Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: Juli-Augustus
Auteurs: Jean Claude Guillaume

Ecologisch bijenhouden van A tot Z. Deel 5

In de vier voorafgaande bijdragen die vorig jaar (2013) verschenen in de nummers 6, 7, 8 en 9 van het Maandblad, hebben we het uitvoerig gehad over de ideeën en principes van de ecobijenkast. In deze vijfde aflevering brengen we je een gedetailleerde beschrijving en een werkschema hoe je zelf een ecobijenkast kunt maken. De ecobijenkast is immers tot nu toe niet in de handel te verkrijgen.

Is de ecobijenkast verschillend van de warrékast?

De originele warrékast bestaat uit een vloer, twee hoogsels en een dak. Als het bijenvolk behoefte heeft aan meer ruimte wordt er onderaan, dus bovenop de vloer, een hoogsel toegevoegd. We gaan dan van twee naar drie hoogsels en indien nodig, daarna van drie naar vier, enz. Dit is geheel in overeenstemming met wat de bijen altijd van nature uit gedaan hebben: het nest van boven naar beneden uitbouwen.

Deze manier van onderaan hoogsels toevoegen wordt bij de ecobijenkast gewoon overgenomen. Hetzelfde geldt voor de binnenafmetingen die ook geheel gekopieerd werden van de warrékast. Voor de vierkante hoogsels zijn deze 300 x 300 mm voor de zijkanten, met een hoogte van 210 mm. Het belang van het respecteren van deze gewoon ‘perfecte’ afmetingen kan nooit genoeg onderstreept worden.

Pastoor Warré heeft hier zeer veel onderzoek rond gedaan en het heeft veel experimenteren gevergd om te vinden wat nu voor de bijen ‘perfecte’ afmetingen zijn. Uiteraard lijkt de ecobijenkast op het eerste zicht in grote mate op de originele warrékast. Waar zitten dan de belangrijke verschillen? Die gaan vooral over het verbeteren van de ventilatie (door een aanpassing aan het dak) en de mogelijkheid om een volk te observeren zonder het te verstoren of de kast te openen (door een aanpassing aan elk van de hoogsels).

Twee zaken die bij de originele warrékast nogal eens voor problemen blijven zorgen. Zowat alle elementen van de ecobijenkast worden het best uit massief hout van 25 mm dik gemaakt.

Vloer

De buitenafmetingen zijn ietsje kleiner dan die van de kast (340 x 340 mm). Zo dringt het water dat van de kast afloopt niet in de vloer. Deze wordt samengesteld uit meerdere planken die naast elkaar op twee planken (die onderaan en dwarsliggen) worden bevestigd. Op deze twee planken worden de vier poten (metaalbuizen van 10 à 15 cm hoog) bevestigd. Deze poten zorgen voor een goede ventilatie onder de kast en houden de fauna die op de grond leeft wat op afstand.

Uiteraard is er aan de vloer ook een vliegplank bevestigd om het vertrekken en landen van de bijen te vergemakkelijken. In tegenstelling met heel veel andere kasttypes bevinden de bovenkant van de vloer en vliegplank zich niet op hetzelfde niveau. De vliegplank is aan de onderkant van de vloer bevestigd (tussen de twee planken die de vloer samenhouden). Aan de voorkant van de vloer is een afschuining gemaakt langs waar de bijen de kast in en uit kunnen.

Het feit dat de vliegplank lager ligt dan de vloer verhindert dat er regenwater in de kast naar binnen waait. We moeten er alles aan doen om te vermijden dat er nodeloos vocht in een bijenkast komt.

Hoogsels

Net zoals bij de originele warrékast is een hoogsel een vierkante bak (binnenafmeting 300 x 300 x 210 mm) met op elke zijkant een lat als handvat. Om echter in de kast te kunnen kijken zonder deze te openen wordt de achterzijde van elk hoogsel voorzien van een kijkvenster. Dit venster is afgesloten door een luikje om afkoeling en lichtinval te verhinderen. Dit afdekluikje bestaat aan de buitenkant uit een plank (kan bijv. ook multiplex zijn) bekleed met een stuk isolatiemateriaal dat het glas op de temperatuur van de kast houdt.

Deze aanpassing zorgt echt voor een belangrijke verbetering bij het beheer van de kasten. Het is immers niet meer nodig de kast te openen om te zien hoever de aanmaak van de raten gevorderd is en of het al nodig is om een hoogsel onderaan toe te voegen. Door de kijkvensters krijgen we in een paar seconden een zicht op de algemene toestand van onze volkeren. Elke keer dat we de kast openen verstoren we, wellicht meer dan we beseffen, het binnenklimaat (temperatuur en vochthuishouding) van de kast.

Deze kijkvensters beperken het openen van de kast tot één à twee keer per jaar. Dit beperken van het openen van de kasten heeft een veel groter positief effect op de volkeren dan de meesten vermoeden.

Dak31 1

Het gebruik van de originele kast, met het door pastoor Warré ontwikkelde daktype, maakte snel duidelijk dat de bijen er moeilijk tot niet in slaagden om de vochthuishouding in de kast behoorlijk te regelen. Dit deed ons meerdere aanpassingen aan het dak uittesten.

Uiteindelijk hebben we een dakconcept ontwikkeld waarbij een ventilatiekamer met een ventilatiekussen het ei van Colombus bleek. De werking ervan is het best te vergelijken met zo’n afzuigkap die men bovenop een schouw zet om ‘het trekken’ te verbeteren. Men kan zo’n daktype op twee manieren realiseren:

1) Een monoblok concept: het dak bestaat uit één element waar de ventilatiekamer met kussen in geïntegreerd zijn. Dit concept (zie foto en tekening) werkt wel goed, maar we gaan hier niet verder op in omdat het volgende concept, wat later werd ontwikkeld, gewoon veel beter is.

2) Een modulair concept: het dak bestaat normaal uit twee modules. Als er gevoederd wordt uit drie.

• Dakmodule 1 met het ventilatiekussen komt bovenop het bovenste hoogsel. Deze module is een vierkante bak met dezelfde binnenafmetingen als de hoogsels (300 x 300 mm) maar met een hoogte van 100 mm. Langs de vier binnenzijden komt er onderaan een latje van 10 x 10 mm. Hierop rust een metalen rooster (bijv. varroarooster). Daarop komt een stuk jute en op die jute legt men natuurlijk isolatiemateriaal (houtkrullen, vlas, droge bladeren, …) waarvan men de dikte aanpast volgens het seizoen. Overtollig vocht moet doorheen dit kussen uit de kast weg kunnen.

• Dakmodule 2 komt hier bovenop. Terug een vierkante bak met dezelfde binnenafmetingen als de hoogsels maar een hoogte van 200 mm. In het midden van de vier zijkanten komt naar onderen toe een gat (diameter 60 mm). Boven de gaten komt er een isolatieplaat van 20 à 30 mm. Die gaten worden met gaas afgedekt. Bovenop de bak komt een dakplaat. Vochtige lucht kan nu door het ventilatiekussen via de openingen in de ventilatiekamer naar buiten. Door alles modulair te maken werkt het veel gemakkelijker. Isolatiemateriaal kan vlot ververst worden, enz.

• Dakmodule 3. Als we een voederbak willen gebruiken maken we een lege bak met de afmetingen van dakmodule 1. Die plaatsen we op het bovenste hoogsel en onder dakmodule 1. We kunnen dan een voederbakje in deze module zetten. Er is nog één zeer belangrijk element waar we het nog niet over hadden. Op het bovenste hoogsel en onder dakmodule 1 (of module 3 als we voederen) plaatsen we muggengaas (of propolisrooster) dat de bovenzijde van het hoogsel geheel bedekt. Dit is de regulator van de kast. Verder in dit artikel leggen we uit hoe deze regulator werkt. Wat de vorm van het dak betreft kan u kiezen uit meerdere opties:

• Een plat dak zoals hierboven beschreven

• Een naar achter schuinafhellend dak. Dan moet de voorzijde hoger zijn dan de achterzijde en de zijkanten hebben bovenaan een schuine zijde.

• Een dak met twee schuine zijden (de klassieke vorm bij vele huizen). De zijkanten zijn rechthoekig maar de voor -en achterzijde eindigen in een punt naar boven. Bij elk van deze opties zien we dezelfde vier ventilatieopeningen in de zijkant met een gesloten isolatieplaat erboven. Er wordt vaak gekozen voor een plat of afhellend dak omdat je daar gewicht kunt opleggen om de kast te verzekeren. Het dak met schuine zijden wordt vooral om esthetische redenen verkozen.

Werking van de ecobijenkast

Bij het ontwerpen van deze ecobijenkast hebben we ons vooral toegespitst op het zoveel mogelijk beschermen van alle factoren die het binnenklimaat in de kast bepalen. Dan hebben we het vooral over temperatuur en vocht, die altijd moeten aangepast zijn aan de behoefte van de bijen. De praktijk heeft uitgewezen dat dit concept met het muggengaas als regulator echt werkt.

Rol en werking van de regulator

Als we een nieuwe kast bevolken is het muggengaas nieuw. De eerste taak voor de bijen is het volledig afdichten van hun kast. Dat doen ze door alle kieren en luchtlekken te dichten met propolis. De spleten tussen de hoogsels en ook die in de vloer worden gedicht. Ook alle mazen in de stroken muggengaas tussen de latten, waar de raten aankomen, worden afgedicht. Alleen de vliegopening blijft open.

Een belangrijk doel is om zo snel mogelijk de temperatuur in de kast op te trekken tot ongeveer 36°C zodat een groep werksters gemakkelijk was kan aanmaken en verwerken in raten. Dit is ook de noodzakelijke temperatuur om het eerste broed goed te verzorgen. We blijven het herhalen: het belang van een stabiele temperatuur en vochtigheidsgraad kan nooit voldoende worden onderstreept als basis voor een gezond volk.

Om de temperatuur en de vochtigheidsgraad permanent aan te passen aan hun behoefte maken de bijen gebruik van de lucht die via de vliegopening de kast binnenkomt. Zij openen de nodige mazen in het muggengaas precies op de plaats waar ze luchtcirculatie willen of ze sluiten die weer af. Geopende mazen doen het volume lucht dat de kast doorstroomt toenemen.

Meer gesloten mazen vertragen het luchtdebiet. Wellicht begrijpt je nu ook waarom het belangrijk is dat de bijen hun raten kunnen vastbouwen aan de zijkanten van de kast. Op die manier creëren ze afgesloten gangen tussen twee raten (of tussen een raat en een zijkant van de kast). Deze tussenruimtes zijn veel beperkter van volume en het klimaat erbinnen is veel gemakkelijker te regelen. Deze regeling wordt voortdurend aangepast. Soms maar met één of soms met een paar mazen. Deze regeling is zo eenvoudig, zo precies, zo verbazend, zo subtiel en prachtig.

Maar er is meer. Ondertussen weten we dat de bijen soms alle mazen dichten en het vochtgehalte in bepaalde gangen opdrijven waardoor er druppelvorming is ter hoogte van de propolisstroken. Dit vocht neemt wat propolis op en valt op de bijen die op de raten zitten: een zelfgeorganiseerde ontsmettingsdouche. Het zoveelste bewijs hoe wonderlijk deze diertjes in elkaar zitten en hoeveel beter het is om ze de juiste middelen te geven om zelf het klimaat in de kast te laten regelen.

Naar onze mening wordt er veel te vaak voorbijgegaan aan het belang van een stabiel klimaat in de kast dat door de bijen autonoom wordt geregeld. Meteen de verklaring waarom volkeren die in ecobijenkasten leven meestal zo gezond zijn. Geen schimmel, geen ziektes.

Hoe zouden bijen er kunnen in slagen om temperatuur en vocht stabiel te houden in kasten met ramen (die de kast niet echt ‘fragmenteren’) en met een te groot volume, in kasten die veel te vaak geopend en daardoor telkens weer verstoord worden? Wij zijn alvast tot het besluit gekomen dat heel wat problemen te wijten zijn aan het verkeerd concept en de gebruikswijze van vele kasttypes.

Problemen die ontstaan zijn bij het ontwikkelen van moderne kastconcepten vanaf ongeveer een eeuw geleden. Maar natuurlijk zijn niet alle problemen daaraan te wijten en beseffen wij ook dat bijv. de komst van varroa de situatie nog veel ingewikkelder heeft gemaakt. We zijn van plan om terug te komen op de varroaproblematiek die minder kritiek is in de ecobijenkast dan in kasttypes met ramen. Want ook hier speelt het binnenklimaat in de kast een grote rol. Iemand zei ooit: Le microbe n’est rien, mais le terrain est tout.’ Een waarheid als een koe.

Praktische noot: om de bijen toegang te geven tot een voederbak worden er midden in het muggengaas een vierkant gat gemaakt. Er worden maar drie zijden van het vierkant losgesneden waardoor het stukje muggengaas omgeplooid kan worden om er een voederbak (zo’n model dat van onderaan toegankelijk is) bovenop te plaatsen. Als men de voederbak wegneemt plooit men het vierkant gewoon terug dicht.

Verschil tussen het regel- en ventilatiesysteem van de warrékast en de ecobijenkast

Ook bij de warrékast hebben we een vloer met vliegopening langs waar de lucht binnen kan, hoogsels, een lap jute bovenaan (die een beetje de rol van het muggengaas overneemt en daar bovenop een isolatiekussen. Tot daar geen te grote verschillen. Maar nu komt het. Pastoor Warré gebruikte het isolatiekussen vooral in de hoop dat het vocht zou opnemen.

Maar de eventueel opstijgende lucht kon eigenlijk nergens weg, want het dak was afgesloten. Er was een holle ruimte in het dak boven het isolatiekussen maar die diende nergens toe. Op deze manier is er geen echte luchtcirculatie mogelijk. Sommigen hadden dit door en plaatsten een kleine wig tussen dak en hoogsel waardoor de lucht wel circuleerde maar niet (door te bijen) te controleren was.

Ook in het isolatiekussen van de ecobijenkast kan er tijdelijk wat ophoping van vocht zijn maar door het concept zelf is er neiging om dat vocht snel af te voeren. Het is belangrijk om te leren welke dikte en densiteit aan natuurlijk isolatiemateriaal er nodig is om een optimale circulatie mogelijk te maken tijdens de verschillende seizoenen. Ook dit leert men vooral door ervaring.

Pastoor Warré was echt maar een stapje meer verwijderd van de ideale oplossing. Jammer dat niemand zich veel eerder over het werk van pastoor Warré gebogen heeft om de laatste verbeteringen door te voeren, want dit had ons en vooral vele bijen een hoop ellende kunnen besparen.

31 2