Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 96
Jaar: 2010
Maand: december
Auteurs: Ludo De Clercq

De zwarte bij

 

f1Imkers zijn een zeer heterogeen volkje. Hoe meer ik er ontmoet - als voordrachtgever zijn dat er nogal wat - hoe meer verschillen ik zie. Wat ons wél lijkt te verenigen, is het streven naar een zachte bij. Dat schijnt voor velen een soort Heilige Graal te zijn. Moeilijk of niet te vinden dus. Nochtans moet ik na dertig jaar imkeren, op mijn stand nog de eerste ‘vliegende punaise’ tegenkomen. Ik bezit zelfs geen kapruin of handschoenen, ook niet om een gebeurlijke zwerm te pakken.

 

Voor mij begon het allemaal in 1978, met een beginnerscursus in Grimbergen. Albert Van Assche – zaliger gedachtenis – trad daarbij op als peter. Dat kwam er in de praktijk op neer om ieder weekend zijn 140 volken te helpen bestieren. Zo leerde ik al snel hoe men met weinig werk, per kast, een goed resultaat haalt. Albert werkte met ‘zwartjes’ die hij zelf had veredeld uit materiaal dat hij van zijn vader erfde. Ik werk nog steeds verder op dezelfde basis.

Waar komt de zwarte bij vandaan?

f2De huidige verspreidingsgebieden van mellifera, iberica, ligustica, macedonica, anatoliaca, caucasica en carnica werden zo’n twaalfduizend jaar geleden vastgelegd, kort na het einde van de vorige ijstijd (zeg nooit laatste ijstijd). Mellifera heeft waarschijnlijk de ijstijd overleefd in een ijsvrije zone in Zuid-Frankrijk en Spanje en is van daar naar het noorden en oosten uitgezwermd. Het is moeilijk om ons voor te stellen hoe het weer was in Zuid- Frankrijk tijdens de ijstijd. Lange winters zoals vandaag in Canada, met temperaturen tot -40°C.

Korte, extreem hete zomers met ijskoude nachten, misschien best te vergelijken met een zomer in de steppen van Midden-Azië. Weinig neerslag, zeer sterke, uitdrogende winden, zoals de Mistral en de Föhn. Tegenover vandaag was het er ongeveer 15°C kouder, omdat de ijskap daar praktisch in de achtertuin zat. In diezelfde periode bevonden iberica, ligustica, carnica en caucasica zich in omstandigheden vergelijkbaar met de huidige situatie, zij het een tiental graden kouder dan nu.

Wat opvalt, is dat mellifera als enige een steppebij is, terwijl alle andere – ook iberica – bosbijen zijn. Er is een fundamenteel verschil in drachtaanbod. Het bos biedt een sterke concentratie aan lentebloeiers. Kleine knol- en bolgewassen zoals krokus en boshyacint, bomen zoals wilg en fruit. Iets later de voor ons uitheemse kastanjes en pseudoacacia, daarna de linde, allen afkomstig uit het zuiden en het oosten. Alle latere bloeiers zijn ook vandaag exoten. De steppe kent vooral een- en tweejarige planten en overlevende kruiden die, gespreid over het jaar, kunnen bloeien omdat ze zeer lichte zaden produceren met korte rijpingstijd, en geen vruchten dragen. Dat verklaart mogelijk het langer voortdurend haalgedrag van de mellifera. Iberica ziet er uiterlijk uit als mellifera, maar verschilt sterk qua gedrag. Waarschijnlijk om dezelfde reden.

Toen de ijskappen zich twaalfduizend jaar geleden terugtrokken was de zwarte bij de enige die niet door bergketens zat opgesloten. Daardoor is ze letterlijk uitgezwermd over de oprukkende steppen en heeft ze zo het Europese continent veroverd tot aan de Oeral. Door de stijgende zeespiegel werd de populatie ten zuiden van de Pyreneeën afgezonderd. Deze evolueerde apart naar de A.m. iberica.

f3Tijdens haar migratie is er natuurlijk enige diversificatie opgetreden. Ze heten wel allemaal mellifera, maar het verschil tussen bijen uit Madrid, Brussel en Moskou is minstens zo groot als dat tussen een carnica, cecropia en een alpina. Volgens Jurgen Vandebotermet zou het verschil zelfs nog groter zijn, hoewel de bijen er uiterlijk identiek uitzien. De echte zwarte bij is inheems in Zwitserland en heet A. m. nigra. Bij ons en in Pommeren is er de bruine bij, A. m. mellifera. In het noorden heet ze heidebij, A. m. lehzeni. Ik zal ze verder allemaal ‘zwarte bij’ noemen, omdat dat de gangbare naam is.

Gedrag en eigenschappen

De zwarte bij vliegt bij een lagere temperatuur 7°C i.p.v. 10°C voor de andere rassen (volgens Jurgen Vandebotermet zelfs vanaf 5,5°C) en start daardoor vroeger in de lente.

De lenteontwikkeling is langzaam en lineair niet explosief zoals bij carnica, maar door vrij groot te overwinteren gecombineerd met een vroege start komt ze normaal goed tot haar recht voor de lentehoning of het fruit. In het boekje Rasbepaling van de honingbij uit 1980 wordt beweerd dat de zwarte bij niet geschikt is voor de fruitdracht, maar dat was toen al achterhaald. Ook in The hive and the Honey Bee vindt men dezelfde achterhaalde informatie.

f4Het natuurlijke gevolg van vijftig jaar wegkijken van de realiteit. Met de juiste inwinteringstechnieken komt ze sterk uit de winter en is de kans op een eerste hoogsel vol honing, in de derde week van april, zeer groot. Dat is dan gewoonlijk wilgenhoning, een zeer zachte honing die geliefd is bij kinderen. Even terzijde: in 1994 heb ik, om ANPraat uit te testen, tien carnicavolken aangekocht. In april 1995 kon ik van mijn zwartjes het eerste hoogseltje wilgenhoning oogsten, de carnica’s toonden nog geen teken van ontwikkeling. Een week later had ik tien carnicazwermen en liepen die kasten over van de bijen. Ik was mijn vroege, maar traag ontwikkelende zwartjes gewoon. De fout lag duidelijk bij mij. Met elk bijenras moet men leren werken. De zwarte bij is een grote, zware, robuuste bij die zelfs bij licht regenweer druk blijft vliegen. Het moet echt al serieus regenen en waaien voor de vliegbijen binnen blijven. Mellifera is iets groter dan carnica en ligustica, ze is een klein beetje langer, maar ze heeft vooral een plomper achterlijf en ze is veel groter dan buckfast (20-30%). Ze vliegt ’s morgens zeer vroeg, en ’s avonds tot het bijna te donker wordt om nog iets te zien. Ze vliegen dan waarschijnlijk op UV-licht.

De tong zou met 5,7 mm tot 6,4 mm korter zijn dan die van carnica (6,5 mm tot 6,7 mm), waardoor carnica beter geschikt is voor klaver.

Met de varroarooster volledig open, en een extra vliegopening boven de koninginnenrooster behoudt ze haar haaldrift en goede honingopbrengst ook bij extreem warm weer.

Ze zijn weinig raamvast, wat een vloek is voor de moerteler, maar een zegen voor de honingimker. Een beetje rook, en de hoogsels lopen al grotendeels leeg.

Ze is zeer zwermtraag. Bij mijn bijen is stille moerwisseling de regel en dat was al grotendeels zo bij Albert. Sinds ik de methode van frequente honingafname toepas, is er zelden sprake van een zwerm, en dat zonder ooit doppen te breken.

Broedziekten als vuilbroed en steenbroed heb ik nog niet meegemaakt. Een enkel volk vertoonde wel eens kalkbroed, maar nooit op een probleemniveau. De ziekte ging pas over na het hermoeren en is dus waarschijnlijk erfelijk bepaald. Ik heb nog geen nosema meegemaakt, maar er is een gul stuifmeelaanbod in de streek.

Vóór de varroamijt haar intrede deed, kon een volk wel eens exploderen tot een honderdduizendtal bijen. Met evenredig veel honing, maar bijna altijd met een zwerm. Sinds de varroa heb ik die zeer grote volken niet meer gezien.

Met de methode van frequente honingafname merk ik dat de zwarte bij zich goed aanpast aan de verminderde honingvoorraad, door een beperkt en zuinig broednest aan te leggen, met er omheen een royale honing- en stuifmeelkrans. Ook bij het stilvallen van een dracht past ze zich goed aan. Toch geeft dit sterke volken die qua honingopbrengst naast de beste reinteeltvolken mogen staan.

De haaldrift blijft bestaan tot in augustus, daar waar carnica op dezelfde locatie afhaakt midden juli. Dit geeft een kleine hoeveelheid extra kruidige zomerhoning.

Ze heeft de reputatie bijzonder goed op stuifmeel te vliegen en daardoor beter in en uit te winteren.

Ze heeft eveneens de reputatie van lang te leven, tien weken in de zomer i.p.v. zes weken voor andere rassen en de koninginnen tot acht jaar i.p.v. vijf jaar, maar hierop heb ik geen persoonlijke metingen gedaan.

Mijn bijen zijn op zijn minst zachtaardig te noemen, in die zin, dat met een beetje rook of waternevel de bijen gemakkelijk te sturen zijn. Het zijn wel niet de absolute ‘schaapjes’ die we tegenwoordig van de carnica en de buckfast gewoon zijn. Daar staat tegenover dat men zonder problemen even vóór de kasten kan gaan staan, terwijl ik, bij gereputeerde collega’s met reinteelt buckfasten, al enkele duidelijk gemeende steken in de broek kreeg door langzaam voor de kasten te lopen.

Mijn bruine bijen staan te midden van flatgebouwen van vijftien verdiepingen op een klein stukje groen! Ondanks haar zacht karakter verdedigt ze zich zeer goed tegen wespen.

Ze is zeer rooftraag. Misschien heeft ze een minder goed reukvermogen dan de buckfast- en ligusticabij. Ik ben eens een zak met lege ramen in de hal vergeten. ’s Anderendaags was er nog geen bij komen zien. Albert zaliger zei dat ze liever verse nectar halen dan oude honing eten.

Ze gebruiken beduidend meer propolis. Met de versnelde honingafname is dat geen probleem, maar wie maar twee keer per jaar oogst, vindt de ramen goed vastgekit.

De zwarte bij en rasbestendigheid

Ik imker, zoals gezegd, sinds dertig jaar met de zwarte bij op dezelfde plek, te midden van een aantal carnica- en buckfastimkers. Om nog maar te zwijgen van de tientallen bijenkasten die in de loop van het drachtseizoen in mijn buurt worden gezet.

Toen ik begon, zat er een beetje Italiaans bloed in mijn bijen. De verbastering gebeurde toen ligustica, in de jaren vijftig van de vorige eeuw, werd ingevoerd omdat de ‘Italianen’ zachtaardiger en vooral productiever waren.

Dat beetje ligustica is trouwens nog altijd aanwezig. Toch blijft de cubitaalindex stabiel: voor 90% beneden 2.0 en voor 100% beneden 2.1. De hantalindex en discoïdaalverschuiving (1) wijzen wel op 60% mengvormen. Dat kan deels te wijten zijn aan de mellifera ligustica heterosis (2) en waarschijnlijk ook voor een deel door enige buckfastsinmenging. Het gedrag van de bijen wordt er echter niet heterogeen door. Steeklust heb ik nooit ervaren. Ik krijg gemiddeld minder dan één steek per volk per jaar. Uit voorgaande meen ik te mogen afleiden dat de zwarte bij op een ander uur van de dag paart dan de andere rassen. Anders kan ik niet uitleggen dat mijn bijen na dertig jaar nog zo raszuiver zijn gebleven.

Als dat klopt, is het pleiten voor een raszuiver Vlaanderen niet echt belangrijk. Is er iemand op de hoogte van een wetenschappelijk onderzoek ter zake?

Het belang en de beperkingen bij het veredelen van bijen

In de landbouw werken alleen imkers met ‘wilde’ dieren, die in essentie voor zichzelf moeten kunnen zorgen. Bij onze zoektocht naar het veredelen van bijen, is het onmogelijk even ver te gaan als in de traditionele veeteelt. Wij zijn niet in staat bijen te kweken vergelijkbaar met vb. een dikbilrund dat uitsluitend door middel van een keizersnede kan geboren worden of zoals een vleesvarken dat enkel in een klimaatgeregelde stal tot wasdom kan komen.

Natuurlijk zijn koninginnenteelt en veredeling belangrijk, zeker bij het vermeerderen van het aantal kolonies. Hierbij zie ik als grote toegevoegde waarde, de bereidheid om van elkaar te leren en degelijke teeltstof uit te wisselen.

Als de dag ooit komt dat er een varroaresistente stam ontstaat, dan zal deze samenwerking toelaten om het goede materiaal op enkele jaren tijd over alle imkers te verdelen.

Onafhankelijk daarvan, denk ik dat we als imker het naast elkaar bestaan van verschillende bijenrassen moeten aanvaarden. Als een bepaald ras werkelijk superieur zou zijn, zouden de feiten de discussie al lang overbodig gemaakt hebben. En stellen dat naast elkaar leven niet kan, wordt volgens mij tegengesproken door mijn situatie.

Ik zou het zeer spijtig vinden als mijn ‘zwart materiaal’ verloren zou gaan. De wereldberoemde Belgische paleontoloog Louis Dollo (1857-1931) staat bekend om zijn natuurwet, de wet van onomkeerbaarheid van de evolutie (3): ‘een structuur of een orgaan dat verloren ging of verlaten werd in de loop van de evolutie, kan niet terugkeren binnen dezelfde lijn van organismen.’ Vandaag kennen we die wet als de vraag naar het behoud van de biodiversiteit. En die geldt natuurlijk ook voor onze bijen. Als men een soort, een ras, of zelfs maar een ecotype verliest, blijft de wereld telkens armer achter.

De zwarte bij kan zich meten met andere rassen

A l b e r t w a s de s t i j d s z e e r productiegericht. Hoewel hij zijn bijen erfde van zijn vader, denk ik niet dat hij zou geaarzeld hebben om over te schakelen naar een ander ras, als dat een betekenisvol voordeel zou geleverd hebben. Hij reisde niet met zijn bijen, maar haalde toen (in de jaren tachtig van de vorige eeuw) probleemloos opbrengsten die anderen haalden door te reizen met reinteelt carnica’s. En dat zonder actieve zwermbestrijding. Ik werk verder op dezelfde wijze, zij het met een verhoogde frequentie van de honingafname (wekelijks in de lente, alle twee à drie weken in de zomer). De laatste jaren neem ik zeven tot negen maal honing af in de loop van het seizoen, dat heeft een belangrijke stijging van de productiviteit tot gevolg. Sinds ik dat tijdens voordrachten vertel, hoor ik van andere imkers dat ze, bij carnica en buckfast, hetzelfde effect waarnemen. Dat effect is veel groter dan wat de literatuur vermeldt over de verschillen tussen stammen, en over de heterosis-effecten van hybride kruisingen.

En wie weet welk potentieel achter de ‘zwartjes’ verborgen ligt, wanneer die eens professioneel onderhanden genomen worden om te veredelen.

Niet alleen het ras is belangrijk

Als ik bedenk wat mij als imker vooruitbracht, speelt niet alleen het bijenras een belangrijke rol. Het rustig werken verklaart waarschijnlijk gedeeltelijk waarom ik weinig steken krijg en mijn bedrijfsmethode zorgt ervoor dat de honingopbrengst verdrievoudigt. De vaststelling dat de raammaat en het bijenras met elkaar wedijveren, is niet onbelangrijk Eens de extremen van te kleine en/of te grote kasten, van steekduivels en vleeskasten uit de weg geruimd zijn, is het in de eerste plaats aan de imker om te leren werken met het materiaal dat ter beschikking staat. Of men één romp met grote dan wel twee rompen met kleine ramen als broedruimte gebruikt, of voor het ene of andere ras kiest, maakt uiteindelijk niet zo veel uit. Het blijft een uitdaging om je bedrijfsmethode permanent aan te passen en op punt te stellen. En vergeet vooral niet te leren uit uw fouten. Uiteindelijk is het dat wat de bijenteelt boeiend maakt.

(1) Cubitaalindex, hantalindex en discoïdaalverschuiving zijn uiterlijke kenmerken van de vleugels die kunnen gebruikt worden wanneer men in een bepaalde regio vreemde inkruisingen wil opsporen.

(2) Heterosis of hybride-groeikracht is het effect dat de nakomeling het gemiddelde van één of meer eigenschappen van de beide ouders overtreft.

(3) Wet van Dollo (1890).