Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 98
Jaar: 2012
Maand: Mei
Auteurs: Norbert Nijs

moer-inbrengen-via-darrenuitlaat

Een boorgat in de voor- of achterwand van de bijenkast is één van de mogelijkheden om een uitweg te geven aan darren die boven een moerrooster opgesloten zitten. Dit gat, dat in het imkerjargon een 'darrenuitlaat' heet, bevindt zich gewoonlijk in het verlengde van de bijengang naast het middelste raam. Wie echter met dat doel gaten wil gaan boren in een bijenkast, dient eerst na te gaan in welke standaardmaten er ronde staven beschikbaar zijn in de houthandel.

Door de diameter van de gaten te laten overeenstemmen met een standaard handelsmaat van de staven, kan men gemakkelijk stoppen maken. Men zaagt de geschikte staaf gewoon in stukjes van ca 5 cm lengte die men aan één kant wat taps maakt met een houtvijl, dus lichtjes versmallend naar het uiteinde toe. Men heeft dan direct stoppen met het juiste formaat en ze zijn stevig, wat nodig is aangezien bijen ze meestal vastkitten zodat er enige kracht komt bij kijken om ze los te wrikken. Wijnfleskurken bijvoorbeeld zijn niet geschikt als stop. Ze breken te gemakkelijk af.

Werkwijze

Het zal wellicht verwondering wekken dat langs de darrenuitlaat een moer in een volk kan gebracht worden en zelfs op een bijzonder veilige wijze. Ik hang daarvoor tijdelijk een houten kastje tegen de achterwand van de broedkamer, over de darrenuitlaat (zie bijgaande foto). De moer wordt in het kastje opgesloten in een kegelvormig moerkooitje, het type kooitje waarmede moerdoppen gekooid worden in het kader van de moerteelt. Het kooitje staat rechtop in het kastje en wordt afgedekt met een rond houten dekseltje waarin centraal een houten staafje zit, diameter 6 mm, dat via een boorgat van eveneens 6 mm doorheen het plafond van het wandkastje loopt evenals doorheen een erop gelijmd houten blokje waarin het lichtjes klemt.

13 2

 

Door het staafje naar omhoog te trekken, wordt de moer bevrijd.
Dit gebeurt langs buiten zonder het wandkastje te openen zodat de bijen niet verontrust worden. Indien het staafje te los zou zitten, blokkeer ik het met een wasspeld zodat het niet terug naar beneden zakt. Een merkteken op het staafje duidt aan hoever het kan uitgetrokken worden zonder dat er bijen tussen het dekseltje en het plafond van het kastje kunnen geplet worden. Om het wandkastje tegen de bijenkast te bevestigen, zitten er in de wand van de kast, ter hoogte van de darrenuitlaat, twee houtschroeven die een triplexdikte uitspringen. Het wandkastje wordt over deze uitspringende schroeven gehangen via twee peervormige uitsnijdingen in zijn triplexrug. In deze rug zit er vanzelfsprekend ook een doorgang voor de bijen.

Deze is iets groter dan de darrenuitlaat om het kastje erover te kunnen plaatsen terwijl de stop er nog inzit. Deze wordt slechts verwijderd als het kastje (met opgesloten moer) op zijn plaats hangt. Het inbrengen van de moer kan aldus in alle rust worden voorbereid zonder gehinderd te worden door de bijen en, wat belangrijker is, zonder dat het de bijen stoort. De voorkant van het kastje wordt afgesloten met een glasplaatje en een plaatje karton. Dit laatste bevindt zich aan de buitenkant. In elke zijwand van het kastje zit een verticale gleuf waarin de plaatjes langs boven ingeschoven worden. Beide plaatjes zitten in dezelfde gleuven. Het karton houdt het daglicht buiten zodat de bijen in het kastje donker en afgeschermd van de buitenwereld zitten.

Omdat het karton apart kan in- en uitgeschoven worden, kan men 's anderendaags gemakkelijk controleren of alles goed verlopen is, zonder de bijen te storen. In de bodemvakjes van het kegelvormig kooitje komt er, zoals dat gebruikelijk is, wat voederdeeg en ik smeer ook wat deeg tegen de kooiwand om de bijen te lokken en ervoor te zorgen dat ze hun nieuwe moer snel vinden en snel contact maken.

Het volk is moer- en broedloos

Ik breng elk jaar de in het kader van de moerteelt opgekweekte moeren in bij gelegenheid van de aanmaak van de tussenafleggers. Dit gebeurt altijd juist na de arrestperiode tijdens welke de oude moer tussen twee moerroosters opgesloten zit in de bovenste bak van de tweedelige broedkamer. Deze bovenbak met moer en arrestbroed komt in de tussenaflegger boven de separator. De onderbak, waar op dat ogenblik geen broed meer aanwezig is, blijft onder de separator. In dit onderste moer- en broedloze deelvolk wordt de nieuwe moer ingebracht. 

Ik ga als volgt te werk: In de vroege namiddag, ca twee uur na aanmaak van de tussenaflegger, plaats ik het wandkastje, met de erin opgesloten jonge moer, tegen de wand van de bijenkast, over de darrenuitlaat. Ik verwijder onmiddellijk de stop en sluit het wandkastje snel af met het glazen paneeltje en het plaatje karton. De moerloosheid heeft dan al toegeslagen en de bijen zijn nog steeds in paniek op zoek naar hun oude moer. Ze vinden de nieuwe moer vrij snel. Ik laat alles op zijn beloop en wacht tot ongeveer acht uur 's avonds om ze te bevrijden door, zoals al vermeld, het staafje, dat doorheen het plafond van het wandkastje loopt, omhoog te trekken.

Ik doe dat traag en zeer voorzichtig om de bijen niet te storen en om zeker geen stress, agressie of wantrouwen op te wekken. Ik laat het plaatje karton onaangeroerd. Het binnenvallende licht zou de bijen verontrusten en het leven van de moer in gevaar kunnen brengen. De moer loopt nog dezelfde nacht op de raat zodat het wandkastje de volgende dag al kan verwijderd worden. Ik vind het een bijzonder prettige manier om een moer in te brengen. Ik pas deze werkwijze al een aantal jaren met goed gevolg toe en nog geen enkele moer werd afgewezen of door de bijen nadien vervangen via een stille moerwissel.

Temperatuur in kastje gaat snel omhoog

De eerste keer dat ik de beschreven methode uittestte en nog niet wist hoe het zou aflopen, plaatste ik uit voorzorg de buitenvoeler van een digitale thermometer in het wandkastje, via een boorgaatje doorheen de zijwand, om te controleren of de jonge moer het niet te koud zou hebben in haar kooitje. Dat bleek echter een totaal overbodige zorg. De bijen trekken namelijk zeer snel de temperatuur in het kastje op tot ruim boven de 30 graden, soms zelfs tot ca 34 -35 graden, gemeten tegen de buitenwand. Ik heb ondertussen ondervonden dat deze temperatuurstijging een waarborg is dat alles naar wens verloopt.

Toen ik namelijk eens op dezelfde wijze een nieuwe moer wilde inbrengen in een volk dat ik ten onrechte moerloos achtte, maar het dus niet was, bleef de temperatuurverhoging inderdaad achterwege. 
Op zich is het wel vreemd dat de confrontatie met de in het wandkastje opgesloten moer een hevigere reactie uitlokt bij een volk dat moer- en broedloos is dan bij een moergoed volk voor wie deze moer nu eenmaal een indringster is. Ik denk daarom dat het opwarmen van het kastje niet het gevolg is van de opwinding en drukte, maar dat de broedloze bijen bij het ontdekken van de moer onmiddellijk de ruimte op broedtemperatuur brengen om de moer aan te sporen zo snel mogelijk aan de leg te gaan. Het ontbreken van broed is inderdaad op dat ogenblik hun grootste bezorgdheid.

Het volk is moerloos maar niet broedloos13 1

Ik heb de beschreven methode ook al een paar keer toegepast bij een volk waaruit ik twee uur vooraf de moer verwijderde. Ook dan werd de nieuwe moer probleemloos aanvaard, hoewel de bijen over het nodige teeltmateriaal beschikten om er zelf één te kweken. Opmerkelijk is wel dat de bijen de temperatuur in het wandkastje in dit geval niet opdrijven. Interessant was wel de vaststelling tijdens een controle, twaalf dagen later, dat er open broed aanwezig was, dat enkel van de nieuwe moer kon afkomstig zijn omdat na negen dagen het broed van de vorige moer gesloten is. De ingebrachte moer bleef dus aan de leg. Het is dus niet zo dat een moer altijd wacht met de leg tot het broed van haar voorgangster uitgelopen is.

Alleen maar pluspunten

Het inbrengen van de moer via de darrenuitlaat heeft duidelijk een aantal voordelen in vergelijking met de klassieke inbrengmethodes:
1. Met behulp van een namaakdop of van een moerkooitje kan men onmogelijk een moer in een volk brengen zonder de kast te openen en zonder daardoor bij de bijen stress en agressie uit te lokken plus wantrouwen tegenover de moer, wat haar aanvaarding zeker niet ten goede komt. Dat negatieve klimaat is niet aanwezig als ze ingebracht wordt langs de darrenuitlaat omdat de kast niet opnieuw moet geopend worden.
2. Door na het verwijderen van de oude moer ca twee uur te wachten alvorens de nieuwe moer langs de darrenuitlaat in te brengen, is de agressie in het volk weg en gaat de moerloosheid al alles overheersen. Op het ogenblik dat ze contact met haar maken, bevinden de bijen zich al in de juiste stemming om haar te verwelkomen. Ze zullen haar direct aanhalen, wat niet het geval is als ze direct na het verwijderen van de oude moer ingebracht wordt. Vooral voor de moer maakt het een enorm verschil of ze in een volk komt dat haar aanvankelijk nog belaagt of in een volk dat haar direct aanhaalt.
3. Het kegelvormig kooitje is in het wandkastje langs alle kanten goed bereikbaar voor de bijen wat bijvoorbeeld niet het geval is bij een rechthoekig kooitje dat tussen twee ramen geduwd wordt. Ook dat begunstigt de toenadering tussen bijen en moer.
4. Via een gemakkelijk uit te voeren temperatuurmeting kan men de situatie evalueren en vergissingen vermijden.

Nabeschouwingen

Een moer dient dus geen dagen in een invoerkooitje te zitten wanneer ze in een volk gebracht wordt. Vereist is vanzelfsprekend dat de voorwaarden vervuld zijn om ze veilig in te brengen. De bijen bevinden zich ook liefst al in de juiste stemming om haar te verwelkomen. Concreet is dit de fase waarin de eventueel nog aanwezige feromonen van de vorige moer uitgewerkt zijn en waarin de bijen nog in een toestand van ontreddering naar haar op zoek zijn. In die periode sluiten ze elke vreemde moer vreugdevol in de armen.

Dat er geen stress en agressie opgewekt wordt, is denk ik het grootste voordeel bij het inbrengen van een moer langs de darrenuitlaat. Daardoor is er bij de bijen ook veel minder grond voor wantrouwen tegenover haar. Wanneer ze ingebracht wordt via een namaakdop of met een moerkooitje kan men dat niet vermijden.