Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 91
Jaar: 2005
Maand: oktober
Auteurs: naar de film ‘Selection der Honigbiene’, bewerking Hans Laevens

Selectie van de honingbij

Velen onder ons hebben deze mooie Duitse film gezien of zelfs aangekocht. Hij brengt niet enkel heel fraaie beelden, maar ook en vooral een groot aantal wetenswaardigheden i.v.m. de selectie van de honingbij. Hans Laevens hield zich aan de vertaling van het commentaar. Bij het lezen van onderhavige tekst komt dat heel af en toe vreemd over, maar we denken dat deze benadering veel lezers zal helpen om de film beter te begrijpen. Die is overigens te zien op het Internet en nog steeds te koop bij het IWF. Surf hiervoor naar
http://mkat.iwf.de/index.asp?Signatur=C%201966
(gdr).

Inleiding

Een jonge bij wordt geboren. Het is één van de 10.000 tot 40.000 bijen van een kolonie. Het is enkel in een kolonie dat een individuele bij kan overleven.

Elke kolonie heeft een koningin die verantwoordelijk is voor de eileg en is op die manier de moeder van alle bijen. Door de intensieve verzorging van de koningin door de hofstaat, kan ze tot 2000 eitjes per dag leggen.

De larven worden door de voedsterbijen met kliersecreet gevoederd. Daardoor wordt de grootte en de kwaliteit van het broednest ook door de voedsterbijen beïnvloed. Net zoals de ontwikkeling van het broednest wordt de expressie van eigenschappen beïnvloed door een samenspel van koningin en werksters.

Voor de verzorging van het broed en voor de aanleg van de wintervoorraad verzamelen de bijen ongeveer 25 kg pollen en zo'n 200 kg nectar (= 70 kg honing).

f1Met behulp van dansen wordt informatie uitgewisseld over drachtgebieden. Hierbij wordt enerzijds de vliegrichting aangeduid en anderzijds de afstand tot het drachtgebied. Door het uitdelen van voedsel wordt informatie uitgewisseld over de soort nectar die er te vinden is. De bouw van raten is een mooi voorbeeld van de samenwerking van de bijen in een kolonie. De bijen vormen daarbij een ketting. De was wordt, in de vorm van platte schijfjes, uitgescheiden door speciale klieren aan de onderzijde van het achterlijf. Ze worden met de monddelen uitgebouwd tot raten. In de raten ontwikkelt zich het broed en wordt de voedselvoorraad opgeslagen.

De prestatie van een bijenkolonie is het resultaat van de individuele bijen samen, waarvan de werksters, de koningin en de darren deel uitmaken. Om hun gedrag te kunnen begrijpen, moet men de voortplantingbiologie en de genetica van de honingbij kennen. Een koningin wordt bij de aanvang van haar leven, in vrije vlucht, door maximaal twintig darren bevrucht. Hier te zien onder experimentele omstandigheden.

Het sperma van de darren wordt in de voortplantingorganen bewaard. Aan de achterzijde bevindt zich de angelkamer. De angelkamer is door de vaginale plooi van de mediane oviduct (eileider) gescheiden. Aan de bovenzijde van de mediane oviduct bevindt zich de spermatheek. Deze is door een klein kanaal met de oviduct verbonden. De mediane oviduct splitst zich in een linker en een rechter laterale oviduct. Deze twee leiden tot de twee ovaria (eierstokken) die elk 120 tot 160 ovariolen bevatten.

De eerste dar die met de koningin paart, duwt zijn sperma in de mediane oviduct. Het sperma van de volgende darren komt ook in de mediane en beide laterale oviducten terecht, die enorm kunnen uitzetten. Na de paring drukt de koningin het sperma naar achter in de richting van de vaginale plooi. Zo komt 5 tot 10% van het sperma (zo'n zeven miljoen spermacellen) in de spermatheek terecht waar het gemengd wordt. Het sperma is in staat om eitjes te bevruchten over een periode van twee tot vier jaar.

Het merendeel van het sperma wordt uitgedreven als gedroogde plaatjes. Vóór een eitje gelegd wordt, ontvangt het een klein druppeltje sperma. Ongeveer tien spermacellen dringen doorheen de wand van het eitje maar slechts één spermacel fuseert met de eicelkern. Eitjes die in een darrencel gelegd worden, worden niet bevrucht.

f2De multipele paring zorgt voor verschillende halfzustergroepen in de kolonie. Deze groepen hebben dezelfde moeder maar een verschillende vader. Wanneer darren met verschillende uitwendige kenmerken met de koningin paren, kunnen deze kenmerken ook waargenomen worden bij de dochters. Hier zijn de donker- en lederkleurige tekening van het abdomen en de gele ringen waar te nemen. Verder hebben sommige werksters bleke, niet gepigmenteerde ogen, terwijl nog andere kortere vleugels hebben. Niettegenstaande deze ingewikkelde familiale verschillen, is het mogelijk om honingbijen te telen. Daarom moeten de genetische kenmerken en de genetische verwantschap van de kolonies gekend zijn en moeten hun kenmerken volgens de regels van de kunst gecombineerd worden. Al deze inspanningen moeten leiden tot zachtaardige, productieve en ziekteresistente honingbijen.

Evaluatie van de genetische kenmerken

Klaarzetten van de kolonies

Bijenstanden in een rijk biotoop met voldoende voedselvoorraden zijn ideaal voor een prestatietest. Voor zo'n prestatietest moeten er voldoende drachtplanten aanwezig zijn om een twintigtal kasten het hele jaar door van voldoende stuifmeel en nectar te voorzien. Om de genetische verschillen tussen de kolonies tijdens de prestatietest te kunnen evalueren, moet het werkplan van alle kolonies uniform zijn. Door de vlieggaten van de kasten in verschillende richtingen te plaatsen, wordt vervliegen beperkt.

Kunstzwermen met een zelfde gewicht zijn zeer geschikt voor het opzetten van testkolonies. In deze kunstzwermen worden zusterkoninginnen die bevrucht werden in één bijenstand ingevoerd. De koninginnen worden opgesloten in een arrestkooitje met behulp van honingdeeg en tussen de nog uit te bouwen ramen van een broedkamer gehangen. Deze broedkamer wordt op de kunstzwerm geplaatst en de bijen van de kunstzwerm zullen de koningin binnen enkele uren bevrijden. Later wordt de romp van de kunstzwerm verwijderd. Elke kolonie krijgt dan nog een hoeveelheid suikersiroop toegediend.

Als alternatief kunnen de jonge testkoninginnen ook ingevoerd worden in bestaande kolonies. Deze moeten gezond en vergelijkbaar sterk zijn. Eén methode om de testkoningin in een bestaande kolonie in te voeren, is de directe introductie door vervanging. Dit is enkel succesvol wanneer de jonge testkoningin al aan de leg is. Enkel dan is ze voor de bijen van de kolonie gelijkwaardig aan de oude koningin. Eerst moet de oude koningin gevonden worden. Wanneer de oude koningin vrij heeft kunnen bewegen in de kast wordt de jonge testkoningin gewoonlijk zonder problemen geaccepteerd. Was de oude koningin op arrest geplaatst, zouden de bijen zich moerloos kunnen gevoeld hebben en koninginnendoppen opgetrokken, waardoor het aanvaarden van de nieuwe koningin bemoeilijkt wordt. Wanneer de oude koningin gevonden is, wordt ze tijdelijk gevangen gezet. Net vóór het invoeren van de jonge koningin wordt deze uit een kernvolkje gehaald. Haar stamboeknummer en identificatienummer worden geregistreerd in het teeltboek.

Ondertussen kan de oude koningin in het kernvolkje ingevoerd worden. Het is pas na de volledige evaluatie van de testkolonie dat er beslist wordt of de testkoningin gebruikt zal worden als teeltkoningin.

Tijdens de volgende uren zullen de bijen de nieuwe koningin bevrijden door het opeten van de honingdeeg. Het invoeren van een testkoningin moet gebeuren vóór het einde van de maand juli zodat de evaluatie van de genetische kenmerken eigen aan de testkoningin, zoals wintervastheid en voorjaarontwikkeling, kan gebeuren op haar eigen nakomelingen. Alle details over de identificatie van de testkoningin worden opgeschreven in het teeltboek, dat haar gedurende de hele evaluatieperiode vergezelt. Een eerste controle gebeurt na vijf tot zeven dagen. De aanwezigheid . van eitjes en jonge larven is het bewijs van een succesvolle invoering. Vier weken na het invoeren van de testkoningin wordt de sterkte van alle kolonies geëvalueerd. Verschillen in sterkte tussen de kolonies kunnen reeds aanwezig geweest zijn vóór de introductie van de nieuwe koningin of door verschil in kwaliteit van de bijen in de kolonies. Naast de sterkte van de kolonie wordt ook de grootte van de broedkogel geëvalueerd.

f3Verschillen in sterkte tussen de kolonies worden meteen gecorrigeerd door het uitwisselen van broed. Eén broedraam komt ongeveer overeen met het aantal bijen dat twee ramen volledig kan bezetten. Na deze laatste ingreep zouden alle kolonies in de bijenstand vergelijkbaar sterk moeten zijn. Ten slotte krijgen de kolonies voldoende voeder toegediend om de winter door te komen. Dit kan gebeuren door de honingzolder terug te plaatsen en eventuele tekorten aan te vullen met suikersiroop. Uiteindelijk zouden alle kasten een gelijk gewicht moeten hebben. De geconcentreerde suikersiroop wordt in enkele dagen opgenomen en opgeslagen in de honingramen. Op het einde van oktober moeten alle kolonies tenminste 20 kg voedselreserve hebben.

Evaluatie van de genetische kenmerken

Het eerste voorjaaronderzoek gebeurt wanneer de wilgenkatjes in bloei staan. Voedselreserves, de aanwezigheid van broed en de gezondheid van de bijen worden geëvalueerd. Van zodra de sterkte van de kolonie op peil komt, wordt om de drie weken een volledige evaluatie uitgevoerd. Alle ramen bezet met bijen worden geteld. Dit is een eenvoudige methode voor het meten van de sterkte van de kolonie. Verschillen kunnen een genetische grondslag hebben en dit kan belangrijk zijn om te weten welke kolonies voor welke drachtplanten kunnen ingezet worden. Daarna wordt een grondig onderzoek uitgevoerd door de inspectie van elk broedraam.

Elke kolonie zou een darrenraam moeten hebben. Hier is het darrenraam onderverdeeld zodat darrenbroed kan verwijderd en verdeeld worden voor teeltdoeleinden. Darrenraat mag onder geen beding verwijderd worden wanneer, tijdens de evaluatie, het onderzoek naar varroaresistentie plaatsvindt. Wanneer de koningin gevonden wordt, wordt haar identificatie gecontroleerd en wordt ze onderzocht op de aanwezigheid van letsels. Opdat de testkoningin gemakkelijk zou gevonden worden, moet ze gemerkt worden met gekleurde en genummerde identificatieplaatjes.

Om de hoeveelheid broed te schatten, wordt het aantal ramen met broed geteld en bijkomend wordt de oppervlakte van het centrale broedraam gescoord. In deze kast reikt het broed tot bijna in de hoeken van het raam. De kolonie krijgt het maximale aantal punten toegekend (= 4). Tijdens een verdere evaluatie wordt er ook gekeken naar gaten in het broed. Deze kunnen te wijten zijn aan inteelt. Dit is eenvoudig te meten met behulp van een ruitvormige mal met een grootte van honderd cellen werksterbroed. Het gemiddelde aantal gaten van drie tot vijf tellingen in het begin van de maand mei geeft de inteeltfactor weer.

Een ander, zeer belangrijk kenmerk dat regelmatig geëvalueerd moet worden is het gedrag van de kolonie. Daarvoor is enige ervaring noodzakelijk. Deze kast is zeer zachtaardig en kan geïnspecteerd worden zonder het gebruik van rook. De bijen vallen niet aan en steken niet. Dit wordt dan ook met de beste score geëvalueerd. Na de evaluatie worden de ramen en rompen in de oorspronkelijke toestand teruggeplaatst en wordt de kast gesloten. Alle toegekende punten en commentaren worden zorgvuldig genoteerd.

Sommige kolonies kunnen enkel geïnspecteerd worden met een volledige bescherming en door het gebruik van rook. Het verdedigend gedrag wordt gescoord met punten van 1 tot 4 waarbij ook halve punten worden toegelaten. Een ander aspect van het bijengedrag is de raamvastheid. Dit criterium wordt goed geëvalueerd wanneer de bijen als een dichte pels op het raam blijven zitten wanneer dit uit de kast wordt genomen. Een slechte beoordeling wordt gegeven wanneer de bijen na korte tijd het broedraam verlaten.

Dit broedraam vertoont lege cellen in het broed. Sommige lege cellen kunnen het gevolg zijn van de pollenvoorraad die aanwezig was op het moment dat de koningin het raam aan het beleggen was. Maar een aantal van deze omvang heeft een genetische achtergrond. Dit kan uitgelegd worden aan de hand van het mechanisme dat het geslacht bij honingbijen bepaald. Ongeveer elf verschillende geslachtallelen zijn bekend. Enkele van hen worden hier voorgesteld door gekleurde blokjes. Elk bevrucht eitje heeft twee dergelijke allelen. Wanneer ze ongelijk zijn dan wordt daaruit een vrouwelijke bij geboren; een werkster of een koningin. Eitjes waaruit darren geboren worden, zijn in de regel niet bevrucht. Zij hebben maar één geslachtallel. Wanneer twee gelijke allelen voorkomen dan zouden daaruit ook darren geboren worden. Echter, deze eitjes worden verwijderd en zo ontstaat een lege cel in het broed. Na enkele generaties kan inteelt leiden tot een broedkogel met veel lege cellen.

- Normaal gezien bevat de spermatheek van de koningin veel verschillende geslachtallelen. Bevruchte eitjes hebben geslachtallelen die verschillend zijn van elkaar. Uit deze eitjes zullen zich vrouwelijke larven ontwikkelen. Wanneer een jonge koningin paart met de darren uit de kolonie van haar moeder zal 75% van de eitjes ongelijke allelen bezitten, terwijl 25% identieke geslachtallelen bezit. Het broed zal dus 25% lege cellen bevatten. Wanneer de kleindochter paart met de darren uit de kolonie van de grootmoeder draagt de helft van de bevruchte eitjes ongelijke allelenen de andere helft draagt gelijke allelen. Dit resulteert in een broedverlies van 50%.

Tijdens de zwerm periode is het noodzakelijk om, naast de driewekelijkse volledige evaluaties, een wekelijkse controle uit te voeren waarbij de ramen op de aanwezigheid van koninginnendoppen worden gecontroleerd. Wanneer deze aanwezig zijn, worden ze geopend. In deze kast bevatten de koninginnendoppen geen eitjes of larven en is de kolonie nog niet in zwermstemming. Wanneer de eerste honingzolder halfgevuld is, krijgt de kolonie er een tweede. Deze zolder bevat ramen met waswafel en darrenraat. De honingzolder wordt gewogen en het lege gewicht wordt genoteerd.

Deze kast heeft belegde koninginnendoppen met larven. Alle doppen moeten verwijderd worden. Een groot aantal belegde koninginnendoppen met oudere larven is een teken dat de kolonie beslist zal zwermen. Wanneer de zwerm neiging zo ver gezet is, kan deze niet meer weggenomen worden door het toevoegen van een extra honingzolder en het verwijderen van koninginnendoppen.

De zwermneiging kan enkel worden weggenomen door het vormen van een tussenaflegger. Na het afnemen van de bovenste broedkamer worden alle ramen onderzocht en alle koninginnendoppen verwijderd. Ook het darrenraam moet gecontroleerd worden. Ter voorbereiding van de volgende stap wordt een raam met open broed in een romp met ramen met waswafels geplaatst. Ook de bovenste broedkamer wordt onderzocht op de aanwezigheid van koninginnendoppen. De kast wordt nu op de volgende manier opnieuw samengesteld. De nieuwe broedkamer met het ene broedraam wordt op de bodem geplaatst. Daarboven komt de honingzolder. Een separator verdeelt de kast in twee. De broedrompen met de koningin worden boven op de separator geplaatst. Omdat alle terugkerende vliegbijen enkel het onderste vlieggat herkennen, zullen ze in het onderste deel van de kast terechtkomen. Op die manier wordt het bovenste deel van de kolonie zodanig verzwakt dat de zwermneiging verdwijnt. Na zeven tot negen dagen worden de koninginnendoppen die opgetrokken werden op het ene raam met open broed in het onderste deel van de kast vernietigd en wordt het vervangen door een ander raam met open broed uit het bovenste deel van de kast. Dit houdt de bijen in het onderste deel van de kast tevreden en daarmee wordt vervliegen vermeden. De twee helften van de kast worden, na nog een periode van zeven tot negen dagen, opnieuw verenigd.

Nu is de zwerm neiging verdwenen en is de koningin opnieuw volop aan de leg. De kast wordt in zijn oorspronkelijke staat samengesteld. Let wel dat opnieuw alle koninginnendoppen op het ene broedraam moeten verwijderd worden. Deze vorm van zwermcontrole laat de evaluatie van de testkoningi n en de kolonie tijdens de zwerm periode toe zonder dat de kolonie verzwakt wordt.

Natuurlijk is de productie van honing de belangrijkste parameter die gevolgd wordt. Deze kan geschat worden door de kasten regelmatig te wegen. Alle veranderingen, zoals bijkomende honingzolders, die het gewicht van de kast beïnvloeden, moeten natuurlijk in rekening gebracht worden.

Het gebruik van bijenuitlaten vergemakkelijkt het oogsten van de honing. Eén dag voordat de honingzolders afgenomen worden, worden de bijen uitlaten op hun plaats gebracht. Deze stellen de bijen in staat om van de honingzolder naar de broedrompen te kunnen bewegen maar niet in omgekeerde richting. De honingzolders kunnen dan de volgende dag weggenomen worden. De honingopbrengst wordt geschat door het wegen van de honingzolder.

De origine van de koningin en de raszuiverheid van de darren waarmee ze gepaard heeft, wordt gecontroleerd door morfometrisch onderzoek van haar nakomelingen. Om zeker te zijn dat nakomelingen van de koningin onderzocht worden, worden jonge bijen en darren van de ramen geplukt. Voor het morfometrisch onderzoek worden vijftig bijen en vijftig darren verzameld. Omdat de chitine van de jonge bijen nog moet uitharden, worden ze nog enkele dagen in leven gehouden vooraleer stalen genomen en bewaard worden voor later onderzoek.

Een ander aspect van de prestatietesten is de selectie van vitale en ziekteresistente kolonies. Alleen deze kunnen optimale resultaten behalen. Van de verschillende bijenziekten is varroase deze die de grootste bedreiging vormt voor de imkerij.

Deze parasiet tast zowel het broed als de volwassen bijen aan. Om meer varroatolerante bijen te selecteren, wordt de ontwikkeling van de varroapopulatie gemeten en vergeleken tussen de kolonies.

Dit onderzoek start in het begin van de maand december door de kolonies te inoculeren met een gelijk aantal varroamijten. Ter voorbereiding worden de bijen van sterk geïnfecteerde kolonies verzameld. Een deel van deze bijen wordt apart verzameld, gewogen en in het laboratorium onderzocht op de infectiegraad. In het laboratorium worden deze bijen gewassen met een zeepoplossing en met behulp van een zeef worden de mijten van de bijen gescheiden. Om de mijten gemakkelijk te kunnen tellen worden ze op een wit oppervlak uitgestrooid. Het aantal mijten in het bijenmonster en het gewicht van het monster geeft een idee over de infectiegraad van alle bijen.

De bijen worden gevoederd met een suikeroplossing tot de volgende dag. Dit verzekert hun acceptatie wanneer ze later worden toegevoegd aan de testkolonies. Het wegen van de bijen maakt het mogelijk de totale infectiegraad te berekenen en de grootte van het staal te bepalen dat zal toegevoegd worden aan de testkolonies. Veel bijen van verschillende sterk geïnfecteerde kolonies moeten verzameld en gemengd worden wanneer een groot aantal testkolonies geëvalueerd moet worden. Elke testkolonie moet immers een voldoende groot en gelijk aantal parasieten toegediend krijgen. De bijen worden samengebracht en goed gemengd. Wanneer de infectiegraad en het gewicht van de verschillende sterk geïnfecteerde kolonies gekend zijn, kan men bepalen hoeveel bijen (uitgedrukt in gram) men nodig heeft om aan de testkolonies toe te dienen. Vooraleer men de individuele stalen klaarmaakt, moeten de bijen nog eens grondig gemengd worden. Alleen dan krijgt men de garantie dat de stalen van een zelfde gewicht ongeveer hetzelfde aantal mijten bevat. Over de jaren heen heeft men gevonden dat het inoculum ongeveer honderd varroamijten moet bevatten. Dit komt overeen met een staal van 30 tot 70 g bijen. Het wegen moet tot op 1 g nauwkeurig gebeuren. Honingbokalen en gaas zijn ideaal voor het maken en transporteren van de stalen. Nu kunnen de geïnfecteerde bijen toegediend worden aan de testkolonies. Omdat ze niet zouden afkoelen, moeten ze in direct contact gebracht worden met de wintertros. Omdat de bijen die toegevoegd worden zich moerloos voelen en omdat ze goed gevoederd zijn, worden ze zonder problemen geaccepteerd.

Het volgende jaar onmiddellijk na het oogsten van de honing worden de kolonies behandeld met een werkzame acaricide. Een nieuwe varroaschuif moet echter eerst aangebracht worden. Voor de behandeling kunnen acaricide strips gebruikt worden. Deze worden verdeeld tussen de ramen van het broednest en het actieve bestanddeel doodt in enkele uren alle mijten op de volwassen bijen. Alle mijten aanwezig in verzegeld broed zullen pas gedood worden nadat de jonge bijen geboren worden. Een eerste telling wordt uitgevoerd na 24 uur. Dit geeft een beeld van de varroapopulatie die aanwezig was op de volwassen bijen. De mijten die daarna nog vallen geven een idee van het aantal mijten dat aanwezig was in het broed. Op de varroaschuif vindt men onder andere varroamijten met een verschillende kleuringgraad. De lichter gekleurde mijten zijn onvolwassen mijten en worden niet geteld bij de eerste telling.

Hier wordt de telling uitgevoerd door een computergestuurd apparaat. Dit vermindert de werkdruk wanneer meerdere stalen onderzocht moeten worden. De computer kan de varraomijten herkennen door hun karakteristieke grootte, vorm en kleur.

De snelheid waarmee een varroapopulatie ontwikkelt, kan variëren van kolonie tot kolonie en kan afhangen van enkele gedragkenmerken van de bijen. Eén van deze kenmerken is sociaal poetsgedrag. Wanneer een bij geïnfecteerd is met een mijt probeert ze de hulp in te roepen van andere bijen en hun aandacht te trekken door hevig te schudden met het abdomen. Dit nodigt hen uit de varroamijt te helpen verwijderen. De bijen proberen ook zelf de varroamijt te verwijderen. Maar dat lukt hen zelden door de instinctieve vluchtmechanismen van de parasiet.

De effectiviteit van het sociaal poetsgedrag van kolonies kan geëvalueerd worden door de gevallen mijten te tellen tijdens periodes wanneer geen behandeling werd ingesteld. Het regelmatig controleren van de varroaschuif is daarvoor belangrijk. Tijdens die periode moeten ook mieren verhinderd worden om in de kast terecht te komen. De onderzijde van de gevallen mijten wordt onderzocht onder de microscoop (vergroting: 40x). Op die manier kan men varroamijten vinden met letstel aan hun lichaam. Hier bijvoorbeeld aan de tweede en de derde rechterpoot Het onderzoek moet gebeuren op een staal van tenminste twintig mijten. Het percentage mijten met letsels geeft een beeld van het sociale poetsgedrag in de kolonie.

Een ander kenmerk dat het hygiënische gedrag weergeeft en dat invloed heeft op de ontwikkeling van de mijtenpopulatie is het openen en verwijderen van geparasiteerd broed door de werksters. De mijten veroorzaken een verstoring in het verzegelde broed. Er is weinig geweten over de signalen die de werkster aanzetten tot het openen en verwijderen van geïnfecteerd broed. Het geïnfecteerde broed wordt verwijderd door teamwerk van verschillende werksters. Hoewel de varroamijt hierbij in veel gevallen ontsnapt, wordt haar voortplantingcydus onderbroken.

De naaldtest is een snelle en eenvoudige methode om dit poetsgedrag in een kolonie te evalueren. Hierbij worden vijftig cellen met een naald tot op de bodem doorprikt. Kolonies met een uitgesproken poetsgedrag zullen de meeste aangeprikte cellen verwijderen binnen de 12 tot 18 uur. Het percentage gereinigde cellen is een goede maatstaaf om het poetsgedrag tussen kolonies te vergelijken.

f4Alle gegevens die tijdens de observatieperiode verzameld werden, worden op het einde van het seizoen ingegeven in een computer en verwerkt. Kolonies die op een zelfde bijenstand stonden, kunnen onmiddellijk vergeleken worden op voorwaarde dat de testkoninginnen over de hele observatieperiode aanwezig waren. Wanneer het onderzoek bij iedere kolonie uitgevoerd werd volgens de regels van de kunst, kan direct bekeken worden welke kenmerken er bij welke kolonies het best scoorden.

De meeste kenmerken zijn normaal verdeeld. Dit wil zeggen dat weinig kolonies zeer laag of zeer goed scoren en dat de meeste kolonies een gemiddelde score hebben. Selectie wil zeggen dat de beste testkoninginnen gekozen worden in het teeltprogramma. Het selectieverschil (de superioriteit van het kenmerk in een kolonie boven het gemiddelde) hangt af van de spreiding van het kenmerk in de populatie en van de intensiteit van selectie. De erfelijkheidgraad bepaalt in hoeverre het doorgeven van een kenmerk ook resulteert in een verbetering van bijvoorbeeld het poetsgedrag of een stijging van bijvoorbeeld de honingopbrengst.

Door een continue selectie wordt de genen pool steeds meer en meer uniform waardoor de grootte van de toename van een kenmerk bij de volgende generatie steeds kleiner wordt. Een kenmerk zal uiteindelijk op een hoog niveau stabiliseren, op voorwaarde dat inteelt geen schade toebrengt.

Het onophoudelijk en collectief selecteren heeft de prestatie en het karakter van onze bijen aanzienlijk verbeterd. De selectie naar varroatolerante honingbijen wordt de nieuwe uitdaging voor de imkerij.

De successen die werden bekomen via selectie, zoals een uitgesproken zachtaardigheid die ons in staat stelt om kolonies te houden in dichtbevolkte gebieden, kan alleen maar bestendigd worden wanneer de inspanningen van het verleden verder gezet worden.