Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 96
Jaar: 2010
Maand: juli-augustus
Auteurs: Norbert Nijs

Inwintering

Bijenvolken worden in de nazomer klaargemaakt voor de winter. De honingkamers worden verwijderd, de wintervoeding wordt toegediend en er wordt, indien nodig, een behandeling gegeven ter bestrijding van de varroamijt.

Wintervoeding

Het wintervoer dient de bijen van voedsel te voorzien tot in de maand april van het volgende jaar. De ervaring heeft uitgewezen dat een sterk bevolkte kast ongeveer 15 tot 18 kg voorraad nodig heeft om risicoloos door de winter te komen. Omdat in de broedkamer in normale omstandigheden steeds wel wat voedsel aanwezig is, wordt als regel per volk 15 kg suiker bijgegeven. Omdat een tekort aan voedsel dramatische gevolgen kan hebben, mogen op dat vlak geen risico’s genomen worden.

Beter iets te veel geven dan iets te weinig. De kleine meerkost weegt niet op tegen de prijs van één of meerdere verhongerde volken. Het teveel is steeds herbruikbaar voor andere doeleinden: aanmaak starter, aanmaak aflegger, overbruggen drachtloze periode na lentehoning. Beperk echter het hergebruik van overjaarse voedselramen bij het inwinteren, dit in verband met het op termijn in de raat uitkristalliseren van de suiker die men achteraf voor een groot gedeelte in de vorm van witte kristallen terugvindt op de bodemwindel.

Het voedsel wordt in de valavond gegeven wanneer de vliegbijen binnen zijn. Anders riskeert men roverij. Voorzichtigheid is vooral geboden bij het voederen van kleine volken die daarvan gemakkelijk het slachtoffer worden met het gevolg dat ze tijdens de winter verhongeren. Daarom bij die gelegenheid steeds het vlieggat verkleinen. Maar men kan ook voor hen extra voedselramen laten vullen en verzegelen door een sterk volk.

Volken die niet in de honingproductie ingezet worden, dienen eveneens bijgevoederd te worden. Ook wanneer alle in de loop van het jaar vergaarde nectar in de kast blijft, mag men er niet zomaar vanuit gaan dat dit zal volstaan om te overwinteren.f1

Hoe voederen?

Als wintervoeding wordt meestal een suikersiroop toegediend in de verhouding 3 kg kristalsuiker op 2 liter water, koud opgelost. Omdat de bijen het voeder niet alleen moeten ophalen maar ook inverteren, indampen en definitief opslaan, dient men hen daarvoor de nodige tijd te geven.

Te snel en te overvloedig gegeven, kan het de eileg enige tijd blokkeren omdat de bijen dan alle beschikbare cellen inpalmen om, al was het maar tijdelijk, de siroop te kunnen opslaan.

Bij een te bruuske aanvoer loopt men ook het risico dat het door de bijen onvoldoende ingedikt wordt. Het voedsel wordt best verstrekt in het stadium dat de volken nog over een redelijk uitgebreid broednest beschikken. Op die wijze zal het aan de zijkanten van de kast opgeslagen worden en blijft het centrale gedeelte beschikbaar voor de wintertros die vanuit thermisch oogpunt niet op volle voedselramen mag overwinteren.

Men doet er goed aan om aanvankelijk het wintervoer iets trager te geven en liefst in de vorm van verdunde suikersiroop (prikkelvoeding genoemd), bijvoorbeeld een 1:1 oplossing (1 deel suiker op 1 deel water) a rato van een halve kilo suiker per dag. Dit stimuleert de eileg en heeft vooral zijn nut bij volken die nog in omvang moeten ontwikkelen om veilig de winter in te gaan. Zij krijgen het voeder best met mondjesmaat en verdund. Het indikken duurt dan wel wat langer, maar daartegenover staat dat het toegediende voeder langer in de sapstroom circuleert wat de bijen de gelegenheid geeft er meer kliersappen aan toe te voegen.

Kleinschalige imkers kunnen voor het oplossen van suiker handig gebruik maken van lege bronwaterflessen van 1.5 liter. Men giet 1 kg kristalsuiker in de fles en voegt water toe tot ze bijna vol is. De suiker lost gemakkelijk op door de fles in de loop van de dag een paar keer te schudden. Op die wijze kan men de aan de bijen verstrekte volumes ook nauwkeurig bijhouden.

Op tijd voederen

Vanaf oktober wordt het indampen van het voeder en het verzegelen van de cellen problematisch. Het voederen dient daarom uiterlijk eind september voltooid te zijn. Men mag niet vergeten dat suikersiroop aangemaakt in bijvoorbeeld de verhouding 700 ml water per kg suiker, door de bijen moet ingedikt worden tot ongeveer de verhouding 250 ml water per kg suiker, zodat per kg suiker maar eventjes 450 ml water dient verdampt te worden.

Controle

Nadat het wintervoer opgeslagen is, doet men er goed aan de kasten te wegen of de volken te controleren om zeker te zijn dat ze over voldoende voedselreserve beschikken (1 kg voedsel neemt ongeveer 6 dm2 enkelzijdige raat in). Dit nazicht is wenselijk omdat er tijdens het voederen roverij kan plaatsvinden.

Tegelijk komt men ook te weten of het volk moergoed is, zodat men met een gerust gemoed de winter kan tegemoet zien.f2

Opbergen van honingramen

Wie de leeggeslingerde honingramen na de zomeroogst droog wil opbergen, geeft ze in de valavond terug aan de bijen om ze uit te likken. Elk volk krijgt bij voorkeur zijn eigen ramen terug. Ze worden in een afgesloten honingbak bovenop het dekglas geplaatst zodat ze enkel bereikbaar zijn via de voederopening. Om te vermijden dat de bijen het dekglas zouden besmeuren en/of de ramen tegen het dekglas zouden vastkitten, kan men op het dekglas een vel karton leggen en tussen dekglas en honingkamer een smalle houten kader. De honingramen boven een moerrooster laten uitlikken, is geen goede werkwijze wegens het risico dat de bijen ze terug beginnen te vullen.

Na drie à vier dagen zijn de ramen droog genoeg en kunnen ze opgeborgen worden. In normale omstandigheden is in de broedkamer voldoende voedsel aanwezig om deze korte periode te overbruggen. De uit te likken ramen brengen trouwens eveneens wat voedsel aan terwijl de natuur rond dat tijdstip meestal ook nog wat te bieden heeft.

Bij het opbergen van de uitgelikte honingramen dienen voorzorgen genomen te worden tegen de wasmot. De eitjes van de wasmot kunnen op een eenvoudige maar wel doeltreffende wijze vernietigd worden door de ramen een week in de diepvriezer te leggen. Ze worden in een afsluitbare plastic zak gestopt om het uitdrogen en barsten van de raat zoveel mogelijk te voorkomen tijdens het invriezen.

Men mag ook niet vergeten de honingbakken waarin de ramen tijdens de wintermaanden opgeborgen worden, te reinigen en te ontsmetten.

Door bij het opbergen van de ramen steeds een vel karton tussen de op elkaar gestapelde bakken te leggen, blijft de schade tot één bak beperkt indien er toch een eitje zou overleven. Men doet er trouwens goed aan om deze ramen rond de jaarwisseling eens te controleren op aantasting. Indien tijdig opgemerkt, kan men de schade nog beperken door de maden te verwijderen.

Hoe ontstaan winterbijen?

In de aanloop tot de winter neemt de ontwikkeling van de bijenvolken vanaf ongeveer half juli langzamerhand af, worden de laatste kieren van de bijenkast met kithars gedicht en beginnen de werksters zich te ontdoen van de darren. Rond dat tijdstip vindt er ook een omschakeling plaats van kortlevende naar langlevende bijen.

Zomerbijen leven gemiddeld slechts ongeveer zes weken, terwijl winterbijen wel negen maanden in leven kunnen blijven. Deze langere levensduur steunt enerzijds op een extra vet- en eiwitreserve, anderzijds op een trager slijtageproces aangezien de winterbijen tijdens de wintermaanden op een rustiger tempo functioneren: er zijn geen drachtvluchten meer en er is nog nauwelijks broed te verzorgen.

De combinatie van deze factoren stelt hen in staat om nog in het volgende voorjaar de larfjes te voeden en te verzorgen in afwachting dat de daaruit ontstane bijen bekwaam zijn om de fakkel over te nemen. Het feit dat alle winterbijen een extra vet- en eiwitreserve aanleggen en zomerbijen dit niet doen, wijst erop dat zomer- en winterbijen fysisch van elkaar verschillen, met andere woorden dat een winterbij geen langlevende zomerbij is. Op welke wijze en op welk tijdstip de omschakeling plaatsvindt, blijft echter onduidelijk. Worden de winterbijen in die hoedanigheid geboren (ligt de winteraanpassing dus al vast in het eitje)? Of gebeurt de transformatie in het larvale stadium door toedoen van de voedsterbijen (bijvoorbeeld via hormonen of andere componenten in het verstrekte voedersap)? Of zorgen de winterbijen zelf na hun geboorte voor een dikker vet- en eiwitlichaam via een hogere voedselopname? Het blijven open vragen.

Na de langste dag

Even onduidelijk is hoe de bijen weten dat de winter voor de deur staat. Het meest waarschijnlijk spelen ze in op veranderingen in de natuur die verband houden met de zonnewende van 21 juni (kortere daglengte en afnemende zonnekracht), hoewel ze zich in geen optimale positie bevinden om dat te detecteren. Maar mogelijk pikken ze signalen op in de natuur, afkomstig van bijvoorbeeld bomen of struiken die wel goed geplaatst zijn om de daglengte en zonnekracht te registreren. Die signalen zouden dan eventueel via de voedersapstroom kunnen doorgegeven worden aan de huisbijen en aan de moer, en omstreeks de eerste helft van juli de omschakeling van zomer- naar winterbij in gang zetten, waardoor dan ongeveer begin augustus de eerste winterbijen verschijnen. Het zou ons alleszins niet verwonderen dat de voedsterbijen hierbij betrokken zouden zijn, aangezien ze bij machte zijn om via hun voedersap uit een werkstereitje een koningin te produceren.

Rol van voedsterbijen

De vele onbeantwoorde vragen doen echter geen afbreuk aan de belangrijke rol van de voedsterbijen het jaar rond. Via hun voeding en verzorging bepalen ze in grote mate de vitaliteit van de bijenvolken, een wetenschap waarop trouwens de broedbeperking gesteund is. Ook zijn het belangrijke pionnen in de ontwikkeling van de winterbijen.

Elke werkster is van ongeveer haar 6de tot haar 14de levensdag voedsterbij, wat respectievelijk de 27ste en 35ste dag is, als men rekent vanaf de dag dat ze als eitje op de wereld kwam. Dit brengt mee dat de zomerbijen nog gedurende ruim 30 dagen zullen instaan voor de voeding en verzorging van de winterlarfjes, wat in hoge mate bijdraagt tot de overleving van het bijenvolk tijdens de winter.

Het is trouwens tijdens deze 30 dagen dat de kern van het winterbijenbestand gelegd wordt. De winterbijen die nadien de voedingstaak overnemen, hypothekeren namelijk daardoor hun eigen levensduur. Of anders verwoord, de winterbijen die na deze periode ontstaan, knabbelen aan de levensduur van hun voorgangers. Dit betekent ook dat in deze periode elke dag zonder eileg een verloren dag is.

Voor een optimale kweek van winterbijen is het bijgevolg erg belangrijk dat de eileg vanaf ongeveer half juni tot minstens eind augustus niet onderbroken wordt.

Wie om onverklaarbare redenen volken verliest tijdens de winter dient daarom niet alleen de varroamijt en de milieuvervuiling met de vinger te wijzen, maar ook eens na te gaan of er geen fouten gemaakt zijn tijdens de inwintering. Een sterke bevolking in de nazomer is nog geen garantie dat het betrokken volk de winter overleeft. Bepalend is dat dit volk de kans gekregen heeft om in goede omstandigheden zijn winterbijen te produceren. Zomerbijen halen nooit het volgende voorjaar.

Het moge alleszins duidelijk zijn dat een goede inwintering meer is dan het verstrekken van wintervoer ter vervanging van de uitgenomen honing. Het is onbetwistbaar de belangrijkste fase in de loop van het bijenjaar en bepalend voor het succesvol benutten van de voorjaarsdrachten in het volgende jaar, waarop trouwens het gezegde gebaseerd is dat een bijenjaar met het inwinteren begint.

Aandachtspunten

Bij wijze van samenvatting zetten wij hierna de aandachtspunten voor een goede overwintering nog eens op een rij:

• zorgen voor harmonieus samengestelde bijenvolken tegen half juni;

• zorgen voor continuïteit in de eileg van half juni tot minstens eind augustus en absoluut iedere onderbreking van de eileg vermijden van half juli tot half augustus;

• de moerwissel buiten deze periode doorvoeren wanneer deze gepaard gaat met een onderbreking van de eileg;

• de zomerhoning oogsten zodra de aanvoer van nectar stilvalt in juli en aansluitend onmiddellijk het wintervoer geven om het nog zoveel mogelijk door de zomerbijen te laten inverteren en indikken;

• het wintervoer aanvankelijk in beperkte doses en in de vorm van verdunde suikersiroop geven (prikkelvoeding genoemd) ter stimulering van de eileg;

• de eventueel toegepaste broedbeperking ten laatste half juni beëindigen zodat de bijen niet belemmerd worden in hun voorbereiding op de winter;

• zorgen voor een afdoende bestrijding van de varroamijt, maar tussen half juni en eind augustus geen langdurige varroabestrijding doen met irriterende producten wegens het reële risico dat de eileg daardoor onderbroken wordt. Daarmede eventueel wachten tot begin september;

• de moeren nooit in een te koude honingzolder kweken;

• zorgen voor voldoende stuifmeelaanbod in de omgeving;

• zorgen voor een goede verluchting van de kasten tijdens de winter;

• zorgen dat de bijen niet gestoord worden tijdens de wintermaanden. De foutieve inwintering zou wel eens één van de oorzaken kunnen zijn van de wintersterfte. Een volk dat onvoldoende winterbijen kon kweken, zal veel te snel zijn bijen verliezen en daardoor het einde van de winter niet halen.