Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 91
Jaar: 2005
Maand: december
Auteurs: Dr. Michel Asperges

Leren van Winterluiers 

Materiaal

We gaan ervan uit dat de bijen­kast waar u mee werkt een varroa­rooster (in inox) heeft en dat er in de bodem van de kast een uit­schuifbare plank zit. De mazen van de rooster hebben een afmeting van 5 mm x 5 mm en de afstand tussen de plank of schuif en het rooster bedraagt minimum 30 mm, dat om te verhinderen dat levende varroamijten opnieuw naar boven zouden klimmen. De kleine mazen Laten natuurlijk niet al het afval door dat op de rooster valt.

De luier die we op de uitschuifplank leggen, kan een op maat gesneden geplastificeerd stuk behangpapier zijn. Als u ergens een staalboek van dat papier op de kop kunt tikken, versnijd het dan op de juiste maat. Maak de bladen vervolgens los en u hebt voor lange tijd een reserve aan luiers.

foto1
Varroarooster en schuifplank vertellen wat er in het volk gebeurt.

De bodem moet los zijn van de eigenlijke bijenkast, zodat u hem gemakkelijk kunt verwisselen. In de loop van de jaren dat we met zulke varroabodems werkten, hebben we ervaren dat de bijen de roosters soms dicht propoliseren, zodat het wat minder tocht. Dat is nadelig omdat we dan geen of weinig controle meer hebben over het al dan niet vallen van de mijten. Uit het voorgaande begrijpt u ook dat een bodem met uitschuifbare onderlegger nuttig is bij het verluchten van de kolonie. Dat is zeker geen luxe in de zomer­maanden en zelfs in de winter is een goede verluchting alleen maar voordelig.
Bijen produceren immers veel vocht bij het adem­halen, verzorgen van broed en indampen van de nectar of het vloeibare nepvoedsel (suiker) dat we hen geven. Zelfs als we de bijenkast licht doen hellen, dan nog treffen we vocht aan op de onderleggers.

Observeren tijdens de winter

Als de bijen ingewinterd zijn (voldoende suikervoorraad en stuifmeel), zouden we ze volledige rust moeten kunnen gunnen. Helaas moeten we ze storen voor de extra bestrijding van de varroa tijdens de eerste vorstperiode. De wintervoorraad zit eerst als een brede krans rond de broedplaats die vervolgens tijdens de winter tot ongeveer nul wordt herleid.

Als we de plank of schuif om de maand kuisen, dat wil zeggen een nieuwe luier geven, dan kunnen we de mul of het afval op de luier onderzoeken en te weten komen welke activiteit er tijdens de laatste maand heeft plaats­gevonden. Geef de luier altijd een herkenningteken en schrijf er de datum op.

Wat zien we op de luier?

In december, januari, februari en maart zitten erop de luier vijf tot zes bruingele banden. Die zijn het Langst in het midden, naar de randen toe worden ze korter en lichter van kleur.

Normaal trekken bijen zich tijdens de koude dagen in een bol tezamen om het warmteverlies tot een minimum te beperken. In de bol heersen een behoorlijke temperatuur en vochtigheidgraad. De bijen aan de buitenkant hebben het minder warm dan deze binnen in de bol, maar ze wisselen regel­matig van plaats. Warmte is een vorm van energie en deze halen ze uit hun wintervoorraad.

foto2
Donkere dekseltjes, oude raten!

Door spieractiviteit en ademhaling produceren de bijen warmte en vocht. Om aan de honing en suiker te geraken, bijten ze de wasdekseltjes open. Op de luier vinden we dan stukjes was van de celdekseltjes. De kleur varieert van donker- tot lichtbruin al naargelang de zuiverheid van de wasdekseltjes. Hoe ouder de raten, hoe donkerder de dekseltjes. De kleur van de banden maakt duidelijk of de wasraten aan vervanging toe zijn of niet.

Als we de banden maand na maand bekijken, dan zien we dat ze niet altijd in het midden te vinden zijn. In sommige kolonies verlopen de banden bij opeenvolgende observaties van links naar rechts of van voor naar achter.
Dat wijst erop dat de bol bijen zich verplaatst al naargelang de koningin beslist om links of rechts te starten bij het zoeken naar voedsel. Moest dat chaotisch gebeuren, dan zou de kolonie dood gaan met voedsel in de kast! We spreken dus over een links- of rechtsdraaiende koningin, of over een koningin die van voor naar achter werkt. Of dit genetisch bepaald is weten we niet.

Detail van de banden

Met een goede loep (vergroting 10 x) kunnen we nog heel wat meer zien in en op de banden:

  • Bij een eerste observatie vallen de dode of levende vrouwelijke varroamijten dadelijk op. De volwassen mijten zijn rood tot donkerbruin van kleur, kort en breed (1,1 mm x 1,6 mm), ze zijn ovaal en hebben een krabachtig uitzicht. Het rugschild bedekt vier paar poten en de stekende monddelen. Op de rand van het schild zitten korte, stijve haren.
    Als de mijt nog niet volwassen is, heeft ze een bleekbruine tot zelfs crème-witte kleur. Bedenk dat er in een cel slechts één tot twee mijten volwassen zijn als de jonge werkster of dar geboren wordt. Het mag u dus niet verwonderen dat er jonge onvolwassen varroamijten te vinden zijn tussen de mul.
    Het is ook belangrijk om te kijken of de mijten al dan niet beschadigd zijn. Er kunnen stukken uit gebeten zijn, dit wil zeggen dat de bijen een goed poetsgedrag vertonen. Een dode mijt op de luier kan uiteraard geen nieuwe generatie meer starten, maar we moeten er ook rekening mee houden dat de mijten die u vindt in volle winter eigenlijk restmijten zijn die niet gedood werden door de behandeling met mierenzuur, oxaalzuur, Perizin, Apivar, enz.
    foto3
    Transparante wasschilfertjes: de bijen bouwen.
  • Wat eveneens opvalt, zijn de kleine, witte, transparante schilfertjes (ongeveer 3 tot 4 mm lang en 2 tot 3 mm breed), dikwijls met twee afgeronde uitersten en een inkeping in het midden. De kans om ze te zien is groter in de maanden februari en maart als het wat warmer is.
    Als u veel van deze schilfertjes ziet, dan weet u dat de bijen aan het bouwen zijn, het zijn namelijk wasschilfertjes of wasplaatjes. Bij nader toezien, ziet u zelfs kleine lijntjes of bandjes op de ovale delen. De vloeibare was verhardt zeer snel in de buiten­lucht. Deze schilfertjes kunt u mits enige handigheid met een fijn pincet verwijderen. Ze blijven zeer lang houdbaar in een gesloten potje; bij sterke afkoeling krullen ze wel op.
  • Ook zwarte, gekartelde 'worstjes' van 1 tot 2 mm lang en 0,5 mm breed kunt u vinden in de banden. Het zijn de uitwerpselen van de kleine wasmot. Als u de luier in de winter niet langer dan één maand laat liggen, zult u zelden dikke larven van de wasmot vinden, maar in de zomermaanden liggen er zeker maden en volwassen wasmotten (kleine en grote) op de onderlegger. In de winter zitten de maden van de wasmot hoog in de raten, waar het warmer is.
    Stel dat ze toch op de luier zitten, dan kunt u spinsel vinden. De larven vervellen meerdere malen en spinnen zich op het einde van hun larven ­leven in waarna ze verpoppen. In de winter doen ze dat echter meestal in de spleten van de bijenkast of in de randen van de bodemplank. Wasmotten zijn bijna steeds aanwezig in de kasten. Natuurlijk kan het ook zijn dat u ze ziet weglopen bij het uittrekken van de Luier. Als u snel bent, kunt u ze dan van­gen en doden.
    foto5
    De koningin leeft!
  • Wat we ook vinden zijn stukken van dode bijen, meestal stukken van voelsprieten of poten. Tijdens de mooie dagen in janu­ari, februari of maart gaan de bijen poetsen, zich ontlasten en water halen. Dode bijen worden verwijderd.
  • In de loop van januari, februari en maart vindt u zeker eitjes in de mul. Dat is een duidelijk bewijs dat de koningin nog leeft! Vanaf eind december, als het weer niet al te koud is, legt de koningin opnieuw eitjes (oudere imkers zeggen wel eens dat de koningin daar op kerst­dag mee start). Wordt het terug kouder, dan stopt ze haar leg, de afgekoelde eitjes worden onherroepelijk verwijderd.
    De meeste worden opgegeten want eiwitten laten de bijen niet verloren gaan. Er zijn er echter altijd enkele die in de mul vallen. In de loop van maart, en zelfs nog in april, kan het tijdelijk plots erg koud worden, het is dan goed te kijken waar de eitjes zo ziet u waar de koningin verblijft. Zelden zult u larven vinden in de mul.
  • Oorwormen of delen van oorwormen vindt u ook regelmatig in de mul. Deze dieren leven van kleine mijten, spijtig dat ze geen varroa's lusten. Tijdens het warmere seizoen zult u ze niet zoveel op de bodem vinden, dan komt u ze tegen onder en op de dekplank. Het zijn nuttige insecten die u zeker niet moet doden. In de tuin leven ze van bladluizen en mijten.
  • Soms kunt u ook kleine kevertjes vinden. Ze zijn meestal maar 1 tot 2 mm Lang en hebben donkerbruine dekschilden. Aan hun afgeronde kop zitten korte, kleine voelsprieten en bijtende mond­deeltjes. Ze leven van afval: stukjes chitine, wasschilfertjes en stuifmeet. Sommige kevers zijn zwart en hebben slechts twee korte dekschilden. Dat zijn kortschildkevers, ook zij Leven van afval.
  • Wat u tijdens de wintermaanden weinig of niet zult zien, zijn stuifmeelklompjes, tenzij er plots enkele warmere dagen zijn in februari en maart. Dan staan er veel krokussen (eigeel stuifmeel), hazelaar (lichtgeel stuifmeel), sneeuwklokjes (oran­jegeel stuifmeel), elzen (lichtgeel stuifmeel) en vroege wilgen (citroen- tot eigeel stuif­meel) in bloei. Als er stuifmeel valt, dan verschijnen de stuif­meelmijten. Het zijn zeer kleine, witte, bijna transparante en erg behaarde mijten van 0,3 tot 0,5 mm groot. Ze zijn bijna uitslui­tend met de loep waar te nemen.

Niet vergeten te kuisen

foto4
De wasmot is nooit ver weg.

Na april komt het bijenseizoen zeer snel op gang. Het is dan van belang de luiers regelmatig te ver­vangen. Er is heel wat verlies aan stuifmeelklompjes maar in verge­lijking met wat de bijen inzamelen is dat toch te verwaarlozen. Het aantal mul­bevattende banden neemt toe tot acht en zelfs tot tien. Als u de luiers nu niet regelmatig ververst, dan vraagt u om problemen met de vervelende wasmotten.

Dankwoord.
Bij deze wil ik M. Van den Wijngaert en R. Vaes bedanken voor de hulp bij het verwerken van de gegevens.

Foto's Michel Asperges en Ghislain De Roeck.