Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 99
Jaar: 2013
Maand: December
Auteurs: Freddy Franck

Egyptische wilg, Salix medemii boiss

Wilgen zijn in vele streken onmisbaar voor een goede voorjaarsontwikkeling van de honingbijen. Ze zijn uitstekende leveranciers van stuifmeel en nectar. Daarom is het aan te raden dat onze imkers zoveel mogelijk geschikte wilgensoorten in hun omgeving trachten aan te planten. Met geschikt bedoelen we vooral dat ze overvloedig bloeien. Bovendien is het interessant als de wilgenbloei zich over een lange periode uitstrekt. Niet alle wilgensoorten bloeien immers op hetzelfde moment. Hierna volgen enkele voor de honingbijen interessante wilgen met hun gemiddelde bloeimaanden: S. medemii (b III), S. daphnoides (2°h III), S. capria en S. x smithiana (e III – b IV), S. nigrivans (e IV – b V) en S. Triandra (semperflorens) (V en vanaf VIII tot in het najaar). Enige kennis over het uitgebreid wilgengeslacht is aangewezen, vooral omdat de determinatie niet eenvoudig is en er vele bastaarden voorkomen.

De S. medemii verdient om verschillende redenen onze aandacht. In onze streken is bij winterhard, ondanks zijn afkomst. Zoals de soortnaam aegyptiaca (Egypte) reeds doet vermoeden is deze plant bij ons niet inheems. Hij58 1 komt van nature voor in Noord-Afrika en Zuid-West Azië. In het Nederlands wordt hij dan ook de Perzische of Egyptische wilg genoemd.

Door zijn vroege bloei is hij een zege voor onze bijen. Het zijn vooral de vroegbloeiende wilgen, die de imker moet aanplanten kort bij zijn bijenstand. In het vroege en vaak koude voorjaar kunnen onze bijen immers nog niet ver vliegen en is een voedingsbron kort bij ‘huis’ noodzakelijk.

Deze wilg is ook een mooie sierplant. Als de mannelijke gele katjes bloeien is hij zeer decoratief. Om zijn groei te beheersen kan men hem na de bloei en voor de ontwikkeling van het blad ieder jaar, of zeker om de twee jaar, sterk terugsnoeien tot 30 cm boven de grond.

Er zullen zich talrijke krachtige scheuten vormen die het volgend voorjaar overvloedig zullen bloeien. De takken kunnen in bloemstukken verwerkt worden.

In tegenstelling tot de Salix caprea, kan de Salix medemii gemakkelijk gestekt worden. Observeer goed de struiken waarvan stekken genomen worden. Noteer of de plant mannelijk of vrouwelijk is. Best worden de moederplanten gelabeld in het vroege voorjaar als ze katjes dragen.

Deze wilg komt normaal in de vrije natuur niet voor. Gezien zijn exotische afkomst is het best dat hij enkel aangeplant wordt op plaatsen die door de mens beheerd worden. De S. medemii is vooral te herkennen aan zijn blad, twijgen, katjes en groeivorm.

De eironde tot elliptischlancetvormige bladeren zijn 5 tot 15 cm lang en 3 tot 6 cm breed (verhouding lengte –breedte 2/1) en eindigen spits of stomp. De jonge bladeren zijn aan beide zijden viltig behaard en hebben steunblaadjes. Naar de zomer toe vallen de steunblaadjes af en wordt de bovenzijde van het blad kaal en glanzend groen.

De onderzijde blijft blauwgroen behaard. De stevige jonge twijgen zijn zilvergrijs en viltig behaard, na twee jaar worden ze kaal. De katjes verschijnen voor de bladeren. De talrijke bloemknoppen zijn eirond (6 tot 9 mm lang en 4 tot 6 mm breed) en stomp. Hieruit ontwikkelen zich de vrouwelijke katjes. Ze zijn tot 8 cm lang, cilindrisch tot eirond, zittend met steunblaadjes en behaard. De 4 cm grote mannelijke katjes zijn aanvankelijk groengrijs en hebben steunblaadjes van 7 à 10 mm. De helmknoppen zijn mooi geel.

Zonder snoei en op een vrije standplaats groeit deze wilg meestal uit tot een 4 m hoge struik met een diameter van 5 m. Soms ontwikkelt hij zelf tot een middelhoge boom. Deze wilg verkiest een zonnig tot licht beschaduwd plaatsje, op een vochtige, licht zure, zandige diepe bodem.