Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 97
Jaar: 2011
Maand: Juli - Augustus
Auteurs: Anton Van Derbeken

Kasten isoleren voor gezondere bijen en drogere honing

Sedert enkele jaren pak ik mijn bijenkasten in met isolatie tijdens de wintermaanden, en nu ook tijdens de zomer. Ter verduidelijking: ik imker met enkelwandige houten dadant-blattkasten. In het verleden trof ik tijdens de voorjaarscontrole regelmatig kasten aan waar het condensatievocht op de wanden stond. Heel vaak waren er beschimmelde raten en kastwanden. Het vocht deed de kasten bovendien rotten en scheeftrekken.

Een vochtige kast is zoals een vochtig huis dat geen aangenaam binnenklimaat heeft. Het is niet zo dat de bijen niet tegen de kou kunnen. Maar ik ga ervan uit dat een droger binnenklimaat minder kansen geeft aan schimmels, bacteriën en virussen. Mensen die in vochtige huizen wonen zijn vatbaarder voor allerlei aandoeningen, bij bijen is het net zo.

Hoe werkt het systeem?

25_1Wanneer warme, vochtige lucht afkoelt, ontstaat condensatie. Dat komt doordat warme lucht meer water kan bevatten dan koude lucht. Dit is goed waar te nemen in een bijenkast als de waterdamp condenseert tegen de koude wanden.

De condensatie vindt plaats op de binnenkant van het dampscherm. In een niet geïsoleerde kast is dat dampscherm de binnenwand van de kast.

Door isolatie aan te brengen verplaats je dat dampscherm buiten de kast. Een volk dat in het voorjaar broed begint te verzorgen brengt de broednesttemperatuur op 35°C.

Door de broedverzorging is er eveneens meer volume waterverdamping in de kast. Niettemin daalt de relatieve luchtvochtigheid in een goed geïsoleerde bijenkast omdat het teveel aan vocht door het ventileren naar buiten wordt gewerkt.25_2

Dit verschijnsel is soms goed waar te nemen als condenswater op de vliegplank. Gaat de ‘verwarming’ weer uit, dan stijgt de luchtvochtigheid weer. Om de luchtvochtigheid te regelen gaan bijen ventileren met hun vleugels. De koude buitenlucht stroomt de kast binnen, neemt het vocht van de warme binnenlucht op en stroomt weer buiten. De bijen regelen een stabiele ventilatie, zodat er niet te veel en niet te weinig verse lucht in de kast komt.

Om de temperatuur en de luchtvochtigheid stabiel te houden, laat ik in de winter de schuif in de varroabodem. Er is dan nog voldoende ventilatie. In het voorjaar is er een toename van het vochtgehalte door de toename van activiteit in de kast. Dan moet die varroaschuif eruit, zoniet gaat hij vrij vlug beschimmelen door wasdekseltjes, stuifmeel en andere afval die op de bodem vallen.

 Isolatie

 

25_3Ik zat eerst te knoeien met vaste polyurethaanplaten. Ze hebben het voordeel dat ze weerbestendig zijn.

Per kast heb je vier stukken nodig voor de zijwanden en eentje voor het deksel. Dit is echter niet gemakkelijk om aan te brengen: je komt handen tekort.

Daarom schakelde ik snel over naar isolatiedekens van glaswol. Ik wikkel ze rond de kast en het deksel, en knoop alles vast met een paar touwtjes.

Dit is allemaal vlug gefikst en het is bovendien goedkoop. Een nadeel is wel dat glaswoldekens water opnemen, daarom hoeven de kasten in een bijenhal te staan.

Weg met de vulblokken

Voor ik mijn kasten aan de buitenkant isoleerde, plaatste ik vulblokken als kantramen. Dat is nu verleden tijd. Nu hang ik in het voorjaar naast het broednest was- of opgebouwde wafels. De verse waswafels dienen natuurlijk in verhouding te staan tot de grootte van het volk en de kast. Met een degelijke isolatie hoef ik geen schrik te hebben dat mijn volken zullen onderkoelen.

Bovendien kunnen ze bouwen naargelang hun wens en hoef ik me geen zorgen te maken over plaatsgebrek. In een normale kast zit het broed centraal met daaromheen stuifmeel en aan de buitenzijde honing. Ik hang mijn verse waswafels aan de buitenkant van de honing en niet tegen het broed. Een broednest dat uitdijt, verbruikt zijn stuifmeel en honing en slaat geleidelijk zijn nieuwe reserves op aan de buitenkant.

Ongeduldige imkers die de broedramen tussen het broed en het stuifmeel hangen doen onrecht aan hun volken, omdat ze de ramen heel snel willen zien uitbouwen. Ik ben de mening toegedaan dat dit niet zo is, integendeel. Als je het stuifmeel verder van het broed brengt, gaan de bijen dit niet meer of moeilijker consumeren. Stuifmeel hoort aan de rand van het nest dicht bij de broedcellen en niet ergens op een verloren plaats.

De bijen hebben veel moeite moeten doen om het stuifmeel te verzamelen en te conditioneren voor consumptie. Ze weten ook veel beter dan de eigenwijze ongeduldige imker waar het precies thuis hoort. Aan de buitenzijde van het nest kunnen de bijen verse raat maken waar ze dat willen en dat is een goede manier van zwermbeperking bij sterke volken.

Zwakkere volken kan je een handje helpen met uitgebouwde ramen. In een natuurlijke situatie zal een bijenvolk steeds zijn nest uitbouwen onderaan of opzij. Ik probeer deze natuurlijke manier van nestuitbouw te respecteren. Bouwen ze niet meer, dan is het volk op zijn maximum omvang gekomen of hebben ze zwermplannen. Het valt me steeds op dat de nieuwe verse waswafels in het voorjaar soms zeer snel worden uitgebouwd.

Het volk zal altijd bij voorkeur in nieuwe waswafels broeden. Oudere ramen verplaats ik naar de honingzolder en alles wat niet netjes is, gaat naar de wassmelter. De regeneratie van de bijenraat is voor mij zeer belangrijk en juist daarom dient dat broednest steeds uit zoveel mogelijk nieuwe ramen te bestaan. Het is een zeer efficiënt instrument in mijn strijd tegen CCD. In de honingzolders hang ik zoveel mogelijk uitgebouwde ramen. Voor darrenraat heb ik geen haatgevoelens. Een bijenvolk kan best zelf beslissen hoeveel darrenraat het wil bouwen, maar daarover zal ik hier niet uitweiden.

Honing en isolatie

In 2010 bevatte mijn honing ongeveer 19% water. Ik vond dat die kwaliteit beter moest. Ik plaats nu al een paar jaar lang een productievolk op een weegschaal. Een ervaren imker vertelde me dat je de honingzolders steeds ’s morgens moet afnemen, omdat de bijen het grootste deel van de honing die ze tijdens de dag binnengehaald hebben op 24 uren tijd drogen en opslaan. (Het kan ook wel wat langer duren, afhankelijk van het initieel vochtgehalte van de nectar en van de vullingsgraad van de cellen.)

In een drachtperiode is de honing dus steeds ‘s morgens een stuk droger dan ’s avonds. Ik moet die stelling onderschrijven want er is steeds een gewichtsafname ‘s morgens (gemiddeld ongeveer 20%), maar het behaalde oogstgewicht zakt na de eerste nacht nog heel traag. Dit jaar isoleerde ik de week voor de honingafname ook mijn honingzolders met dezelfde isolatiedekens.

Mijn redenering is terug dezelfde: hoe warmer het is in de honingzolder, hoe sneller het water uit de honing zal verdampen. Als de bijen dan de kast ventileren, halen ze een groter rendement met dezelfde inspanning. Mijn lentehoning dit jaar had een vochtgehalte van minder dan 16%. Dat was natuurlijk een grote sprong vooruit. Ik beweer niet dat de isolatie dé reden is van deze daling. Het vochtgehalte van de buitenlucht en de weersomstandigheden bij het oogsten en de conditionering van de honing spelen ook een grote rol.