Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 91
Jaar: 2005
Maand: maart
Auteurs: Christ Smeekens, PPO-bijen Hilvarenbeek (1) (2)(3)

Bijen en bestuiving in de natuur

Veel is al geweten over het belang van de bestuivende insecten voor de cultuurgewassen, zowel voor de overdekte teelten als voor die in het open veld. Maar over de bestuiving van planten in de vrije natuur en naar de rol die de bestuivende insecten daarbij spelen, is tot nu toe weinig onderzoek gedaan. Nochtans, voor het behoud van een zo groot mogelijke biodiversiteit is die kennis al even onmisbaar.

Bestuiving is belangrijk

De vorming van voldoende kiemkrachtig zaad is een belangrijke voorwaarde om de achteruitgang van wilde plantensoorten te voorkomen. Voor de vorming van zaad is een proces van bloei, bestuiving en bevruchting nodig. Kruisbestuiving zorgt daarbij voor de grootste variatie. Daardoor kunnen de planten zich beter aanpassen aan de steeds veranderende milieuomstandigheden. Voor die kruisbestuiving zijn de planten afhankelijk van de wind en van de insecten. Behalve dat zaden noodzakelijk zijn voor de instandhouding en de vermenigvuldiging van planten, vormen zaden en vruchten ook een belangrijke voedselbron voor allerhande diersoorten. Zodoende draagt een goede bestuiving ook bij tot de instandhouding van een gevarieerd ecosysteem.

Vele factoren

Bij de bestuiving zijn veel factoren van belang. In de eerste plaats is dat de kwaliteit van de bloemen. Alleen gezonde bloemen produceren kiem krachtig stuifmeel en gezonde eicellen in het vruchtbeginsel.

Planten die ingericht zijn voor windbestuiving, moeten een overmaat aan stuifmeel produceren om de kans op bestuiving te vergroten; immers de, wind waait waarheen hij wil en veel stuifmeel waait verloren.

Bloemen die ingericht zijn voor insecten bestuiving moeten naast voldoende kiem krachtig stuifmeel ook voldoende nectar produceren om de bestuivende insecten te lokken. De productie van nectar is in sterke mate afhankelijk van de aanwezigheid van voldoende vocht in de bodem. Als er tijdens de bloei onvoldoende vocht in de bodem aanwezig is, produceren de bloemen minder nectar, waardoor de bestuiven de insecten de bloemen minder bezoeken.

Planten die tijdens de bloei in de schaduw staan, produceren meestal minder zaden en vruchten. Een bekend voorbeeld is de braam die op zonnige standplaatsen meestal veel vruchten produceert, en op beschaduwde plaatsen nauwelijks vruchten oplevert.

Door gebrek aan licht kunnen planten in de schaduw minder assimileren. Behalve dat er een directe impact is op de productie van zaden en vruchten, zijn er ook minder suikers beschikbaar voor de productie van nectar. Dit heeft een negatief effect op het bloemenbezoek door bestuivende insecten.

f1

Minder bestuivers

Bijen zijn bij uitstek geschikte bestuivers omdat ze in tegenstelling tot andere bloem bezoekers, voor hun voedsel volledig afhankelijk zijn van nectar en stuifmeel. In deze groep zien we dan ook diverse aanpassingen van de lichaambouw die gericht zijn op het verzamelen en overbrengen van stuifmeel van plant tot plant.

Een dicht haarkleed en geveerde haren zijn daar een voorbeeld van. Het is duidelijk dat het slecht gaat met de inheemse, wilde bijen. Het gaat zelfs nog veel slechter dan met de meeste andere diergroepen.

Van de ruim driehonderd soorten bijen van bij ons, zijn tientallen soorten uitgestorven en andere zijn met uitsterven bedreigd.

Wilde bijen stellen hoge eisen aan hun leefomgeving. Voldoende bloeiende planten, goede nestgelegenheid en de beschikbaarheid van specifiek nestmateriaal zijn de belangrijkste levensvoorwaarden voor deze bijen.

Ook het aantal volken honingbijen neemt de laatste decennia voortdurend af. Waren er in 1985 nog ongeveer 110.000 bijenvolken in Nederland, dan is dit aantal nu gedaald tot 80.000. Dat betekent dat in Nederland het gemiddelde aantal bijenvolken per 100 ha, in deze periode verminderde van 3,5 naar 2,5. In Europa bedraagt het gemiddelde aantal bijenvolken 3,5 per 100 ha; het varieert van 0,2 in Ierland tot 9,9 in Griekenland. De verwachting is dat het aantal bijenvolken in de komende jaren nog verder zal dalen omdat er vooral bij jongeren weinig belangstelling bestaat voor het houden van bijen. Door de teloorgang van zowel het aantal wilde bijen als honingbijen, zijn er steeds minder bestuivende insecten beschikbaar.

Specialisatie

Van alle bestuivende insecten komt de honingbij het meeste voor. Doordat honingbijen met elkaar kunnen communiceren, organiseren ze het verzamelen van nectar en stuifmeel zodanig dat ze iedere dag alleen maar de meest rendabele voedselbronnen bezoeken. Honingbijen kunnen kiezen tussen de aanwezige voedselbronnen. Dit betekent dat honingbijen vooral bloeiende planten bezoeken die in een redelijke dichtheid bij elkaar staan. Honingbijen zijn ook bloemvast. Een individuele bij foerageert tijdens haar vlucht slechts op één plantensoort. Op haar vliegroute slaat ze andere planten over.

Hommels zijn niet bloemvast en bezoeken tijdens een uitvlucht meestal meerdere bloemsoorten. Bij de solitaire bijen worden 'generalisten' onderscheiden die op meerdere plantensoorten voedsel verzamelen en 'specialisten' die slechts één of enkele verwante plantensoorten bezoeken.

Nog vele open vragen

Omdat bestuiving afhankelijk is van meerdere factoren, is het niet eenvoudig om de bijdrage van de diverse bloemenbezoekende insecten aan de bestuiving correct 1n te schatten. Een belangrijke vraag is dan ook of de bestuivende insecten verdwijnen door de afwezigheid van bepaalde bloeiende plantensoorten, of omgekeerd. Een andere vraag is: welke invloed heeft het beheer van natuurgebieden op de ontwikkelingskansen van de wilde bijenpopulaties en daaraan gekoppeld de plantensoorten. Dit beperkt zich niet tot de natuurgebieden. In de fruitteelt wordt nu al onderzocht op welke wijze een boomgaard aangepast kan worden om het aantal van nature aanwezige bloemenbezoekende insecten te vergroten.

(1) Bewerking door Ä. Schotanus met instemming van de auteur van dezelfde titel in Vakblad Natuurbeheer - 3/2000.

(2) Christ Smeekens is als vast staflid verbonden aan het PPO-instituut (= Praktijkonderzoek Plant en Omgeving) sector Bijen; UR Wageningen.

(3) Tip voor een imkeruitstap naar het buitenland en toch vlakbij: Kalmthout - (Natuureducatief- Centrum, met bijenteeltmuseum - arboretum - heidewandeling) Baarle-Hertog en Nassau (wassen beelden museum Belgische-Nederlandse enclaves) - Hilvarenbeek (Beekse Bergen).