Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 96
Jaar: 2010
Maand: september
Auteurs: Anton Van Derbeken

Duurzaam imkeren en koninginnen telen

De imkerij was vroeger een vorm van landbouw. Op elke hofstede stonden een paar bijenkasten. Nu is dit ambacht in Vlaanderen verschoven naar een groepje ‘zonderlinge’ mensen. In andere landen en continenten is het een vorm van grootschalige landbouw geworden. Welke vorm van imkerij is houdbaar op lange termijn? Welke evolutie moeten we volgen om duurzaam met onze bijen om te gaan?

‘Om succesvol te kunnen zijn, is meer nodig dan op succes gericht te zijn.’ (James C. Collins)

Wie met de gevleugelde diertjes is begaan, ziet overal rond zich bijenvolken verdwijnen. Het fenomeen heet onder meer CCD (Colony Collapse Disorder) of verdwijnziekte. De wetenschappers van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen bevestigen de wereldwijde visie, dat de mens momenteel verantwoordelijk is voor een nieuwe uitstervingsgolf van soorten, vergelijkbaar met de extinctiegolf die 65 miljoen jaar geleden de dino’s van onze planeet veegde. Zijn onze bijen één van de soorten die we mee uitroeien?

Wereldwijd stellen biologen dat de biodiversiteit ernstig wordt bedreigd. Om de toestand in Vlaanderen te kennen, hanteren we enkele objectieve parameters. Een belangrijke groep van deze parameters zijn de bio-indicatoren van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek (INBO). Een bioindicator is een karakteristiek organisme voor specifieke milieuomstandigheden of specifieke natuurtypen. Uit de aan- of afwezigheid van dergelijke soorten, kunnen conclusies getrokken worden over de toestand van het milieu en de natuur. Onze bijen zijn ook bio-indicatoren. Als ze het niet goed doen, dan is dit mogelijk te wijten aan de kwaliteit van hun omgeving.

Je hoeft echter geen bioloog te zijn om te zien wat er rondom je gebeurt. Ik som enkele vaststellingen op: De omgeving wordt grootschalig. Zowel de industrie, de bewoning, de landbouw als het transport hanteert grootschalige normen. Van een natuurlijke omgeving is al lang geen sprake meer. Het is dan ook vanzelfsprekend dat de bioindicatoren rood tekenen. Wie het reilen en zeilen kent in een bijenvolk weet dat men met grootschalige activiteiten snel het deksel op de neus krijgt.

‘Feiten dringen nauwelijks door in de wereld van onze overtuigingen.’ (Marcel Proust)

Bijenvolken leven in optimale omstandigheden als ze het jaar rond een natuurlijke vegetatie aantreffen met voldoende nectar- en stuifmeelaanbod. Bijen bestaan al miljoenen jaren langer dan mensen, ze weten precies wat ze nodig hebben en ze worden bij voorkeur zo weinig mogelijk gestoord. Een imker die honing wil oogsten, zal dus rekening moeten houden met de eigenschappen van zijn bijen. Dat gaat zowel over de technische noden van kasten en ingrepen, maar ook over de genetische eigenschappen van de bijenvolken en de toestand van de omgeving. De mens heeft het, naar eigen bevinden, zeer ver geschopt met de technische verwezenlijking in de landbouw. Hij kweekt rundvee, varkens, kippen en andere diersoorten die in één generatie zouden uitsterven in een natuurlijke omgeving. Vanaf het zaad worden de landbouwgewassen behandeld met bestrijdingsmiddelen die de individuele plant beschermen, maar die een ramp zijn voor het ecologisch evenwicht. De mens kent maar een klein gedeelte van de organismen in zijn omgeving, laat staan dat hij alles weet over hun interactie of over de invloed bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

f1Doorgedreven selectie heeft ook beperkingen. Als we ervoor kiezen om te selecteren naar rundveevleesrassen die bij elke worp een keizersnede moeten ondergaan of naar een uniforme kastomaat, dan is dat een economische keuze. Een dergelijke ‘veredelde’ soort heeft een beperkte ecologische interactie met andere soorten. Het zijn dieren of planten die geen natuurlijke voeding krijgen en op vele vlakken geen natuurlijk proces meer meemaken. Als we hetzelfde doen met bijen, wordt het al iets moeilijker. Bijen zijn heel sterk afhankelijk van hun omgeving. Het is een gegeven dat we niet kunnen loskoppelen van de soort. De honingbij zal altijd een ‘wild’ dier blijven, precies vanwege de afhankelijk van haar ‘wilde’ omgeving. Hoe meer de mens gaat knoeien met die omgeving, hoe moeilijker de bijen het krijgen.

De moderne imker haalt momenteel bij voorkeur zijn koninginnen bij gespecialiseerde koninginnenkwekers. Vroeger deden ze het ouderwets. Een volk kon zwermen of de imker maakte afleggers op een zo natuurlijk mogelijke wijze. Tegenwoordig mag een volk niet meer zwermen. Het is als kinderen grootbrengen die niet mogen spelen of een haan houden die niet mag kraaien. Er zijn nochtans heel wat goede redenen om verder te telen met de beste volken op de eigen bijenstand. Er is niets verkeerd aan het kleinschalig en lokaal selecteren van de beste volken. Goede eigenschappen zoals zwermtraagheid, raamvastheid, zachtaardigheid en honingopbrengst zijn interessante eigenschappen voor de imker. Maar laat ons de lokale biodiversiteit daarom niet uit het oog verliezen. We hoeven niet te kiezen tussen het een of het ander. Het is perfect mogelijk om op de eigen bijenstand verder te telen van zelf uitgekozen volken, zonder verlies van eigenschappen. De methode is honderden, duizenden jaren succesvol gebleken maar nu ben je niet meer ‘mee’ met je tijd als je het doet zoals vroeger.

f2Ik ken geen enkele diersoort met het wispelturige gedrag van de mens.

In de loop van de geschiedenis is het gedrag van de mens voortdurend veranderd. Het evolueert naarmate zijn visie en kennis groeit. De wijze waarop Darwin en Wallace, twee van onze meest bekende natuurvorserswetenschappers uit de 19de eeuw, in hun tijd de wetenschap beoefenden, is momenteel ondenkbaar. Wie denkt dat de wetenschap en ons gedrag binnen vijftig of honderd jaar nog hetzelfde zullen zijn, zou vreemd opkijken bij een reis in de toekomst. Het biologisch gedrag en het instinct van de meeste diersoorten evolueren zeker niet zo snel. Het is dus een utopie om te stellen dat de honingbij, die op honderden manieren aangepast is aan haar omgeving, zich in een paar decennia genetisch zou aanpassen aan menselijk ingrijpen.

Broeder Adam was met de teelt van zijn buckfastbijen zijn tijd ver vooruit. Toch had hij vooral oog voor de economische aspecten van het imkeren en de belangen van de imker. Het inbrengen van exotisch genetisch materiaal was toen een bewuste keuze, onder meer vanwege de decimering van de Engelse bijen in die tijd. Hij had ook kunnen opteren om vanuit een ziekteresistente restpopulatie een nieuwe selectie op te bouwen. Het is niet aan ons om te oordelen over zijn daden. Zijn visie was een mijlpaal.

De koninginnenkwekers, die ik persoonlijk ken, zijn meesters in hun vak. Het zijn de beste imkers van de klas en ze beoefenen hun taak met de grootste zorg, kennis en heel veel liefde. Ik luister met heel veel aandacht naar hun methodes en technieken en elke keer leer ik dingen uit de praktijk.

Genetische diversiteit

We weten dat een koningin kan paren met een tiental verschillende darren. Dat is het resultaat van een natuurlijk evolutieproces dat al enkele miljoenen jaren loopt.

Aangezien de werksters allemaal dezelfde moeder hebben maar niet dezelfde vader is dat een garantie voor een ruime, genetische diversiteit binnen een volk. Er ontstaan op die manier subgroepen in een bijenvolk, die verschillende genetische eigenschappen hebben.

Deze differentiatie maakt dat het volk zeer flexibel kan omgaan met wisselende omstandigheden. Elke streek heeft een eigen klimaat. Dat kan lokaal zeer sterk verschillen.

De fauna en de flora passen zich genetisch aan aan het plaatselijke ecosysteem. Deze aanpassingen richten zich op: de klimatologische en geografische omstandigheden, de lokale rijkdom aan voedselbronnen en predatoren, de timing van de voortplanting in relatie met de eigen omgeving. De soorten die overleven behouden die eigenschappen in hun genetische code en kunnen zich zo aanpassen aan de steeds wisselende plaatselijke omstandigheden.

Als gevolg van verschillende omstandigheden ontstaan, binnen heel wat planten- en diersoorten, eerst subsoorten. Subsoorten hebben afwijkende kenmerken van de algemene soort. Bij planten kan dit een gevolg zijn van andere bodemomstandigheden, of van geografische en klimatologische verschillen. Maar een mutatie is ook mogelijk. Wij merken die kleine aanpassingen en verschillen meestal niet op. Het is logisch dat bijenvolken in Scandinavië verschillen van bijenvolken bij ons of van die in zuiderse landen. We begrijpen wel dat de tonglengte van nectaretende insecten in relatie staat met de planten die er groeien.

We begrijpen ook dat de timing van de opbouw van het nest, in een bijenkolonie, in relatie staat met het stuifmeelaanbod. Het is bijgevolg logisch dat de honingbij zich ook aanpast aan tientallen andere kenmerken van een bepaalde regio.

Het is beter te streven naar een lokale diversiteit, die onze bijenvolken versterkt, dan teeltmateriaal van over heel de wereld in te voeren.

Laat ons niet de pretentie hebben dat wij de genetische diversiteit van onze bijenvolken kunnen of moeten controleren. We kunnen hoogstens wat bijsturen, maar dan enkel voor die eigenschappen die de imker belangrijk vindt. Ik ben geen tegenstander van selectie, integendeel, maar graag met respect voor de lokale diversiteit. Hier kan een belangrijke taak weggelegd zijn voor de imkersbonden. Zij hebben de kennis in huis om selectie te organiseren. Het eerste wat ze echter moeten doen, is een unanieme langetermijnvisie ontwikkelen. Va n heel w t genetische eigenschappen en natuurlijke processen blijven we beter af. De inbreng van exotische soorten leidt soms tot onomkeerbare problemen die zich pas op lange termijn, op een natuurlijke wijze, oplossen. De verspreiding van de varroamijt moge hiervan een duidelijk voorbeeld zijn.

Kunstmatige koninginnenteelt

De kunstmatige teelt van koninginnen levert het volk nooit de koningin van hun keuze. Dat aspect alleen al zou een reden moeten zijn om af te zien van kunstmatige koninginnenteelt.

‘Een bijenvolk kan als het ware de genetische code van zijn koningin en van zijn soortgenoten lezen’, schrijft Jurgen Tautz. Hoe groter de genetische verschillen van de nieuwe koningin met het volk, hoe groter de kans dat dit volk de koningin zal vervangen op korte termijn. Een exotische koningin kan wel prachtig zijn, maar ze heeft een andere cultuur, een andere taal en totaal verschillende genetische eigenschappen. Het is niet anders bij bijen als bij mensen.

Natuurlijke koninginnencellen

Koninginnenbrij bepaalt of een larve uitgroeit tot een werkster of tot een koningin. De samenstelling van de koninginnenbrij voor koninginnenlarven of werksterlarven is vanaf de eerste dag sterk verschillend. Een koningin uit een werksterlarve van één of twee dagen oud, zal nooit perfect zijn, omdat het voedsel dat die larve krijgt verschillend is van dat van een natuurlijke koningin. Het is mijn overtuiging dat een kunstmatig geteelde koningin altijd afwijkend zal zijn van een natuurlijk geteelde koningin. Het optrekken van redcellen is een overlevingsstrategie die niet de voorkeur wegdraagt van de bijen. Het is een reactie op een noodsituatie. Imkers die bij hun teeltmethode gebruik maken van meerdaagse larven, doen afbreuk aan bepaalde facetten van het miljoenen jaren oude selectieproces. We weten dat koninginnencellen vaak gebouwd worden aan de rand van de broedkamer. Ook dat heeft zijn redenen.

Broedtemperatuur

f3Jurgen Tautz ondervond dat de verscheidenheid bij bijen van eenzelfde volk ook te maken heeft met de broedtemperatuur. Een verschil van gemiddeld minder dan 1°C is voldoende om werksterbijen die ontwikkelen in een koelere broedcel andere taken te laten uitvoeren en andere eigenschappen mee te geven dan hun zusters uit warmere broedcellen. We weten dat de bijen de temperatuur van elke cel afzonderlijk, heel nauwkeurig regelen.

Als we dit gegeven doortrekken naar de koninginnenteelt dan is geen enkele koninginnenkweker in staat om met de temperatuurregeling van de broedstoof hetzelfde te doen. Enkel het bijenvolk kan dit proces sturen. De mens heeft soms de pretentie om te stellen dat hij er alles van afweet maar het tegendeel is waar. Laat de keuze en de kweek van een koningin – het pareltje van een bijenvolk – dus liever over aan de bijen zelf, wij kunnen het echt niet beter. Dat hebben ze al miljoenen jaren lang bewezen.