Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: Juni
Auteurs: Wilfried Demeester

Koninginnen kweken en invoeren

Ik kweek ruim 25 jaar koninginnen en dit met wisselend succes. Tot voor twee jaar kweekte ik de moeren in de honingzolder van een moergoede kolonie. Ik startte met aangezogen larfjes van het overlarfsysteem, larfjes van ± 12 uur oud en van goede kwaliteit. En toch was de teelt niet altijd succesvol.

Vaststellingen

Bij telen boven de moerrooster in de honingzolder worden de cellen vaak reeds voor het inkooien ingebouwd. Ingebouwde cellen moeten dan voor het inkooien worden losgesneden. Zelfs bij zeer voorzichtig tewerk gaan, kan de larve hierbij beschadigd worden. Het lossnijden vraagt tijd waardoor de larve afkoelt. Bovendien denk ik dat ingebouwde cellen niet voldoende door de bijen verwarmd kunnen worden, waardoor de larve sterft of niet uitgroeit tot een vitale sterke moer.

25 1

Om het inbouwen van de moercellen te vermijden wordt dan ook aangeraden om op dag +5 in te kooien, dus 5 dagen na het afhalen van de larfjes (dag 0 = afhalen larfjes). Maar dat schept nieuwe problemen. Mijn overtuiging is dat bij minder goed weer met koude nachten, de bijen niet in staat zijn om de ingekooide cellen op temperatuur te houden. Gevolg hiervan is dat sommige larven sterven of dat kleine of minder vitale moeren worden geboren.

Ik stel mij ook de vraag of de bijen die vreemde kooien wel aantrekkelijk vinden om ze op temperatuur te houden. Bij warm weer met warme nachten lijken mij de resultaten toch wat beter te zijn.

Besluit

• Koninginnen moeten gekweekt worden in een kolonie die de moercellen niet of slechts in geringe mate inbouwen.

• Inkooien van de cellen moet zo laat mogelijk gebeuren, bijvoorbeeld op dag +10. De kwetsbaarheid is dan gering en de bijen zullen de cellen tot de laatste dag perfect op temperatuur houden. Vertrekt men met larfjes van 12 uur oud, dan worden de moeren geboren op dag +11. Begint de teelt met oudere larven, bv. van 36 uur oud, dan komen de moeren op dag +10 uit de cellen, wat niet positief is voor de kwaliteit.

• Uit ervaring en uit wat voorafgaat heb ik een teeltmethode ontwikkeld die veel betere resultaten oplevert.

Pleegvolk

Zie figuur 1

25 2

Het pleegvolk is een bijzondere sterke kolonie op 3 bakken met veel honing en stuifmeel. Het volk is gehuisvest in een simplexkast met gelijke ramen. Iedere kamer heeft 12 ramen. Bij mij zit dit pleegvolk op broedbeperking: 4 vulblokken, 1 darrenraat en nog 7 raten met werksterraat. Deze kolonie zal de aangezogen larfjes ontvangen en opkweken tot volwaardige, vitale moeren.

Kweken doe ik meestal begin juni, er is dan veel nectar en stuifmeel te halen, o.a. van de lindebloesem. Het gezonde pleegvolk heeft dan veel jonge bijen en broed. Bij nazicht is er geen aanzet van zwermcellen. De moer zit op broedbeperking, tussen twee roosters in de middelste broedkamer.

Klaarmaken van het pleegvolk

Zie figuur 2

De methode steunt op het feit dat het pleegvolk moerloos is op de dag dat de aangezogen larfjes worden afgehaald (dag 0). 9 à 10 dagen voor de start, zoek ik in de middelste broedkamer (A) de koningin op, en breng haar met het raam waarop ze zit, naar de onderste broedkamer. De rooster tussen de twee broedkamers blijft op zijn plaats.

Samen met de moer breng ik ook, indien nodig, 2 ramen met voer naar onder. In de middelste broedkamer vinden wij 9 à 10 dagen later op de dag van het afhalen van de gestarte larfjes geen open broed meer, wel veel gesloten broed, jonge bijen, stuifmeel en honing. De kolonie kan dus op dag 0 (afhalen larfjes) geen moercellen meer optrekken in de middelste broedkamer.

Dag 0, startdag van de teelt

Zie figuur 3

• Twee uur voor het inhangen van het teeltraam maak ik het pleegvolk klaar.

o De drie bakken worden van elkaar genomen. Op de bodem plaats ik de honingkamer (HK).

o Daarop de middelste broedkamer (BK A) zonder rooster.

o Boven BK A komt een separator. De separator met dubbele laag gaas zorgt voor dezelfde nestgeur in de drie bakken, maar er kan geen koninginnenstof worden doorgegeven.

o Daarop komt de onderste broedkamer (BK B) met de moer erin.

De twee onderste kamers op de bodemplank zijn nu hopeloos moerloos. De bijen van de bovenste broedkamer met de moer boven de separator verliezen een groot deel van hun vliegbijen, deze vervoegen de bijen in de onderste bakken. Het pleegvolk wordt dus nog eens versterkt, wat positief is voor de nodige broedwarmte. De bovenste broedkamer moet wel voldoende voer hebben, vermits deze de vliegbijen verliest.

• Twee uren later wordt het teeltraam toegediend.

o De middelste bak die het teeltraam moet ontvangen wordt gecontroleerd op moercellen. Eventuele moercellen worden vernietigd.

o Nu neem ik 1 vulblok weg uit kamer A en schuif de ramen op zodat er in het midden een opening blijft voor 1 raam (het teeltraam). Bij deze werkzaamheden laten de bijen onder de separator een bruisend geluid horen omdat ze moerloos zijn. Ze aanvaarden maar al te graag de aangeboden larfjes en zullen deze optimaal verzorgen.

o De separator en de bovenste broedkamer worden bovenaan geplaatst, daarna wordt goed geïsoleerd met een 8 cm dikke rotswolmat boven de dekplank. De cellen worden tijdens de komende vijf dagen mooi uitgebouwd zonder inbouwen, omdat een moerloos volk slechts weinig of geen bouwlust vertoont.

Teeltraam in broedstoof of broedkamer

Zie figuur 4

Op dag 5 zijn de moercellen gesloten. Het teeltraam neem ik weg, de cellen worden later ingekooid. Het teeltraam komt in de broedstoof die vooraf is ingeschakeld op 34,5°C tot 35°C. Met schoteltjes van verschillende grootte heb ik ook de vochtigheidsgraad geregeld op 60 à 65%. Op de schoteltjes gevuld met water ligt een stukje gaas. Zo kunnen eventueel vroeggeboren moeren niet verdrinken.

Op dag 9 of 10, naargelang de leeftijd van de startlarfjes, wordt het teeltraam uitgenomen en worden de cellen ingekooid. Deze zijn nu weinig kwetsbaar. Te kleine cellen worden vernietigd. Op de bodem van de kooitjes breng ik een beetje niet vloeibare deeg aan.

Nadat het teeltraam is weggenomen en naar de broedstoof wordt gebracht, wordt het pleegvolk in de oorspronkelijke toestand gebracht (zie figuur 4).

Je kunt ook zonder broedstoof werken en de moeren in het pleegvolk laten opgroeien, inkooien op dag, +9 of +10. Maar het gevaar voor ombouwen is dan wel aanwezig, zelfs in dit moerloos pleegvolk.

Selectie van jonge moeren25 3

Het is wenselijk dat de lege dop na geboorte van de moer nog een beetje brij bevat, die dan wel ten dele is opgedroogd. Het restje koninginnenbrij in de dop toont aan dat de moer geen tekort aan brij heeft gehad. Te kleine koninginnen worden doodgeknepen, moeren met gebreken aan poten, vleugels of voelhorens zijn eveneens waardeloos. Na geboorte en selectie worden de jonge moeren gemerkt.

Jonge moeren in ERK-kastjes met begeleidende bijen

Vooreerst worden de ERK-kastjes klaargemaakt en vooraf met een gasbrandertje ontsmet. Alles goed gereinigd, glaasjes helder gepoetst. Het voederbakje wordt volledig met deeg gevuld. Onderaan in het kastje leg ik ook een propje deeg.

Ik maak het deeg met 4 kg poedersuiker, 1,5 kg honing van eigen oogst, 4 soeplepels poedervormige biergist en 25 cc aminovitasol. Voor het vullen van een ERKkastje werk ik als volgt. Uit de honingkamers van verschillende volken die niet in zwermstemming zijn (geen zwermdoppen) veeg ik de bijen af in een plastiekbox. Ik laat de oude bijen afvliegen gedurende 15 minuten. Hierbij wordt de box af en toe tegen de grond gestoten, zodat de bijen naar beneden vallen.

De ERK-kastjes met bijen en de jonge moer, breng ik voor bevruchting naar het bevruchtingsstadion van Kreverhille. De bijen voor de ERKkastjes moeten 100% vrij zijn van darren. De bijen worden daarom met de darrenzeef behandeld. Veel darren zijn er niet, vermits de bijen uit de honingkamers werden genomen. Toch is het nodig om de laatste darren eruit te verwijderen. De darrenzeef die ik gebruik is zeer eenvoudig gemaakt.

Ze bestaat uit een bakje van 20 cm breed en 27 cm lang en 28 cm hoog, bovenaan voorzien van een uitschuifbaar deksel, in plexiglas. Onderaan het bakje is een moerrooster vastgeschroefd van 34 cm x 37 cm. Het geheel staat los op een plastiekbox waarvan de diameter bovenaan 31 cm is. De bijen worden in het bakje gegoten, deksel dicht en door stoten op de grond zullen ze rap door de rooster in de box terechtkomen. De darren blijven in het gesloten bakje achter en kunnen daarna verwijderd worden.

Wij hebben nu in de plastiekbox een hoeveelheid darrenvrije jonge bijen. Nu worden de bijen bestoven met zuiver water, maar maak ze niet te nat. Voor het bestuiven kan ook een oxaalzuuroplossing worden gebruikt om de varroa te doden. De oplossing maak ik met 2 gram oxaalzuurdihydraat, opgelost in 400 milliliter gedemineraliseerd water. Bij het bestuiven de box bewegen zodat alle bijen een beetje nat worden.

Een ERK-kastje vul ik met ¼ liter bijen. Vervolgens neem ik het kooitje met de jonge moer en benevel dit met een weinig zuiver water. De moer laat ik dan via de vliegopening van het ERK-kastje bij de bijen lopen. De kastjes worden nu gedurende drie dagen koel en donker opgesteld. Iedere dag krijgt elk kastje 3 à 4 cc zuiver water, dat ik met een injectiespuit door het verluchtingrooster op de bijen spuit.

Na deze drie dagen arrest, worden de kastjes in een goed geïsoleerd schuthuisje buiten geplaatst. Ze mogen dan op een kleine vliegspleet (de koningin mag er niet uit) nog twee dagen uitvliegen. De kastjes worden ver van de productiekasten en van elkaar op een rustige plaats opgesteld. Hierna wordt het deeg bijgevuld en krijgt elk kastje nog een extra hoeveelheid water. Zo zijn ze gereed voor het transport naar Kreverhille (Ossenise, Nederland).

Na een verblijf van 18 dagen op het bevruchtingsstation voor carnica komen de kastjes naar huis. Ze hebben reeds gesloten broed en kunnen nu gebruikt worden voor het maken van afleggers of voor de vervanging van moeren in de productiekasten.

Invoeren van een moer in een productiekast of aflegger

25 4Begin juli zijn de jonge moeren terug van Kreverhille en ze hebben broed in alle stadia. De kolonie die de moer moet ontvangen staat na de laatste slingerbeurt op twee kamers met daartussen een moerrooster, die tijdelijk op zijn plaats blijft. Ik verwijder eerst de oude moer.

Dit is eenvoudig omdat de moeren gemerkt zijn. Hierna leg ik bovenop de ramen van de bovenste kamer wat plat gerolde deeg. Hierdoor zullen de bijen rustig het invoeren van de nieuwe moer ondergaan. De voeropening van de dekplank wordt geopend, en op de dekplank leg ik een blad vers dagbladpapier dat met een nageltje is doorprikt. De vele gaatjes in het papier zorgen voor een gelijke nestgeur. Een van de glaasjes van het ERK-kastje wordt weggenomen, dat is het glaasje waaronder de jonge koninginnen zich niet bevindt.

Met de geopende zijde komt het kastje op het open voedergat van de dekplank. Het geheel wordt dan goed afgedekt met een rotswolmat. De eerste 10 dagen laat ik alles onaangeroerd met volstrekte rust. Na 10 dagen zie ik na of er geen doppen worden getrokken, die ik dan vernietig. Daarna wordt nog driemaal om de week gecontroleerd. Na 14 dagen neem ik het ERK-kastje weg, het wordt boven de bovenste kamer uitgeschud. Ook de moerrooster mag na drie weken worden weggenomen.

Soms plaats ik naast het ERK-kastje ook nog de voerbak. De opname van voer is altijd gunstig voor een rustige aanvaarding van de nieuwe koningin. Voor invoering van de moer in een aflegger kun je de methode volgen die ik heb beschreven in mijn vorige bijdrage (Maandblad, 2014 - 1, blz. 9).

Nog veel succes en steeds tot je dienst. Voor inlichtingen kun je mij bellen na 18 uur, 09/372.84.53.