Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 92
Jaar: 2006
Maand: December
Auteurs: Dr. Michel Asperges

Bloemen, hun bouw en bestuiving

Bouw van een bloembloemen_1

Bij zaadplanten ontstaan de nakomelingen uit zaden (geslachtelijke voortplanting) of uit delen van de moederplant (vegetatieve vermenigvuldiging). Ze vertonen steeds hetzelfde algemeen bouwplan, een ondergronds wortelgestel of een wortelgestel dat naar de bodem groeit, een bebladerde stengel die steeds van de aarde weg groeit en voortplantingsorganen nl. mannelijke meeldraden en een vrouwelijke stamper. De voortplantingsorganen zijn meestal beschermd door speciale bladeren die we kelk- en kroonbladen noemen.

Volgens Smets E., 1988, moet een volledige bloem beschouwd worden als een complexe groepering van op bladeren gelijkende structuren gehecht aan een as die we bloembodem noemen. De bloembodem is niets anders dan het verlengde van de bloemsteel. Steriele aanhangsels zijn de elementen van de bloembekleedsels (kelk en kroon voor de tweezaadlobbigen of bloemdek voor de éénzaadlobbigen). Fertiele aanhangsels zijn de mannelijke voortplantingsorganen, de meeldraden, en de vrouwelijke voortplantingsorganen, de stamper.

De meeldraden bestaan uit een helmdraad met helmhokken waarin na een meiosedeling stuifmeel of pollen wordt gevormd en de stamper bestaat uit het vruchtbeginsel, de stijl en de stempel. In het vruchtbeginsel zit(ten) de zaadknop(pen) met de eicel die eveneens ontstaat na meiose. Meiose heeft voor gevolg dat het aantal chromosomen (dragers van de erfelijke kenmerken) in aantal gehalveerd worden (2n wordt n) en dat moederlijke en vaderlijke kenmerken gemixt worden.
Eén zaak is zeker, bloemen hebben een beperkte groei, ze hebben geen okselknoppen en ze spelen een essentiële rol in de geslachtelijke voortplanting van bloem planten

Een- en tweeslachtig, een- en tweehuizig

Normale volledige bloemen bevatten zowel mannelijke als vrouwelijke voortplantingsorganen. We noemen deze bloemen tweeslachtig, bij voorbeeld de boterbloem of de klaproos.
Sommige planten hebben echter onvolledige bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke voortplantingsorganen. Iedere onvolledige bloem is dus éénslachtig, bijvoorbeeld de wilde wilgen, hazelaar, els en dagkoekoeksbloem. Indien de mannelijke en vrouwelijke bloemen WEL op dezelfde plant staan dan spreken we over éénhuizige planten. Normale volledige bloemen zijn dus steeds éénhuizig. Maar met éénslachtige bloemen is dit niet altijd zo duidelijk. Mannelijke en vrouwelijke bloemen staan op dezelfde boom of struik, maar op een verschillende hoogte.

De mannelijke bloemenvormen hangende katjes terwijl de vrouwelijke bloemen staande katjes vormen die niet zo gemakkelijk te vinden zijn, bijvoorbeeld els, hazelaar, berk, eik, tamme kastanje en beuk.
Als de mannelijke- en vrouwelijke bloemen NIET op dezelfde plant staan, dan spreken we van tweehuizige planten. Normale volledige bloemen kunnen dus nooit tweehuizig zijn, bijvoorbeeld de wilde wilgen en de dagkoekoeksbloem.

Bloemen en insecten

Een volledige bloem bevat een stamper bestaande uit een vruchtbeginsel dat zelf uit één of meerdere vruchtblad(en) met zaadknop(pen) en één of meerdere stijl(en) en stempel(s) is opgebouwd. Als een bloem bestoven is, dit wil zeggen als het juiste stuifmeel op de stempel(s) is gevallen, kan de bevruchting starten. Deze resulteert in de vorming van een echte vrucht (uitgegroeid vruchtbeginsel) en van za(a)d(en). Als de bloembodem uitgroeit tot een schijnvrucht dan zal de eigenlijke vrucht opgeslorpt worden door de uitgegroeide bloembodem, zoals bij appel, peer en aardbei.

Stuifmeel en stempel zijn niet op elk moment van de dag beschikbaar. De kennis van deze bloembiologische eigenschappen is van zeer groot belang voor de imker en zeker voor de fruitteler. Soms vertikken de honingbijen het om 's morgens vroeg op bepaalde gewassen te vliegen, ook al lijken de abiotische factoren zoals temperatuur, vocht en licht optimaal. Sommige planten vertonen een ritmische ontwikkeling van meeldraden en stampers.

Bij 'protandrische' bloemen zijn eerst de meeldraden rijp en pas later de stempels, zoals bij appel en kaasjeskruidachtigen.Zelfbestuiving is dan bijna uitgesloten al is het bekend dat de stempels soms zo snel groeien dat ze krullen en zo toch in staat zijn het eigen stuifmeel tussen de papillen en de kleverige haren op de stempel op te nemen. Bij 'proterogyne' bloemen is de stamper eerder rijp dan het stuifmeel. Deze eigenschap is algemeen van toepassing bij aardbei, ook hier is zelfbestuiving zo goed als uitgesloten.

We spreken van 'heterostylie als we te maken hebben met volledige bloemen waarvan de ene plant lange meeldraden en grote stuifmeelkorrels heeft en een korte stijl met kleine stempelpapillen terwijl de andere plant bloemen heeft met korte meeldraden met kleine stuifmeelkorrels maar met lange stijlen en grote stempelpapillen. Het best gekende voorbeeld is de sleutelbloem. Hier is zelfbestuiving zo goed als uitgesloten.

Als men een vruchtbeginsel op niet-natuurlijke wijze (via hormonale bespuiting) gaat stimuleren om vrucht te worden dan worden er geen zaden gevormd; men spreekt dan van 'parthenocarpische vruchten'. Spijtig genoeg zien we hoe langer hoe meer van dergelijke vruchten in onze winkels: appels, peren, komkommers, appelsienen zonder pitten en soms zelfs aardbeien en druiven zonder pitten!

Als de bevruchting onvolledig gebeurde, omdat niet alle stempels bestoven werden of omdat niet alle zaadbeginsels bevrucht werden, dan ontstaan er misvormde vruchten, bijvoorbeeld kromme komkommers en peren, slecht ontwikkelde aardbeien, enz.
Het is dus belangrijk dat honingbijen en hommels die in serres worden uitgezet voor de bestuiving hun werk goed doen!

Het lokken van insecten

De bloemen of voortplantings­organen van zaadplanten zijn zo gebouwd dat ze, als ze door dieren moeten bezocht worden, voorzien zijn van lokkende eigenschappen.bloemen_2

• Ze zijn meestal fel gekleurd (geel, rood, blauw, wit). De kleur is te wijten aan kleurstoffen die in de    celvacuolen zitten of ontstaat door kleurstofkorrels in de cellen. Denk eraan dat insecten niet
dezelfde kleuren zien als de mens!

• Ze verspreiden een sterke en opvallende geur.
Soms is het een zoete geur dankzij de nectarproductie, soms een rottende geur (aronskelk).
Wat is een nectarklier? Nectariën (enkelvoud nectarie) of nectarklieren zijn die delen van een plant die een zoete, suikerhoudende vloeistof met variabele samenstelling, de nectar, afscheiden. Niet alle nectarklieren komen uitsluitend in bloemen voor, ze kunnen ook op vegetatieve plantendelen voorkomen. In bloemen spreken we van 'florale nectariën', op vegetatieve plantendelen van 'extraflorale nectariën'. De nectariën worden beschouwd als volledig of gedeeltelijk omgebouwde bloemdelen. Ze worden als een vijfde bloemkrans; zelfs de honingdiscus is niet als dusdanig te beschouwen.

• De bloemen zijn zo gevormd dat ze een mooie landingsplaats vormen voor insecten. Ofwel zijn de bloemdelen vervormd tot landingsplaats zoals de lip van de lipbloemigen, of er zijn steriele lokbloemen rond de fertiele bloemen. Denken we aan hortensia en viburnum of aan de schermbloemigen. Ofwel vormen vele bloemen een bloeiwijze die de indruk geeft één bloem te zijn, denken we maar aan alle samengesteldbloemigen zoals de zonnebloem, margriet, madeliefje en blauwe korenbloem.

Belang bijenbestuiving

bloemen_3Het nut van insecten en vooral van de honingbij wordt meestal bekeken vanuit de honing­opbrengst, die zowel door de imker als door de bevolking als direct nuttig wordt ervaren. Veel mensen schrikken van de prijs die voor inlandse honing dient betaald! Uiteraard ligt deze hoger dan de prijs van de honing in grootwarenhuizen; dit is meestal uitheemse honing die in grote massa wordt geoogst door arbeiders met een zeer laag uurloon zodat de aankoopprijs van de honing zeer laag is.

Het eigenlijke nut van de honingbij ligt echter bij de bestuiving die van groot belang is zowel voor de kwaliteit als voor de kwantiteit van zaden en fruit in de land- en tuinbouwsector. Van deze directe invloed zijn vele imkers zich nog steeds niet of onvoldoende bewust, laat staan dat de bevolking zich hierover druk zou maken. Er zijn nog steeds imkers die hun bijen naar het fruit brengen en de fruitkweker bedanken dat ze mogen komen.

Dikwijls 'betalen' ze zelfs nog met van een vergoeding te vragen voor de bestuiving. Nochtans is het belangrijk dat de imker zich meer gaat toeleggen op het kweken van honingbijen bestemd voor bestuiving. Vooral de glas- en tunnelteelt heeft er alle belang bij goede afspraken te maken met de imkerij. Nu al is er concurrentie met ingevoerde, uitheemse hommels die ingezet worden bij de bestuiving. Het is ook een realiteit dat hoe langer hoe meer genetisch gemanipuleerde planten in de land- en tuinbouw verschijnen die vruchten en zaden te produceren.

Dr. Michel Asperges
Bioloog (richting plantkunde). Gewezen docent lerarenopleiding KHLim te Diepenbeek en op dit ogenblik vrijwillig wetenschappelijk medewerker biologie, departement SBG en CMK Universiteit Hasselt, Campus Diepenbeek. Lesgever voor de imkerij.