Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 101
Jaar: 2015
Maand: Jan – Feb.
Auteurs: Freddy Franck

 Koolzaad

De kruisbloemenfamilie (Cruciferae of Brassicaceae) is een uitgebreide plantenfamilie waarvan verschillende vertegenwoordigers interessant zijn zowel voor de honingbijen als voor de agrarische sector. De groenteboer biedt de voor ons minst interessante soorten aan. Denk maar aan het hele assortiment kolen, maar ook nog radijsjes, koolrapen, rucola, waterkers en tuinkers. De landbouwer is dan weer meer geïnteresseerd in gewassen als koolzaad, raapzaad en mosterd. Ze zijn interessant voor de zaadproductie en als groenbemester. In deze bijdrage staat koolzaad in de kijker.

Koolzaad (Brassica napus) is een alloploïde plant. Dit betekent dat de plant chromosomenparen bevat van verschillende andere planten. Koolzaad bevat 10 chromosomenparen van Brassica rapa (raapzaad) en 9 van5 1 Brassica oleracea (oerkool). Het totaal aantal chromosomen is dus 38.

Koolzaad kan tot 1,5 m hoog worden en draagt grote gele bloemtrossen. De vier kroonblaadjes van de individuele bloemen staan steeds in een kruis en de zaden ontwikkelen zich in houwen. De volwassen bladeren zijn liervormig en veerdelig. Daar koolzaad ook verwilderd in de natuur voorkomt, is het vaak moeilijk hem daar te determineren.

Andere Brassicaceae, zoals raapzaad, grote zandkool, knophederik, zwarte mosterd of herik, zijn immers zeer sterk gelijkend op koolzaad. Op het veld kan je bloeiend koolzaad gemakkelijk onderscheiden van bloeiend raapzaad. Bij koolzaad staan de ongeopende bloemknoppen boven de geopende. Bij raapzaad is het net andersom. De bovenste stengelbladen van mosterd hebben dan weer geen hartvormige, stengelomvattende voetje zoals bij koolzaad en raapzaad. Afhankelijk van de teelt is koolzaad één- tot tweejarig.

Koolzaad wordt al duizenden jaren gekweekt voor de zaadproductie. Uit de zaden werd olie geperst. Deze olie werd hoofdzakelijk als lampolie, smeermiddel of als grondstof voor zeep gebruikt. De olie was minder geschikt voor menselijke consumptie vanwege de aanwezigheid van erucazuur en glucosinolaat. Het is pas vanaf eind jaren zeventig van vorige eeuw dat er dubbelnulrassen in de handel gekomen zijn. Deze rassen zijn arm zowel aan erucazuur als aan glucosinolaat, zodat de gewonnen olie wel in de menselijke en dierlijke voedingsindustrie verwerkt kan worden. De laatste jaren wordt koolzaad ook meer en meer gebruikt voor de productie van biobrandstof.

In België is de teelt weinig beduidend, in vergelijking met Frankrijk en Duitsland. De grootste koolzaadproducenten zijn Canada en China. Toch wordt koolzaad, vooral winterkoolzaad, bij ons gepromoot. Winterkoolzaad kan in de late zomer gezaaid en de volgende zomer geoogst worden. Ook in onze tuin kan koolzaad als groenbemester gebruikt worden, al zijn er betere alternatieven.

Als drachtplant krijgt koolzaad zowel voor nectar als voor stuifmeel een waardecijfer 4. Koolzaad is zelfbestuivend, doch tonen vele studies aan dat bestuiving door bijen de koolzaadproductie merkelijk verhoogt. De van koolzaad geoogste honing kristalliseert snel. Door regelmatig te roeren krijgt de honing een crèmeachtige structuur. De kleur is geel tot wit en zowel de smaak als het aroma is weinig uitgesproken. Tot slot vermelden vele bronnen dat koolzaadhoning goed is voor de luchtwegen, vochtafdrijvend is en een sterk reinigend vermogen heeft.