Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: November
Auteurs: Cyriel Verbruggen

Neerslag van 50 jaar pollenonderzoek

Zoogdieren, waarbij de mens, vormen de laatste evolutietrap in de ontwikkeling van de dieren. In het plantenrijk wordt deze laatste trap gevormd door de zaadplanten of Phanerogamen of Spermatophyta. De afdeling eronder is die van de sporenplanten of Pteridophyta. Zaadplanten planten zich voort via een vrouwelijk orgaan, de zaadknop en de stuifmeelkorrel, de mannelijke geslachtscel. Een verzamelnaam voor stuifmeel is ‘pollen’. Opgelet dit is geen meervoudsvorm van ‘pol’. Wij spreken dus van het pollen of het stuifmeel of de stuifmeelkorrels van een plant.

Stuifmeelonderzoek is zeer ingewikkeld

46 1Wanneer men over een voldoende uitvoerige collectie van pollenpreparaten van onze hedendaagse flora beschikt en deze bekijkt, zal men moeten vaststellen dat in meerdere plantenfamilies de stuifmeelkorrels van de verschillende soorten zo sterk op elkaar gelijken dat het heel moeilijk wordt om deze soorten te onderscheiden. Als men bovendien ziet hoeveel vormen van stuifmeelkorrels er zijn dan vergt het een lange en intensieve studietijd om hierin ervaren te geraken.

De eerste conclusie van deze uiteenzetting luidt dan ook: stuifmeelanalyse van drachtplanten en honing is een zeer ingewikkeld, niet te onderschatten onderzoek.

Rol van pollenonderzoek in de imkerij

Een systematische studie van stuifmeel verzameld via stuifmeelvallen gedurende een drachtjaar met een tussenperiode van twee weken, leerde ons dat er perioden zijn met een zeer gevarieerd gamma van bevlogen plantensoorten en andere perioden met bijna eensoortig stuifmeel, zoals o.a. fruit; het onderscheid tussen de verschillende fruitsoorten is moeilijk en niet gemaakt. In oktober werd enkel pollen van klimop verzameld. Er werd ook pollen van mais gevonden.

Met de wetenschap dat de zaden ervan in de huidige landbouw met neonicotinoïden worden behandeld ... In een vorig jaar uitgevoerd onderzoek van honingmonsters uit Klein Brabant, moesten wij concluderen dat wij steeds te doen hadden met een gemengde honing, waarin ook nog (resten van) voorjaarshoning – wilg – aanwezig was.

Een andere vaststelling was, dat de frequentie van de aangetroffen plantensoorten hoogstwaarschijnlijk niet evenredig is met de hoeveelheid nectar die op die plantensoorten is verzameld. Zo is het pollen van linde steeds ondervertegenwoordigd. In het zeer uitvoerig onderzoek van stuifmeel in honing uit alle streken van België, dat nu meer dan 50 jaar terug aan de Gentse Landbouwhogeschool werd uitgevoerd, bleek klaver voor meer dan 80% het hoofdpollen te zijn.

Het belang van deze plant zal in die tijd zeker heel groot zijn geweest, maar een zo hoog percentage is moeilijk aan te nemen. Hoogstwaarschijnlijk moeten wij er rekening mee houden dat het stuifmeel van klaver meer dan dit van andere drachtplanten in de honing terecht komt. Anderzijds vermelden de onderzoekers dat in zgn. lindehoning steeds zeer weinig stuifmeelkorrels van die boom werden aangetroffen. Uiteindelijk bevestigen deze vaststellingen wat men in de literatuur hierover kan terugvinden.

Vooral uit Duitsland en in mindere mate uit Nederland kan men uitvoerige studies terugvinden over honingsoorten en hun herkenning. Drie criteria worden hierbij gebruikt:46 2

1. directe waarneming van geur, kleur;

2. de elektrische geleidbaarheid;

3. de polleninhoud.

Veel onzekerheid

Er bestaan tabellen waarin percentages van aangetroffen stuifmeel zijn aangegeven voor de herkenning en erkenning van honing van een bepaalde plantensoort. Dit is een lovenswaardige poging tot eerlijkheid.

Helaas moeten wij vrezen dat, gelet op wat hiervoor is gezegd met betrekking tot de verhouding van het aanwezige pollen tussen de frequentie van het bijenbezoek, er heel veel onzekerheid is bij de toepassing van deze percentages.

Waarschijnlijk zullen er ook verschillen zijn van streek tot streek. Voor onze gebieden, gezien de variatie in onze huidige bijenweide en op basis van het weliswaar beperkte onderzoek, moeten wij stellen dat onze honing (bijna) steeds een gemengde oorsprong heeft.

Spijtig misschien dat hierbij sommige heilige huisjes en verkoopstechnieken in vraag moeten worden gesteld. In een enig kritisch Duits artikel hieromtrent stond het argument dat een gemengde honing tenslotte alle goede eigenschappen van het product kan verenigen en waarom zouden wij hiermee niet kunnen leven?

Wat zgn. bladhoning betreft tenslotte: de samenstelling van dit product is dezelfde als deze van bloemenhoning, behoudens kleine verschillen in sporenelementen en mineralen, zoals dit trouwens ook in de verschillende nectarplantenhoningsoorten het geval is. Voor de naamgeving is honingdauwhoning de correcte term.

Stuifmeelonderzoek voor de kennis van onze bijenweide

46 3De doelstellingen van de pollenonderzoeken, die in de loop der jaren werden gedaan, waren van allerlei aard: directe, zoals hierboven genoemd en andere vooral i.v.m. met contaminaties.

In ieder geval was de determinatie van de plantensoorten een rechtstreeks of onrechtstreek onderdeel van het onderzoek en werd er tevens gebruik van gemaakt om zoveel mogelijk informatie over de bijenweide te verzamelen.

Men kan stellen dat stuifmeelinzameling en honingonderzoek rechtstreekse en onrechtstreekse informatie oplevert i.v.m. de bijenweide.

Het is bekend dat bijen ook stuifmeel van verschillende oorsprong, zoals de wind, in hun haren kunnen meebrengen die dan in de honing terechtkomen, zodat voorzichtigheid is geboden. In ieder geval is stuifmeelanalyse de bron bij uitstek voor de kennis van de bijenweide.

In al onze onderzoeken kwam dezelfde vaststelling naar voor: steeds troffen wij een aantal pollensoorten aan die wij niet konden determineren. Dit betekent natuurlijk niet dat determinatie onmogelijk is, maar hiervoor is dan toch dikwijls langdurig opzoekingswerk nodig en hulp van andere laboratoria.

Een heel belangrijk hulpmiddel hierbij is het botanisch verkennen van het bevlogen areaal, maar dat was ook onmogelijk. Dus bleven wij achter met een zekere frustratie of onmacht. Maar het besluit werd steeds duidelijker: de kennis van onze Vlaamse bijenweide vertoont belangrijke beperkingen.

Lijst voor drachtplanten

Er bestaan geen lijsten van drachtplanten specifiek voor Vlaanderen. De soortenlijst vermeld in de Bijenplantengids is samengesteld op basis van lijsten uit onze buurlanden, in de eerste plaats Duitsland. Daarenboven zijn er grote verschillen in de botanische specificatie.

Bepaalde soorten hebben een bijna eindeloze reeks van variëteiten, die helaas ook niet altijd overeenkomen met de officiële Flora van België. Met alle respect, maar een zo omvangrijke plantenlijst, niet van eigen bodem, is geen correcte en praktische leidraad voor onze bijenweide.

Het interessantste wetenschappelijk document dat ooit van onze bijenweide werd gemaakt, is mijn inziens, nog steeds Studie van de bijenflora in België door pollenanalyse, van Martens et al., Biologisch Jaarboek, 1964,292-321. Het laat toe om even in te gaan op de belangrijke wijzigingen die er in onze bijenweide grosso modo sedert WO II zijn gebeurd.

Beginnen wij met de bomen. Hier zien wij weinig of geen wijziging. Wilg, fruit, esdoorn, robinia (acacia in gebruikstaal), linde en tamme kastanje zijn nog steeds hoofdleveranciers. Allicht kunnen wij stellen dat de bomen in het algemeen nu zelfs aan belang hebben gewonnen en nog doen. Met struiken, tenminste deze in bossen, zoals de braambes, gaat het minder goed, maar daartegenover staan dan diegene die zijn aangeplant in parken en nog veel meer in de tuinen van de villawijken die er tussen 1960 en nu overal zijn ontstaan.

En hier hebben wij een groot hiaat in onze kennis over de huidige bijenweide. Van de betekenis van deze enorme variatie van sierheesters weten wij weinig. Met de kruiden is het verschil waarschijnlijk het grootst. Belangrijke soorten, min of meer in orde van belang, zoals ze in 1960 werden teruggevonden zijn: witte klaver; zoals reeds gezegd, vormde deze plant voor meer dan 80% de belangrijkste soort in de toenmalige honing en moeten wij er vanuit gaan dat het pollen van witte klaver abnormaal veel voorkomt in honing.

Desondanks kan het niet anders dat het toen het meest bezochte kruid was van onze bijen. Volgen dan: honingklaver, rolklaver, vergeetmij- nietje, moerasspirea, blauwe korenbloem (helemaal verdwenen), slangenkruid, smeerwortel, een aantal kruisbloemigen, die niet verder konden worden onderscheiden, samengesteldbloemigen met een aantal distelsoorten, eveneens niet nader onderscheiden.

Belangrijke wijzigingen

In zijn geheel genomen mogen wij toch stellen dat onze bijenweide belangrijke veranderingen heeft ondergaan in de laatste 50 jaar. Bovendien zijn ook de verschillen van streek tot streek toegenomen, zowel door de belangrijke wijzigingen in de landbouwproductie en landbouwmethoden als door de sterke uitbreiding van de bewoning en daaraan gebonden activiteiten. Specifieke drachtgebieden, zoals de heide, zijn niet in deze beschouwing opgenomen.

De vraag of onze bijenweide in zijn geheel in belang is afgenomen, is veel minder duidelijk en kan best het onderwerp van een boeiende discussie zijn. Waarschijnlijk zullen hier ook verschillen van streek tot streek aan het licht komen. Stellen ‘dat er te veel imkers zijn of dat ze tenminste beter moeten gespreid worden omdat er te weinig bijenweide is’, zoals onlangs in een radioprogramma is naar voor gebracht, vind ik persoonlijk een fout of tenminste een misleidend signaal.

Bijenweide, milieubeleid en natuurbehoud

46 4Welk is onze verhouding met de politiek van milieubeleid en natuurbehoud? Na een bijeenkomst waarop personen uit het natuur- en milieubeleid met vragen van de imkers werden geconfronteerd, een kleine twee jaar geleden in Aalter, heb ik persoonlijk moeten concluderen dat er geenszins een gezamenlijk standpunt over natuurbeleid en bijenweide bestaat.

Uit langdurige beroepservaring heb ik ook geleerd dat de gezichtspunten van natuurbehoud rigide zijn en in een aantal gevallen moeilijk in overeenstemming zijn te brengen met een optimaal bijenweidebeleid.

Het opstellen van botanisch gefundeerde plantenlijsten van reële en potentiële drachtplanten per ecologische streek, zou, mijns inziens, een uitstekende doelstelling en tevens uitgangsbasis kunnen zijn voor een fundamentele structuur van onze bijenweide.

Aangezien de verantwoordelijken van natuurbeleid, zowel wetenschappelijk als administratief, hierbij ook over de beste informatie beschikken, zal een directe samenwerking hierbij de garantie zijn voor een duurzame – toch het woord bij uitstek in het milieubeleid – ontwikkeling en behoud van onze bijenweide.

Met hartelijke dank aan mijn vriend-imker, Walter Van Bruyssel, voor al het interessante en nuttige opzoekingswerk.