Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 99
Jaar: 2013
Maand: April
Auteurs: B. Binder-Köllhofer

Frisse lucht langs onder

Vanaf het begin van het ‘varroatijdperk’ werden kastbodems met een rooster gebruikelijk. De ontwikkeling van roosterbodems verliep langs eenvoudig uitgezaagde uitsparingen in de bodem van de kast, gevolgd door vernuftige, maar ingewikkelde schuiftechnieken en daarna terug naar eenvoudige maar functionele bodems. De belangrijkste reden voor het gebruik is het tellen van gevallen mijten. Maar er zijn nog andere voordelen en nauwelijks nadelen.

2013 18 1Op een zilveren dienblad

Als een schuif onder de bodemrooster wordt geplaatst kan alles worden geregistreerd wat van het volk door het rooster naar onder valt, zoals: mijten, broeddeksels, stuifmeel,suikerkristallen, maar ook delen van bijen en andere dingen. De schuif is in zekere zin een spiegel waarmee men in het binnenste van de kast kan kijken. Zo is het mogelijk in de vroege lente de winterzit, de volkssterkte, en de voedselvoorraad te beoordelen.

Door de schuif uit te trekken – de bodem is open – kan deze eenvoudig gereinigd worden van het afval dat door het rooster is gevallen. Hierdoor worden minder mieren aangetrokken en vinden wasmotten geen
schuilplaats meer. Dode bijen die uit de wintertros vallen schimmelen niet en kunnen gemakkelijker door de bijen naar buiten gebracht worden.

Goede verluchting

Het belangrijkste voordeel van het bodemrooster is de goede verluchting van het binnenste van de kast. Of de bodem vlak (1 – 2 cm) of hoog (tot 16 cm) is speelt geen rol. Door de bodem bijtijds te openen wordt het zwermen afgeremd en kunnen de bijen de honing gemakkelijker drogen. Ook is het reizen met de volken eenvoudiger en zijn minder voorbereidingen nodig. Zijn alle bijen binnen, vlieggat dicht maken, schuif uittrekken, riemen vastmaken en opladen.

De volken zitten gedurende het reizen rustig, boven de donkerschijnende verluchtingsopening. Om het gevaar van ‘bruisen’ te verminderen, verkiezen reizende imkers eerder hoge bodems, omdat de bijen gedurende het transport plaats hebben om kettingtrossen te vormen. Zelfs wanneer men na het reizen vergeet een volk te openen is er een goede kans dat het volk het een aantal dagen overleeft. Met de nodige voorbereidingen en omzichtigheid kunnen volken met een roosterbodem zonder gevaar gedurende twee tot meerdere dagen opgesloten worden. Hierdoor kan verhinderd worden dat de bijen kunnen uitvliegen na het sproeien van pesticiden.

Koud en gezond

Een verder voordeel van het luchtdoorlatende bodemrooster is dat in het voorjaar er normaal geen beschimmelde randramen zijn. De ‘koude’ overwintering heeft als 2013 18 2resultaat een vroege broedstop en een laat broedbegin. Winterbijen moeten minder vroeg broed verzorgen (januari, februari), zodat er minder sterfte is (Horn, ADIZ 11/1987). Voorwaarde is echter een vrije opstelling van de bijenkasten. De opstelling moet luchtig, laag boven de grond en tochtvrij zijn en voldoende isolatie boven de winterzit.

Een nadeel is het verhoogd gebruik van wintervoeder met 10 – 15% (Horn, 1987). Ook omdat deze volken sterker uitwinteren en in het voorjaar meer broed verzorgen. Er zijn echter meer voor- dan nadelen: een droge winterzit, minder broed in overgangsperioden en hierdoor een gezondere overwintering.

Open of dicht? Gebruik van schuif en bodemrooster

2013 18 3Bij houten bodems is het rooster zo mogelijk uit metaal zodat de bodem kan afgevlamd worden voor het desinfecteren. Bij het gebruik van mierenzuur voor de behandeling van varroa is het rooster bij voorkeur uit roestvrij staal. Wanneer de afstand tot de schuif 2 – 3 cm is, kan ook een gegalvaniseerd rooster gebruikt worden, zonder dat dit merkbaar wordtaangevreten door het mierenzuur. Ideaal moet het rooster de volledige bodem bedekken(foto 1) en zonder inzinkingen zijn, daar anders de bijenniet alle afval verwijderen en er vuilhopen ontstaanwaarin zich bv. wasmotten nestelen.

Gebruikt men voorhet transport van de kasten een steekwagen, dan moetmen één of twee dwarsbalken voorzien om de bodem teverstevigen (foto 2).Indien men achteraf in een kastbodem een rooster wil aanbrengen, zaagt men een kleinere opening, zodat men het rooster langs binnen kan bevestigen. Steun voor het gebruik van een schuif bekomt men door onderaan twee lijsten in L-vorm te schroeven. De bodemschuif moet lichtlopend zijn (voldoende grote sleuf of sponning), goed in de hand liggen, stabiel,water- en zuurvast zijn, dicht sluitend en een lichte of witte oppervlakte hebben (foto 3).

Kunststofplaten die voor reclameborden gebruikt worden zijn hiervoor geschikt. Een opgetekend raster maakt het tellen van gevallen mijten een stuk gemakkelijker. Een klein maar belangrijk detail moet goed bekeken worden: moet de opening onder de vliegplank al of niet worden afgesloten (foto 4 en 5). Als deze opening open blijft, vervliegen de bijen gemakkelijk daar zij de gleuf als het vlieggat kunnen aanzien. Langs de andere kant isgedurende het reizen de verluchting beter. In dat geval moet men echter bij het opstellen van de kast een aparte vliegplank voorzien (foto 6). Hierdoor wordt bij verhoogde opstelling van de kast het bijenverlies verminderd en wordt zowel de opening onder het bodemrooster alsdeze van de gebruikte pallet verborgen.

Of men maakt de schuifingang langs de zijkant (foto 7) en plaatst de kasten per twee, waardoor eveneens het werken aan de kasten wordt verlicht. Normaal blijft het bodemrooster gedurende het ganse jaar open! Alleen zo wordt verhinderd dat de mieren de bodemschuif aanzien als een vaste voederplaats en de telling van het aantal gevallen mijten vervalsen. Het rooster wordt wel gesloten gedurende eenvarroadiagnose. Ook gedurende een behandeling met mierenzuur moet het rooster gesloten worden.

Evenals ter bevordering van het broed vanaf de bloei van de waterwilg in maart tot ten laatste einde april/begin mei bij het geven van de honingzolder. Bij jonge volken zal de bodemverluchting tot in de nazomer gesloten blijven om het broeden dicht bij het rooster niet nadelig te beïnvloeden en bij kunstzwermen om te vermijden dat, bij gelijktijdig inkwartieren en voederen, roverij opkomt.

Foto’s: Hugo Bes