Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 97
Jaar: 2011
Maand: Januari - februari
Auteurs: Dr. Michel Asperges

Hoe lang hadden we winterbijen 2009-2010?

Inleiding

Honingbijen overwinteren in onze streken door voldoende reservevoedsel en stuifmeel op te slaan. De imker haalt in de lente en de zomer, soms nog vrij laat in de zomer, de ruwe honing (het reservevoedsel) uit de kolonie weg en moet dit vervangen door voldoende suiker, anders zal het volk sterven van honger. Winterbijen bouwen voldoende vet- en eiwitreserves op om gedurende meerdere maanden in leven te blijven, dit in tegenstelling tot lente- en zomerbijen die in de regel maar een zestal weken leven (Cornelissen, 2010).

Zomerbijen hebben het beste van zichzelf gegeven om larven groot te brengen en voedsel te vergaren voor de kolonie. Winterbijen, geboren in de loop van september en oktober, hebben normaal gezien geen larven grootgebracht en hebben zich ook niet moeten bezighouden met het verzamelen van nectar en stuifmeel. Hun taak is het om tijdens de lange, koude winter de kolonie warm te houden.
Tijdens deze periode verbruiken zij het reservevoedsel.

Als de lente zich laat voelen, of in de warmere dagen van januari en februari, vormen de winterbijen zich om tot volwaardige werkbijen. Ze gaan de eerste larven verzorgen, en hun haal- en poetsgedrag neemt toe. Toch zullen ze tijdens de nog talrijke koude dagen regelmatig opnieuw moeten overgaan tot het warm houden van het jonge broed en de rest van de kolonie. Dit kost energie, en vooral de zwakkere bijen zullen het niet halen.

Een bijenvolk is een grootverbruiker van goed gevarieerd stuifmeel. Volgens drs. van der Steen (2010) verbruikt een werkbij gemiddeld 3,4 tot 4,3 mg stuifmeel per dag. Er is zo maar eventjes 140 mg stuifmeel nodig om onder de vorm van voedersap een jonge koningin op te kweken, en 125 mg stuifmeel om een werkster groot te brengen.

Vooraleer de werkster volwassen is, heeft ze nog meer stuifmeel nodig, wat erop neerkomt dat ze in haar leven 160 tot 180 mg stuifmeel verbruikt. Een normale 12- raamskolonie met één hoogsel vraagt 25 kg per jaar. Waar kunnen honingbijen, hommels en solitaire bijen zoveel stuifmeel vinden? In de ‘groene monocultuurwoestijnen’ van maïs, aardappelen, graangewassen en bieten zijn er helemaal geen wilde planten en bloemen meer!

Dan hebben we nog geen rekening gehouden met parasieten als varroa en nosema. Zij zijn mede-oorzaak van het verkorten van de overwinteringperiode bij de honingbijen. Zijn de winterbijen verzwakt in hun larvenstadium en bij de geboorte, dan zullen ze de winter niet doorkomen en veel te vroeg sterven (zie Laget e.a., 2010). Plots stellen we dan vast dat onze bijen dood of verdwenen zijn – alhoewel er nog voldoende voedsel en stuifmeel in de kast aanwezig is.

1. Hulp van het Honingproject

In het kader van het Honingproject zijn we vanuit de universiteit Hasselt en i.s.m. de LIB vzw een onderzoek begonnen omtrent het voederen met FeedBee. We stelden vast dat er in september, oktober, november, zelfs tijdens de zeer koude dagen eind december 2009 en begin januari 2010, nog steeds broed aanwezig was. Weliswaar slechts in kleine hoeveelheden, maar in sommige kolonies zagen we toch nog kleine vlekken op twee of drie ramen.

Vroeger maakten we reeds melding van het probleem met de te warme maanden oktober en november en de aanwezigheid van stuifmeelrijke mosterdvelden in die periode (Asperges, 2010).

De vragen die we ons stelden:

• Hoe lang leven onze winterbijen die opgekweekt werden in augustus-september?

• Leven FeedBee-bijen langer dan bijen die geen FeedBee kregen?

2. Materiaal en werkwijze

We namen kleurstiften waarmee koninginnen gemerkt worden. Om de ontbrekende kleuren aan te vullen, kozen we voor niet-giftige acrylverf die we met een penseel aanbrachten. We gebruikten ook kleine stukjes koninginnenrooster waarvan de staafjes met een zeer dun laagje rubber waren bedekt. Om de bijen niet te kwetsen, pikten we ze op met zachte, verende, brede pincetten.

Er is zeer veel geduld en vooral ontzettend veel concentratie nodig om exact 100 bijen te tellen en te schilderen. Aanvankelijk plaatsten we kleine stukjes koninginnenrooster op de bijen, en met de stift werden de borststukken gekleurd. Dit was echter te moeilijk. Nadien vonden we de oplossing door in de reservehoning een open snede te maken waaraan onmiddellijk veel jonge bijen kwamen snoepen. Het werkte perfect en ging ook erg snel.

Steeds namen we ramen met broed zodat vooral jonge bijen konden gebruikt worden. Na enkele weken zagen we geschilderde vliegbijen die normaal binnenin de tros zouden moeten zitten. We hebben in geen enkel van de tien proefvolken een wintertros gezien gedurende de winter 2009-2010. zouden moeten zitten. We hebben in geen enkel van de tien proefvolken een wintertros gezien gedurende de winter 2009-2010.

1_11_2

1_3 

 

3. Uitzonderlijk warme dagen

Als de gemiddelde temperatuur in oktober-november uitzonderlijk hoog is, en zonder vorstdagen, ontstaat er een probleem. In de tabel hiernavolgend merk je dat de temperaturen voor de late herfst en de vroege wintermaanden soms veel te hoog lagen. Bijen gaan daarop onmiddellijk reageren door veel te vliegen.

Daardoor verbruiken ze veel reservevoedsel en stimuleren ze de koningin tot het leggen van eieren. Het gevolg is dat de winterbijen te snel lentebijen worden en dat hun levensduur korter wordt. Voor de bloemen stelde zich een gelijkaardig probleem. Normaal gezien zullen mosterd en raapzaad afvriezen eind oktober begin november, en gaan de landbouwers deze groenbemesters inwerken in de akker om de nodige organische stoffen en de stikstofrijke producten niet te laten verloren gaan. In de winter 2009-2010 was dit niet het geval en heeft men pas in de loop van december alles ingewerkt. De bijen zijn blijven vliegen op de rijkestuifmeelakkers en hebben zo hun doodvonnis getekend.

In de tabel zie je dat januari en februari wel degelijk wintermaanden waren met veel sneeuw en erg koude dagen. (-8,2 op 4 jan. en -6,5 op 12 feb.). Aan het weer kan je weinig doen. Het zou echter fijn zijn mochten de landbouwers ervoor zorgen dat hun groenbemesters niet meer in bloei komen na 15 oktober. In november 2010 stond er links en rechts nog veel mosterd – maar niet altijd in bloei.

Landbouwers maaiden deze ‘groene mosterd’ en kuilden die in. Het blijkt dus perfect mogelijk om ervoor te zorgen dat er geen overvloedige late bloei is van groenbemesters. Natuurlijk heeft de natuur ons dit jaar wat geholpen aangezien er reeds vorst was op 25 oktober. Maar op verschillende plaatsen zagen we toch late mosterdvelden die volledig in bloei stonden. Zelfs zonnebloemvelden met phacelia waren er nog te vinden in de provincie Vlaams-Brabant!

1_4

4. Een weelde aan bloemen

In september, en verder tot en met eind november 2009, was er meer dan voldoende voedsel. In de loop van september en oktober heeft men vrij laat granen, aardappelen en bieten geoogst omdat men wachtte op betere prijzen. Maïs is zelfs op sommige plaatsen tot november blijven staan. Veel landbouwers hebben de instructies van de boerenorganisaties gevolgd en hebben groenbemesters gezaaid. Honderden hectaren werden ingezaaid met mosterd, zoetraapzaad, rammenas, rapen en phacelia.

Normaal gezien, bevriezen deze planten bij de eerste vorst in oktober of november maar in 2009 was dit niet het geval; ze kwamen zelfs in bloei. Het was prachtig om zien en de imkers waren in hun nopjes met deze onverwachte nectar- en stuifmeelaanvoer. Helaas wreekte dit uitermate ‘giftig geschenk’ zich in de daaropvolgende periode.

Hou er rekening mee dat larven een feromoon produceren dat de werksters aanspoort tot het inzamelen van stuifmeel. Doordat verse nectar en stuifmeel binnengebracht werden in september, oktober en zelfs begin november, werd de koningin gestimuleerd eitjes te leggen, en de winterbijen startten dan ook met het voederen van de jonge larven.

Hierdoor werden de winterbijen plots lentebijen en stierven ze na zes weken. De varroa maakte natuurlijk gebruik van de nieuwe larven om weer toe te slaan en zich rustig maar erg talrijk te gaan vermenigvuldigen, met als gevolg verzwakte jonge bijen die de zes maanden van de winter niet gehaald hebben.

Zoals Cornelissen (2010) het weergeeft: vertrek maar van het idee dat er geen broed meer is eind december en je – aangezien het koud is – nog een varroabehandeling kan uitvoeren. Imkers die in de loop van december 2009 hun kolonies niet behandelden met oxaalzuur of een ander product tegen de varroa, zullen in de problemen gekomen zijn want de parasiet heeft dan alle kansen gekregen om zich massaal te vermenigvuldigen.

Ook aan de Experimentele Bijenstand van de LIB vzw in Herkenrode zagen we een weelde aan bloemen in de 2 ha grote bijenweide. De weide was ingezaaid met de bloemenmengsels die door de imkers gebruikt werden. Voor de bijenhal was er een kleine weide vol met wilde wortelen, wat voor een speciaal stuifmeel zorgde.

1_5

5. Hadden we wel winterbijen in Herkenrode?

We hebben 100 jonge bijen die op het broed zaten, met een kleurstip op het borststuk gemerkt en weer in de kast gezet. Nadien hebben we ze om veertien dagen geteld. Beter zou het zijn bijen te laten uitlopen in een broedstoof en deze jonge bijen te schilderen en in een kolonie te plaatsen. Dit was echter in Herkenrode niet mogelijk. Het schilderen begon op 22 september 2009 en het tellen hebben we volgehouden tot de begin januari.

1_6

Er werd niet gekeken naar temperatuur, en alle ramen werden uit de kolonie genomen en na telling teruggeplaatst. Soms was het buiten -4C° en was de temperatuur binnen de kolonie +32°C. Let wel! Het is niet de bedoeling dat je als imker deze werkwijze overneemt! Laat je bijen in de winter met rust behalve voor een varroabehandeling!

De grafiek hierboven laat duidelijk zien dat we reeds de eerste veertien dagen een deel van de winterbijen verloren. Uit een mondelinge mededeling van drs. Van der Steen uit Wageningen (die gelijktijdig met ons ook winterbijen telde), kwam men in Nederland tot een gelijkaardige vaststelling. Rond 20 oktober bleef er maar een goede 18% van de septemberbijen over en eind december begin januari was het er helemaal mee gedaan.

We zijn dus de winter doorgekomen met zwakke oktober- en novemberbijen die te laat geboren zijn en behoorlijk last hebben gehad van varroa. Tot onze verbazing verloren we geen enkele kolonie maar kolonie zes speelden we uiteindelijk toch kwijt omdat de nosema erg toegeslagen had. Verder stelden we vast dat er weinig of geen vervliegen was van de ene kolonie naar de andere.

Het is dus duidelijk dat een te warme herfst met veel bloeiende planten niet gunstig is voor winterbijen. Ook de FeedBee-bijen (vijf kolonies + twee reservevolken) zijn slachtoffer geworden van een te warme herfst

6. We mochten een verlies aan volken verwachten1_7

Late aanvoer van stuifmeel en nectar, de varroa die de koningin stimuleert tot het leggen van eitjes, en de larven die werkbijen stimuleren tot het halen van vers stuifmeel en nectar, hebben ervoor gezorgd dat we tot zeer laat in de herfst en zelfs nog in het begin van de winter broed hadden in de kolonies.

Onze winterbijen zijn lente- of zomerbijen geworden en zijn dus sneller doodgegaan.

Dikwijls liggen er onderin de kast zeer veel dode bijen die bijzonder onaangenaam kunnen ruiken. Soms is de volledige kast leeg (verdwijnziekte) en zijn de stuifmelen - suikervoorraden beschimmeld.

Alles moet dan schoongemaakt en indien mogelijk afgevlamd worden. De te vuile ramen geef je best niet meer terug aan de bijen.

Bedenk dat we hier slechts één van de problemen behandelden die het verdwijnen van de bijen veroorzaakt!

1_8

Dankwoord

Voor hun bereidwillige inzet – het leveren van de bijen, verzorgen van de volken en het nemen van de stalen – danken we Frans Daems, voorzitter LIB vzw, Hubert Aerts, Jos Bullen (†10 februari 2010, toen het onderzoek nog liep) Roeland Vaes, Jean Weeghmans en Alfons Wolfs, imkers van de LIB vzw. Het verlies van Jos Bullen was een zware slag voor het team.

Dank ook aan prof. dr. Roland Valcke van de Universiteit Hasselt omdat hij ons de mogelijkheid bood om dit onderzoek te doen, en aan de firma Agso nv (via Erik Goris) die tegemoet gekomen is in de financiële kosten.

Roeland Vaes was zo vriendelijk te luisteren en opbouwende kritiek te geven. Tenslotte dank aan Mieke Van den Wijngaert en Julia Brems voor het nalezen en bewerken van de tekst.

Literatuur

• KMI 2009, Overzicht van de klimatologische gegevens 2008 en 2009. Te gebruiken voor privé-doeleinden en educatie. www.meteo.be/meteo/view/.../3679945 - november+2009.html;

• M. Asperges, 2010, Een te warme herfst 2009 is mogelijk een probleem voor de honingbijen, Vlaams Imkersblad februari 2010 pp. 72-78;

• M. Asperges, 2010, De warme herfst van 2009, een probleem voor de bijen? De Vlaamse Imker pp. 6-9;

• D. Laget, B. Rotthier en F. Jacobs, 2010, Bijensterfte in Vlaanderen, De Vlaamse Imker (AVI) 2010 jaargang 14 nr.1 pp. 8-11;

• B. Cornelissen, 2010, Varroa bestrijden doe je zo. De Vlaamse Imker (AVI) 2010 jaargang 14 nr.1 pp 24-28;

• B. Cornelissen, 2010, Honingbijen ongebruikelijk actief in november. Vlaams Imkersblad januari 2010;

• J. Van der Steen, 2010, Stuifmeel en honingbijen. De Vlaamse Imker, april 2010 pp. 4-7.