Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: November
Auteurs: Tjeerd Blacquière

Stuifmeel voeding en gezondheid

stuifmeel is voor bijen eigenlijk het volledige voedsel, op het energie-aandeel na: daarvoor zorgt de honing. Dat betekent dat stuifmeel de eiwitten (aminozuren), mineralen en vitaminen moet binnenbrengen, benevens een paar vetten. Zowel wat betreft de aminozuren (en dan vooral de essentiële aminozuren), de vitaminen, mineralen en vetten bevat bijna geen enkele soort stuifmeel alle voedingscomponenten, en al helemaal niet in de juiste verhouding. Daarom zijn bijen gebaat bij een aanbod van meer soorten stuifmeel tegelijk of in ieder geval bijna gelijktijdig. Stuifmeel wordt wel opgeslagen in het bijenvolk, maar behalve in de herfst is de turnover van stuifmeel groot, langdurige voorraden worden niet aangelegd. Dat impliceert ook dat een standplaats op een moment rijk kan zijn, maar vier weken later arm!

Standplaats en diversiteit

45 1Sjef van der Steen deed een onderzoek naar de ontwikkeling van bijenvolken op een ‘arme’ en een ‘rijke’ standplaats, waarbij’ arm en rijk variatie en hoeveelheid beide betrof. Aan de ontwikkeling van de volken in de zomer was niet eens zoveel verschil te zien, maar in het najaar bleven op de arme plek de volken doorbroeden, terwijl op de rijke standplaats op tijd aan de ‘winterzit’ werd begonnen.

Dat vertaalde zich ook in het vitellogenine gehalte (dooiereiwit, bij honingbijen het eiwit dat als opslag dient voor lange overleving, vooral in winterbijen) van het volk als geheel. Dat was in september veel lager op de ‘arme’ plek.

Grote kans dat de volken van de arme plek minder goed de winter konden overleven: ze hadden niet voldoende winterbijen gemaakt. Proeven in het labo, gedaan op diverse plaatsten, laten ook zien dat een kariger dieet, met minder soorten stuifmeel, tot een slechtere respons op ziekten leidt dan een rijk gevarieerd dieet.

Dat verschil werd niet verklaard door het gehalte aan eiwit in het stuifmeel, en moet dus te maken hebben met een of andere ontbrekende component (cruciaal aminozuur, vitamine, mineraal) of juist de aanwezigheid van een toxine.

Behalve een grotere vatbaarheid voor ziekten bleken bijen bij gebrekkig voedsel ook minder goed in staat zich te verweren tegen giftige stoffen in het milieu, zoals pesticiden. Wanneer de diversiteit van stuifmeel zo belangrijk is voor de gezondheid van bijen, dan zal de aanwezigheid van monoculturen mogelijk niet gunstig zijn voor onze bijen.

Althans dat is de verwachting. Wij in onze streken denken dan vooral aan mais, waarvan we soms denken dat het in augustus de enige bloeiende voedselbron voor bijen is. De kwaliteit van maisstuifmeel wordt vaak ook laag ingeschat, maar recent onderzoek in Duitsland liet zien dat bijen goed kunnen opgroeien met maisstuifmeel. Wel is waar dat maisakkers niet veel anders te bieden hebben, ze zijn groot en laten nauwelijks onkruiden toe.

De bloei van een paar weken ligt dichtbij het einde van het seizoen, dus dichtbij de aanmaak van de winterbijen.

Interactie van stuifmeelvoeding met andere factoren

Onderzoek van Coby van Dooremalen in het lab liet zien dat een goede stuifmeelvoorziening zorgt voor gezonde bijen, met een goed eiwitgehalte. Na de geboorte groeien jonge bijen nog in gewicht en eiwit door veel stuifmeel te eten. Bijen die als pop waren geparasiteerd door varroamijten, worden lichter geboren. Het bleek dat een rijk stuifmeeldieet de jonge bijen daar niet meer overheen kon helpen, de schade door varroa was definitief.

Wel waren bijen met varroa en weinig stuifmeel nog slechter af. Ook in het veld is stuifmeelgebrek soms desastreus voor volken. Een veldproef van Coby liet zien dat varroa de meest destructieve factor is voor de overleving van bijenvolken, maar gebrek aan stuifmeel (werd gedaan door een deel weg te vangen met een stuifmeelval) zorgde ervoor dat volken in het voorjaar niet goed kunnen opstarten, vooral een koude lente zoals in 2013 kan dan zelfs overlevende volken nog fataal worden.

Hoe divers is het stuifmeel dat onze bijen oogsten?

Om dat te beantwoorden zijn Sjef van der Steen en Robert Brodschneider (Graz, Oostenrijk) hun CSI-pollen (citizen scientist investigation) begonnen, in samenwerking met een groot aantal imkers in diverse Europese landen. Imkers hebben een stuifmeelval voor een volk en oogsten stuifmeel in een aantal afgesproken weekeinden. Daarin wordt dan het aantal kleuren geteld, als een indicatie voor de soortenrijkdom (of armoede). Het blijkt dat de aantallen kleuren meestal niet zo groot zijn (het is niet oneindig bio-divers), en er zijn verschillen tussen het zuiden en noorden van Europa, maar ook tussen de seizoenen.

Giftig stuifmeel

Sommige soorten stuifmeel zijn giftig voor bijen of de larven van bijen. Doordat stuifmeelsoorten altijd verdund worden met andere, zal het zelden echt schadelijk worden voor bijen. Waarschijnlijk is het bestaan van stuifmeel met plantentoxinen een bijverschijnsel van de aanwezigheid van de toxinen in bijvoorbeeld de bladeren van de plant, als antivraatstof tegen rupsen. Alleen komt er ook iets in het stuifmeel terecht, een kleine onvolkomenheid van de natuur.

Een apart verhaal is wanneer systemische insecticiden in het stuifmeel terecht komen, zoals bijvoorbeeld de neonicotinoïden. Gevonden concentraties in maisstuifmeel waren in de orde van een paar μg per kg. Dergelijke concentraties in stuifmeel leiden niet tot dodelijke effecten voor bijen, en vallen zelfs in een worst case scenario (als alle stuifmeel dezelfde concentratie bevatte) nog niet tot meetbare directe effecten. De belasting door gif in stuifmeel is het grootst voor de voedsterbijen, die wel ongeveer 10 mg per dag kunnen consumeren.

Daarmee is de blootstelling aan gif echter nog vele malen lager dan wat foerageerbijen kunnen opdoen uit nectar of honing met dezelfde concentraties aan gif.