniem voor ‘oorspronkelijk inheems’. Zie definitie aldaar.

f2Cultuurgoed: Planten die werden aangeplant in het kader van een historisch cultuurgebruik. Cultuurgoed kan zowel inheems als uitheems zijn.

Ecodistrict: Een regio die op het vlak van klimatologische-, reliëfen bodemkenmerken voldoende uniform is om vanuit de ecologie als één geheel behandeld te worden. Bijvoorbeeld: de duinen, de West- Vlaamse heuvels, …

Efemeer: Uitheemse, ongewild ingevoerde planten die niet langer dan één of hoogstens enkele jaren kunnen overleven wegens beperkte mogelijkheden tot vermeerdering, beperkt concurrentievermogen, ongeschikte klimatologische omstandigheden, …

Exoot: Een organisme dat zich heeft gevestigd in een land waar het oorspronkelijk niet vandaan komt. Bijvoorbeeld: het konijn in Australië, de Amerikaanse vogelkers in België, …

Ingeburgerd: In een gebied niet oorspronkelijk voorkomende, gewild of ongewild ingevoerde planten die er zelfstandig in slagen levensvatbare populaties uit te bouwen die permanent (minstens 35 jaar) aanwezig blijven.

f3Inheems: Een plant wordt inheems genoemd als hij van nature voorkomt binnen de grenzen van een bepaald geografisch gebied. Meestal gaat het om een land, bijvoorbeeld België. Het is duidelijk dat een geografisch grens als een landsgrens een puur menselijke afbakening is die vaak weinig of niets met een natuurlijke areaalgrens voor een plantensoort te maken heeft. Daarom hanteren we tegenwoordig vaak de term ‘oorspronkelijk inheems’ of ‘autochtoon’, waarvoor we naar de definities hieronder verwijzen.

Invasief: Als invasief worden die ingeburgerde taxa beschouwd die ver buiten de oorspronkelijke plaats van introductie doordringen in natuurlijke milieus, al dan niet met ecologische en/of economische schade tot gevolg.

Neofyt: Planten die na 1500 ingeburgerd zijn worden neofyten genoemd.

Oorspronkelijk inheems: Synoniem voor ‘autochtoon’. Planten die zich sinds hun spontane vestiging na de ijstijd ter plekke altijd slechts natuurlijk hebben verjongd of kunstmatig verjongd zijn, met strikt lokaal oorspronkelijk materiaal.

f4Standhoudend: Inheemse of uitheemse, meestal overblijvende planten die ooit gewild werden aangeplant/uitgezaaid maar zonder verder menselijke tussenkomst ter plaatse blijven zonder of met beperkte mogelijkheid tot vermeerdering.

Streekeigen: Planten die eigen zijn aan een streek. Er zijn twee mogelijkheden.

1. Een plant kan streekeigen zijn omdat zijn biotoop voorkomt in die streek. In die streek moeten er dus exemplaren in het wild voorgekomen hebben of nog voorkomen.

2. Een plant kan ook streekeigen zijn omdat er een traditie is van aanplanting van die soort in de streek. Men spreekt op die plaats van streekeigen cultuurgoed. Exoten kunnen dus ook streekeigen cultuurgoed zijn. Bijvoorbeeld: de mispel en het palmboompje.

Taxon, mv. taxa: Vaak spreekt men over planten zonder een concrete soortnaam te vernoemen, maar wordt een geslachtnaam gebruikt of zelfs een familienaam. Zo spreekt men bijvoorbeeld van zomereik (soortnaam), van eik (geslachtsnaam) of van de wilgen (familieaanduiding). Die verschillende niveaus worden als ‘taxon’ aangeduid om niet telkens te moeten vermelden als het over een variëteit, een ondersoort (subspeciës), een soort (species), een geslacht (genus), een familie of nog een andere rang gaat.