Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 89
Jaar: 2003
Maand: november
Auteurs: Haro Wijnsouw, Informatiecentrum voor de Bijenteelt

De veldiep - Ulmus minor

f1

De veldiep, ook wel gladde iep of olm genoemd, is inheems en komt vrij algemeen voor in Vlaanderen. Normaal groeit hij uit tot een forse boom van wel dertig meter hoog, maar zulke exemplaren zijn eerder zeldzaam. De iepenziekte heeft immers sinds de jaren twintig en zeker tijdens de warme zomers van 1975 en 1976 veel slachtoffers geëist. Een schimmel overgebracht door de grote iepenspintkever ligt aan de basis van de ziekte die moeilijk te bestrijden is. Gelukkig wist de iep zichzelf te redden, dankzij zijn krachtige wortelopslag.

Het vijf tot acht centimeter lange blad, dat aan de voet asymmetrisch aan het steeltje zit, en de vaak aan de twijgen vergroeide kurklijsten karakteriseren de boom.

De veldiep bloeit in het voorjaar op tweejarig hout. De groenige bloemen zijn kort gesteeld en harmoniëren mooi met de paars lijkende helm- knoppen. De wind staat in voor de bestuiving, dus steekt de boom geen energie in nectarproductie om insecten te lokken. Wel is er stuifmeel te halen. De bijen verzamelen het in kleine, licht tot donkergrijze klompjes. De biologische werkzaamheid ervan is middelmatig.

De vroege bloei en goede stuifmeelproductie van de veldiep dragen bij tot de voorjaarontwikkeling van het bijenvolk. Een waardevolle boom dus die het niet gemakkelijk heeft gehad: de landbouw palmde zijn natuurlijke standplaats in, de populier verving hem als laanboom en de iepenziekte deed de rest. Er is echter hoop. De boom als soort heeft een groot potentieel bij inheemse aanplantingen, vooral op kleigronden waar een iepen bos héél soortrijk kan zijn. Verder komen resistente, gecultiveerde soorten in aanmerking voor aanplant in parken, bossen en tuinen.