Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 93
Jaar: 2007
Maand: december, themanummer selectie
Auteurs: Jan Camerlinckx

Betere bijen, wat en hoe

Enkele bedenkingen

Na een zoektocht van anderhalve eeuw is er blijkbaar nog altijd een meerderheid van imkers die het moeten of willen doen met de bijen die voorhanden zijn: gehybridiseerde inheemse bijen. De Brit B. A. Cooper gebruikte in 1987 nog de term 'bijna inheemse bijen', maar wat baat het de realiteit te verdoezelen ('Bronnen': 15)?

f1Als we het vandaag over 'betere bijen' hebben, dan moeten we beseffen dat, om dat doel te bereiken, het niet enkel een kwestie van technische middelen is, maar vooral van planning en organisatie. Met 'betere bijen' beogen wij in de eerste plaats bijen kolonies die een redelijke honingopbrengst geven, die handelbaar zijn en die weinig gevoelig zijn voor ziekten en parasieten. Om dat te bereiken zouden wij eigenlijk niets anders moeten doen dan gebruik maken van de mechanismen die de natuur al altijd gehanteerd heeft om levende wezens te laten overleven in steeds weer veranderende levensomstandigheden. Praktisch betekent het dat we in eerste instantie moeten bepalen welke eigenschappen we beogen.

Vervolgens moeten we de kolonies op onze standen gaan beoordelen voor die eigenschappen. Tenslotte moet de beoordeling van onze kolonies leiden tot het vervangen van moeren en/of opdoeken van kolonies die niet voldoen, respectievelijk het kweken van jonge moeren en/of opbouwen van jonge volken uit kolonies met gewenste eigenschappen.

Een praktisch voorbeeld van hoe selectie werkt, maakt één en ander misschien duidelijker. Stel dat we een grote bijenpopulatie hebben waarvan we voor elk volk de honingopbrengst kennen. Als we de honingopbrengst en de frequentie waarmee deze voorkomt grafisch gaan uitzetten, dan bekomen we een klokvormige kromme of zogenaamde Gausskurve (Fig. 12). De gemiddelde productie van de populatie (Xp) bedraagt zo'n 24 kg. Die populatie gaan selecteren betekent dat we van de oorspronkelijke populatie slechts een beperkt aantal kolonies de kans geven om zich voort te planten en een bijdrage te leveren voor de genetische samenstelling van de volgende generatie.

f2Selectie wordt strenger naarmate het opfokpercentage (aantal uitgelezen kolonies/totaal populatie) kleiner is. Het verschil tussen de gemiddelde opbrengst van de populatie (Xp) en de gemiddelde opbrengst van de uitgelezen volken (Xr ) is de selectiedifferentiaal (SD). Het selectie-effect: SE = h2 x SD, waarbij h2 de erfelijkheidsgraad is voor het kenmerk honingopbrengst (= 0,25). Xf is dan de te verwachten gemiddelde productie van de volgende generatie.

Het resultaat van selectie hangt behalve van de strengheid van selectie ook af van het feit dat men beide geslachten bij de selectie kan betrekken. Kan men alleen selecteren in vrouwelijke lijn, zoals doorgaans gebeurt, dan is het selectie-effect maar half zo groot als dat men de jonge moeren bijvoorbeeld naar een paringstand zou brengen waar darren van uitgelezen afkomst aanwezig zijn.

De nodige bijenteelttechnische methoden (moerteelt, opzetten jonge volken, enz.) zouden een integrerend deel moeten uitmaken van de bedrijfsvoering op iedere stand. Ze zijn eventueel ook best te combineren met zwermbeheersende methoden. Die technieken worden overigens al jaren uitvoerig toegelicht op de diverse imkercursussen die overal in Vlaanderen worden georganiseerd. Als 'iedereen' op eigen stand het nodige zou doen om systematisch volken met ongunstige eigenschappen te elimineren en deze met gewenste eigenschappen voort te zetten, dan zou Vlaanderen 'één groot selectiestation zijn', maar dat is helaas wishful thinking ...

Sommigen hebben er blijkbaar moeite mee om die elementaire ingrepen in de prakrijk te brengen. Vooral echter heeft zowat iedereen zijn eigenzinnig idee van 'de ideale bij'. Vermits bijenkoninginnen in alle mogelijke schakeringen te koop zijn, desnoods aan de andere kant van de wereld, moeten we niet verwonderd zijn over de kakofonie van genetisch materiaal die ieder jaar op onze standen wordt gebracht en de gevolgen daarvan voor onze bijenstapel…

Werken met de bijen die er zijn, namelijk gehybridiseerde inheemse bijen, wordt steeds moeilijker. Die populatie gaan selecteren is een onbegonnen zaak, omdat daarvoor niet alleen de middelen en mogelijkheden ontbreken, maar ook omdat er geen enkel perspectief is, dat die met veel moeite verkregen 'nieuwe bij', méér zal zijn dan één van de vele bijenvariëteiten die al op onze standen floreren.

Vroeger werd nog gespeculeerd met de idee dat men onze hele bijenstapel kon omschakelen naar één of andere geselecteerde populatie en als het ware met een schone lei kon herbeginnen.

Afgezien van het feit dat het weinig waarschijnlijk is dat alle imkers zich nu ineens wel zouden houden aan de principes van selectie op eigen stand, lijkt het ons nog minder waarschijnlijk dat in onze imkersgemeenschap een consensus zou gevonden worden voor één bepaald soort bij. Persoonlijke voorkeuren en vooroordelen prevaleren meestal op gezond verstand en een pragmatische keuze waarbij iedereen belang zou hebben.

Blijkbaar hebben wij ook zo van die genen die hun eigen weg gaan ... In die omstandigheden zal iedereen die goede en handelbare bijen wil, zelf het heft in handen moeten nemen.

f3

Selectie op eigen stand

Iedere imker kan op een snelle en goedkope manier goede en handelbare bijen op zijn stand hebben. Het volstaat daarvoor om jaarlijks teeltmateriaal (larfjes) afkomstig van een gekende geselecteerde populatie aan te schaffen en daar een aantal jonge koninginnen uit te kweken. Die jonge koninginnen kunnen dan gebruikt worden om oude moeren of moeren die niet voldoen te vervangen of om er jonge volken mee op te bouwen.

f4Terloops willen we hier het belang van die jonge volken toch aanstippen. Regelmatig minderwaardige volken verenigen of opdoeken, veronderstelt dat we regelmatig ook moeten zorgen voor nieuwe volken. Kwestie van het aantal kolonies op onze stand ongeveer gelijk te houden.

Een alternatief om aan teeltmateriaal te geraken is het zelf aanschaffen van een teeltmoer. Dat is niet alleen een duurdere oplossing, maar het kweken van koninginnen is ook iets gecompliceerder.

f5Daar waar de larfjes die men aanschaft al aangenomen zijn door de bijen en nog alleen maar in een pleegvolk dienen gebracht, moeten hier nog eerst ééndaagse larfjes getransfereerd worden in moercellen en moeten deze nog door de bijen aangenomen en in verpleging genomen worden. In tegenstelling tot een overlarver die over meerdere verwante teeltmoeren beschikt en derhalve nog een keuze kan maken, valt er met één teeltmoer niet veel meer te kiezen. Verwacht men van een duur betaalde teeltmoer dat ze goede eigenschappen heeft, dan kan niemand bij voorbaat bevestigen dat het inderdaad ook zo zal zijn. Enkel de resultaten na één legjaar kunnen daarover enig uitsluitsel geven.

Worden onze jonge koninginnen op eigen stand ter paring opgesteld, dan zijn dat zogenaamde 'F1-moeren'. Ofschoon het hier om een kruising gaat, zijn deze normaal gezien goed geschikt voor productievolken. De mededeling van sommige imkers dat deze F1-moeren in de laatste jaren minder handelbaar zouden geworden zijn, verdient zeker onze aandacht en verder onderzoek. Als dat inderdaad het geval zou zijn, dan wordt het hebben van betere bijen nog wat ingewikkelder.

f6Duidelijk is alvast dat uit deze moeren verder kweken stellig af te raden is omdat door uitmendeling van de genetische eigenschappen ongunstige eigenschappen als bijvoorbeeld lopen over de ramen en agressiviteit op de voorgrond treden en dat kan wel eens snel tot onhandelbare bijen leiden. Men kan de jonge moeren ook naar een geïsoleerde paringstand brengen waar uitgelezen darrenvolken van dezelfde populatie opgesteld staan. Voor imkers die met carnicateeltmateriaal werken kan dat bijvoorbeeld Kreverhille in Zeeuws-Vlaanderen of één van de Duitse paringseilanden in de Waddenzee (Juist, Norderney, Langeoog, Spiekeroog, Wangerooge, List/Silt) zijn. Ook voor buckfastimkers en mensen die bezig zijn met mellifera-bijen bestaan deze faciliteiten. Voor de eersten zijn er de paringstanden van Marken, Ameland en Baltrum en in Virelles/Chimay kunnen diegenen terecht die een paringstand voor zwarte bijen zoeken.

Let wel dat je om naar een paringstand te gaan, de gepaste paringskastjes en de nodige gezondheidscertificaten moet hebben en dat er een vergoeding gevraagd wordt om de kastjes te laten opstellen. Voor verplaatsing naar het noorden van Duitsland moeten ook nog eens transportkosten in rekening gebracht worden. Het is dan ook niet zinvol om individueel met slechts enkele paringskastjes zo'n verre verplaatsing te maken. Het is interessanter om daarvoor gemeenschappelijk transport te organiseren zodat veel kastjes ineens kunnen vervoerd worden en daarmee de kostprijs gedrukt. Houd er ook rekening mee dat op de verschillende eilanden verschillende linies van carnica's en buckfasten opgesteld worden. Dat is ook zo in Virelles voor de mellifera's. Een keuze maken staat in functie van de afkomst van de jonge moeren en van de noodzaak om jaarlijks van linie te wisselen om inteelt te voorkomen.

Een paringstand als Kreverhille is voor de doorsnee imker ideaal om op een goedkope en eenvoudige manier aan degelijke bijen te geraken. Zo'n paringstand uit de grond stampen en in stand houden vraagt echter niet alleen financiële middelen, maar ook en vooral de voortdurende inzet van talrijke vrijwilligers. Het valt dan ook te betreuren dat sommigen omwille van god weet welke persoonlijke frustraties proberen om de zaak de grond in te boren door doelbewust volken van ongewenste afstamming in de buurt te gaan plaatsen. Beseffen die mensen dan niet dat zij daarmee niet zozeer de initiatiefnemers schade berokkenen, maar vooral hun talrijke collega's treffen die op die manier het recht ontzegd worden op degelijke bijen.

Een ander alternatief voor paring op eigen stand zou kunstmatige inseminatie (KI) kunnen zijn. De keuze van de darren die sperma leveren, vraagt wel de nodige aandacht. Darren van verwante kolonies gaan gebruiken leidt zeer snel tot inteelt en de daaraan verbonden problemen. Belangrijk is ook dat de kolonies die darren zullen moeten leveren in optimale condities worden opgekweekt.

f7Weelde en overvloed zijn noodzakelijk om veel darren te hebben die voldoende sperma beschikbaar stellen. Het is echter de vraag, in hoeverre het zinvol is zich dure KI-apparatuur aan te schaffen en tijd te investeren in scholing als men jaarlijks slechts een handvol moeren moet insemineren. Temeer dat te weinig ervaring en routine problemen kunnen opleveren en de resultaten daardoor te wensen kunnen overlaten. Hier dringt zich dus samenwerking op en het zou beter zijn om een aantal 'KI-stations' ter beschikking te hebben, waar de imkers met hun jonge moeren terechtkunnen voor inseminatie. Het spreekt voor zich dat de inseminator daarvoor een billijke vergoeding moet krijgen.

In het verleden werden meerdere KI-cursussen georganiseerd om mensen te scholen, maar tot het ontstaan van KI-stations heeft dat tot nog toe niet geleid.

Mensen die de techniek van het insemineren onder de knie hebben en bereid zijn hun kennis en kunde ter beschikking te stellen, zijn even belangrijk als overlarvers en moertelers ... Tenslotte nog dit: goede bijen zijn iets waar men iedere dag moet aan werken en het feit dat alle kolonies op onze standen een moer van goede herkomst hebben, betekent nog niet dat alle kolonies de goede eigenschappen hebben die we op grond van hun afkomst verwachten. Derhalve zullen we onze volken voortdurend moeten opvolgen en deze die niet voldoen een nieuwe jonge moer geven, ze verenigen met een volk dat wel voldoet of ze gewoonweg opdoeken.

Dat beduidt ook dat we elk jaar opnieuw degelijk teeltmateriaal moeten aanschaffen en daar een aantal jonge koninginnen moeten uit kweken. Daarmee doen we alleen wat de natuur ons al altijd heeft voorgedaan, behalve dan dat wij zelf de touwtjes in handen hebben.

Echt aan selectie gaan doen

Zelf een selectieprogramma beginnen veronderstelt in eerste instantie dat men kan vertrekken van een bestaande geselecteerde populatie. Daarbij zouden minstens twintig bijenkolonies ingezet moeten worden. Om over langere tijd zonder inteeltproblemen te kunnen werken is dat aantal veel te weinig. Derhalve is samenwerking van meerdere telers hier de enige uitkomst. In Duitsland werken telers al jaren samen in zogenaamde Züchterringe en er is geen enkele reden waarom zoiets bij ons ook niet mogelijk zou zijn. Dat de medewerkers aan zo'n 'teeltgroep' goed op mekaar afgestemd moeten zijn en best ook technisch begeleid worden, ligt voor de hand.

Belangrijk voor zo'n teeltgroep is een accurate beoordeling van de eigenschappen der beschikbare kolonies. Uit die beoordeling moet dan een berekening van de teeltwaarde volgen en op basis daarvan kunnen dan de kolonies gekozen worden waaruit wordt verder gekweekt.

f8Om de gekweekte jonge moeren te laten paren met geëigende en geselecteerde darren, is het eenvoudigst om gebruik te maken van de faciliteiten die onze Duitse en Nederlandse collega's ter beschikking hebben, namelijk de geïsoleerde paringstanden die ingericht zijn op verschillende eilanden voor de Duitse en Nederlandse kust.

Willen we zelf voor de gecontroleerde paring instaan, dan is kunstmatige inseminatie (KI) de enige uitweg. We moeten er ons dan wel van bewust zijn dat het nog een stuk ingewikkelder en omvattender wordt vermits er ook nog voor geschikte darren moet gezorgd worden.

We gaan hier niet dieper in op de praktische uitbouw van een teeltgroep of de uitwerking van selectieprogramma' s. Dit zou ons op te specialistisch terrein brengen en daar heeft de doorsnee imker geen boodschap aan. Op studiedagen en in specifieke publicaties zal voor geïnteresseerden zeker op die problematiek verder ingegaan worden.