Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 96
Jaar: 2010
Maand: juli-augustus
Auteurs: Janine Kievits

Over bijenkasten en meer

 

Besmettingsrisico

f1Bijenkasten kunnen we kopen of zelf maken, maar in beide gevallen moeten we aandacht hebben voor de aard van het gebruikte materiaal en de producten waarmee we de kasten in goede staat willen houden. Dat om te vermijden dat de honing besmet zou worden door schadelijke onderhoudsproducten. We mogen immers niet vergeten dat de bijen hun voorraden en zelfs het broednest frequent verplaatsen, vooral tijdens de lente als er veel plaats nodig is voor de instromende nectar. Als de broedkamer besmet is en de verontreinigende stof de wintervoorraad binnendrong, bestaat het risico dat ook de voorraden in het hoogsel gecontamineerd geraken, zij het wellicht in mindere mate. De behandelingen met antibiotica tegen vuilbroed toonden dit duidelijk aan, maar het fenomeen beperkt zich niet tot de geneesmiddelen want de bijen kunnen elke chemische stof van het broednest naar het hoogsel transporteren. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de vluchtige stoffen die, als ze bijvoorbeeld in de kastwanden aanwezig zijn, zich doorheen de hele kast kunnen verspreiden en er de was, de honing of het stuifmeel besmetten.

Het is dus beslist noodzakelijk om attent te zijn voor de materialen die we voor de diverse kastonderdelen gebruiken en de behandelingen die we hen doen ondergaan. De gids voor goede bijenteeltpraktijken is hierbij een prima leidraad.

Hout of plastiek?

In de archieven van alle imkerfora vinden we hierover interessante discussies. Dat om te zeggen dat het onderwerp de imkers bezig houdt. Hout isoleert goed, is natuurlijk en esthetisch, maar weegt ongeveer het dubbel van plastiek en vereist een regelmatige behandeling. Plastiek vergt minder onderhoud, maar is glad, moeilijk bewerkbaar en al bij al brozer. Bovendien verouderen de sterk blootgestelde delen, zoals het dak, snel. Sommige plastieksoorten scheuren ook gemakkelijk, vooral daar waar we ze met een raamheffer bewerken.

Als we voor hout kiezen, verdient naaldhout onze voorkeur: het is licht, goedkoop en splijt niet. Hout van lariks weerstaat goed aan het vocht, maar is moeilijker te verkrijgen. Hout van douglasspar is zwaarder, maar splijt gemakkelijk. Als u toch voor plastiek kiest, weet dan dat er voor alle kastdelen plastiek van voedingskwaliteit vereist is (zie De Gids). Vindt u dat niet realistisch? Wel, de fabrikanten hebben nochtans aandacht voor dat aspect en waarborgen meestal de voedingskwaliteit van alle kastdelen. Het is zelfs mogelijk hiervoor een certificaat te verkrijgen.

Kunnen we plaatmateriaal zoals multiplex, spaanplaat of hardboard gebruiken? Het antwoord is ja, als we rekening houden met twee voorwaarden:

• De plaat mag geen contaminatieprobleem stellen, in het bijzonder door de aanwezigheid van formaldehyde. Deze vluchtige stof veroorzaakt irritatie en hoofdpijn, bij gevoelige personen zelfs al bij lage hoeveelheden. We houden daar dus ook rekening mee voor onze bijen.

• De plaat moet bestand zijn tegen het vocht, zowel buiten als binnen in de kast omdat de ademhaling van de bijen condensatie veroorzaakt. Gelukkig vinden we in de handel nu platen waarvan de formaldehyde-uitwaseming niet groter is dan bij natuurlijk hout en die tevens vochtbestendig zijn (zie o.a.: http://www. woodforum.be/nl/toepassingen/ plaatmateriaal#hardboard.

Plaatmateriaal is doorgaans zwaar, maar omdat een wanddikte van 12 mm hier volstaat, daar waar hout minstens 15 mm dik moet zijn, wordt dit nadeel min of meer gecompenseerd. Wat ik niet mag verdoezelen is dat plaat minder goed isoleert dan hout.

En natuurlijk is er ook nog het polystyreen dat de laatste jaren opgang maakt. Voorbeelden daarvan zijn de miniplus bevruchtingskastjes, de segebergerkasten en de Bee Pluskast op dadant-blattformaat. Polystyreen is licht, goedkoop en isoleert goed. Bijen willen er echter wel eens aan ‘knagen’ en de UVstralen kunnen de stof beschadigen.

Verven langs buiten en binnen kan dit laatste euvel evenwel vermijden. Kasten in polystyreen moeten we ook beschermen tegen de spechten die er gemakkelijk gaten in maken, op zoek naar voedsel. Zeker in de minipluskastjes die gemaakt zijn uit polystyreen met een lagere densiteit.

Hoe behandelen?

Laat ons meteen vaststellen welke middelen De Gids ons voorhoudt niet te gebruiken:

• Carbonyl: een goedkoop, waterafstotend product dat chemische substanties bevat waarmee mensen en bijen beter niet in aanraking komen, zoals benzopyreen en fenolen. Bovendien heeft carbonyl een onaangename, doordringende geur en bij aanraking kan het product huidaandoeningen veroorzaken.

• Producten die fungiciden en insecticiden bevatten, zoals permethrin dat aanwezig is in o.a. Xylamon. Ook verboden zijn verven waar lood in zit.

Elke verpakking draagt, helaas in kleine letters, een verplichte vermelding als het erin verpakte product een gevaarlijke substantie bevat. Een voorbeeld hiervan is ‘methylethylcetoxime’, een voor het zenuwstelsel irriterende en toxische stof die vaak in houtbeits zit.

We moeten ook aandacht hebben voor de hoeveelheid volatiele organische componenten, de zogenaamde VOC’s, die een product uitwasemt en die normaliter op de verpakking aangeduid is. VOC’s zijn substanties die zich vlot verspreiden in de lucht van een woning of een bijenkast. Sommige zijn erg giftig en van aard om de bijen te storen. We kiezen dus het best voor producten die er minder dan 30g/l bevatten.

In sommige beitsen zitten er meer dan 500g/l VOC’s. Daarom kiezen we nooit verf of beits op basis van organische solvents (thinner met cellulose, white spirit, …).

Voor de buitenkant van de bijenkast geven we de voorkeur aan verven en beitsen waarvan het solvent water is. Die zijn overigens beschikbaar in de meeste imkerwinkels. De binnenwanden van houten kasten verven we niet: de bijen bedekken die meestal zelf met was en propolis.

Kasten in polystyreen behandelen we anders: op de binnenwanden brengen we een laag acrylaatverf aan terwijl de buitenwanden twee lagen krijgen.

Als het te verven materiaal bestemd is om er honing, stuifmeel of koninginnenbrij mee te oogsten, kiezen we voor de speciale ‘voedingsverf’ die ondermeer in het acrylevisgamma beschikbaar is.

Propolistinctuur is gemakkelijk te maken en over de grondstof beschikken we desgewenst in overvloed. Ik breng de tinctuur minstens één keer per jaar aan op materiaal uit hout dat niet buiten overwintert, zoals hoogsels en bevruchtingskastjes. Die krijgen er een warm en mooi uitzicht van. Ik doe dat wel in een goed verlucht lokaal waarin niemand rookt. Methylalcohol, waarmee ik de tinctuur aanmaak, is namelijk giftig en ontvlambaar. Eenmaal droog is deze ‘vernis’ volkomen veilig voor de bijen en een efficiënt middel ter bescherming van het hout tegen UV-stralen, schimmels en houtwormen. Althans voor zover ik er na meer dan tien jaar gebruik kan over oordelen.

Kasten behandelen met microkristallijne was, een soort paraffine eigenlijk, is zeer in tegenwoordig. De kastdelen gaan in een ‘bad’ van was, verhit tot 150° C, een beetje zoals we dat met frieten doen. De was verdrijft het vocht uit het hout en neemt er de plaats van in. We kunnen de behandeling toepassen op zowel nieuwe als oude kasten die daarna een tiental jaar verder kunnen. Eventueel aanwezige sporen van vuilbroed gaan hierbij dood, op voorwaarde dat de kastdelen tien minuten in het bad verblijven. Oppassen voor ongelukken is zeker noodzakelijk! De was wordt immers verwarmd in een grote kuip, boven een ringvormige gasbrander. Als de temperatuur van het bad daarbij boven de 160°C uit stijgt, produceert was giftige dampen die ontbranden bij contact met de vlam. Daarom is het best om in de buitenlucht te werken. Tot slot nog dit: als het hout van de kast te vochtig is, vormt er zich schuim dat het bad doet overlopen, alweer zoals bij het bakken van frieten dus. Het is daarom verstandig om enkel droge kasten te behandelen en een brandblusser bij de hand te hebben. Ook het dragen van kleding die beschermt tegen het opspatten van de vloeistof is geen overbodig luxe. Op de volgende website vindt u een programma dat u leert hoeveel microkristallijne was u nodig hebt om een bepaalde hoeveelheid kasten te behandelen: http://www.beekeeping.com/ goodies/conversions_bee.htm. U kunt er nog een aantal andere berekeningen laten uitvoeren en er bestaat een Franstalige versie van het programma.

Ontsmetten

f3Ik raad u aan om kasten te ontsmetten telkens als u ze gaat gebruiken voor een ander volk. U kunt dat doen met een vlam. Het is aan het uiteinde van het blauwe deel van de vlam dat de temperatuur het hoogst is. Het is dus dat deel van de vlam dat u in contact moet brengen met de te ontsmetten kastdelen die u overigens eerst grondig moet schrapen met bijvoorbeeld een verversmes om alle beetjes was en propolis te verwijderen. Bewerk pas daarna de wanden een eerste keer met de vlam. Herhaal die twee stappen tot wanneer het hout de kleur krijgt van ‘verbrand brood’.

Een andere mogelijkheid bestaat eruit om een scheikundig ontsmettingsmiddel te gebruiken, zoals bleekwater, een product dat we allemaal kennen en heel efficiënt is als we het correct gebruiken (zie kader).

CARI en de Waalse Gemeenschap droegen financieel bij tot het realiseren van deze bijdrage. Vertaling G. De Roeck.

 

 

Bleekwater, een alledaags product én toch!

Om een goed ontsmettingsmiddel te verkrijgen, moeten we het bleekwater verdunnen. Het middel werkt optimaal aan 1,2° chl voor tamelijk propere oppervlakten en aan 3° chl voor vuile oppervlakten (‘chl’ is de afkorting van ‘chlorometrische graden’). De verdunning hangt af van de oplossing waarmee we starten en het is daar dat het wat ingewikkeld wordt, inderdaad:

• De concentratie van de oplossingen variëren al naargelang het merk: van 8° chl tot 15° chl.

• Producenten duiden de concentraties zowel in chlorometrische graden aan als in percenten actief chloor.

f2

De oplossing moet ook voldoende lang met het voorwerp in contact blijven. De hiernavolgende tabel stelt u in staat om de conversie te berekenen en de exacte hoeveelheden bleekwater te kennen die u in een emmer moet stoppen om, aangevuld met water, tien liter oplossing te verkrijgen die het optimaal aantal chlorometrische graden bezit in functie van de staat van het te reinigen oppervlak.

f4

De verdunde oplossing bewaart niet. We moeten ze dus net vóór haar gebruik klaar maken. Met bleekwater mogen we detergenten gebruiken, maar geen zuren. Het product is irriterend en corrosief! We werken dus het best buiten of anders in een goed verlucht lokaal.