Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 101
Jaar: 2015
Maand: Mei
Auteur : Jac Coolen

Koninginnenteelt in een verzamelbroedaflegger

Koninginnenteelt kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Bij de hierna beschreven methode wordt de teelt van jonge koninginnen gecombineerd met vertraging van het zwermen en het kweken van jonge volken. De methode kan al worden toegepast bij een aantal productievolken van ongeveer 5 tot 6 stuks. Meer nog dan voorheen is het kweken van jonge volken van levensbelang voor de imkerij. Zeker nu de imkerij te kampen heeft met ziekten onder de bijen. De kweek van nieuwe volken kan goed worden gecombineerd met effectieve bestrijding van bijvoorbeeld varroa.

23 1

Teelt in een moerloos volk

Allereerst het begrip 'moerloos volk'. Wat wordt daaronder verstaan? Onder een moerloos volk wordt in dit verband verstaan een volk dat met het oog op de koninginnenteelt moerloos is gemaakt en geen mogelijkheid meer heeft om uit eigen eitjes en/of larven een nieuwe koningin te kweken. Dus een hopeloos moerloos volk.

Voor de beschreven methode geldt het volgende stappenplan.

1) Samenstellen van een verzamelbroedaflegger

2) Hopeloos moerloos maken van deze aflegger

3) Overlarven in deze aflegger

4) Controle op het aannemen van de larfjes

5) Inkooien van de gesloten doppen

6) Opsplitsen van de aflegger

7) Controle leg jonge koningin

8) Varroabestrijding

9) Inwintering.

1.Samenstellen verzamelbroedaflegger

Ongeveer einde april worden uit elk productievolk twee raten met voornamelijk gesloten broed met opzittende bijen genomen. Er moet op worden gelet dat de raten ook een beetje open broed bevatten zodat de bijen redcellen kunnen aanzetten. Tevens moet er op gelet worden dat de koningin niet wordt meegenomen. Alle eventueel aanwezige zwermcellen worden verwijderd. Aangevuld met een raam voer worden deze raten in bijvoorbeeld een 11-raams kunststof kast gehangen. In het ideale geval bevat deze broedaflegger ongeveer 10.000 bijen en ongeveer 40.000 cellen gesloten broed.

De broedaflegger moet buiten het vliegbereik van de productievolken worden opgesteld. Gemakkelijk gaat dat als de broedaflegger wordt gemaakt van volken die elders op de voorjaarsdracht staan. De aflegger wordt dan mee naar de thuisstand genomen. Het afnemen van twee raten met gesloten broed en bijen voorkomt tevens het in een (te) vroeg stadium ontstaan van zwermneiging, omdat veel (meest jonge) bijen worden afgenomen. Uiteraard is het geen zwermverhinderingsmethode.

2. Hopeloos moerloos maken

van de broedaflegger

In de aflegger worden redcellen aangetrokken. Na 9 dagen worden deze redcellen gebroken. Er is dan ongeveer 9/12 deel van het gesloten broed uitgelopen. Dat zijn ongeveer 30.000 bijen. Het volk bestaat dan uit 11 dichtbezette ramen. Een ideaal pleegvolk en een ideale starter.

Het breken van de redcellen wordt gecombineerd met het onderzetten van een bak met redelijk gevulde voerramen. Deze voerramen kunnen afkomstig zijn van overtollige ramen met wintervoer. Het doel is tweeledig, er ontstaat ruimte voor het grote volk en de ramen met voer kunnen naderhand gebruikt worden bij het splitsen van de aflegger. Een bijkomend voordeel is dat bij goede dracht de doppen in het teeltraam niet zo snel worden ingebouwd. De werkwijze hierbij is als volgt. De bak met bijen wordt op het omgekeerde deksel geplaatst. Op de bodem komt de bak met voerramen en daarop een lege bak. In deze lege bak worden de raten gehangen nadat ze een voor een zijn afgeschud en nagekeken op redcellen.

3. Overlarven

Enkele uren na het verwijderen van de redcellen wordt in de aflegger een raam met twee latten jonge larven gehangen. In totaal ongeveer een twintigtal dopjes. Jonge larven van 1 tot 1,5 dag oud krijgt men door enkele dagen vóór het overlarven een mooi, enkele malen bebroed raam, midden in het broednest van het teeltvolk te hangen.

Het is om het even of droog of nat (met een beetje voederbrij) wordt overgelarfd. Ook niet van belang is of gebruik wordt gemaakt van wasdopjes of dopjes die van plastic zijn vervaardigd. Volgens deskundigen is hergebruik van was- en/of kunststofdopjes af te raden. Achtergebleven geursporen zouden kunnen leiden tot te vroege verzegeling van de doppen. (dr. Pia Aumeier, universiteit Bochum). Onderzoek heeft uitgewezen dat hoe sterker starter/pleegvolk, hoe hoger het aannamepercentage. Het raam met de larfjes worden midden in het volk gehangen. Het voerraam wordt verwijderd. Als er geen rijke dracht is wordt tot het moment dat de doppen worden gesloten iedere dag een beetje gevoerd.

 4. Controle op aanname larfjes

Na ongeveer een etmaal wordt gecontroleerd hoeveel larfjes zijn aangenomen. Zijn er dat (te) weinig dan kan het overlarven worden herhaald nadat eerst de wel aangenomen larfjes zijn verwijderd. Deze larfjes kunnen eventueel aan een ander pleegvolk worden gegeven.

Mogelijk worden dit mooie jonge koninginnen omdat ze in het begin zeer goed verzorgd zijn. In de meeste gevallen zullen echter wel voldoende larfjes zijn aangenomen.

5. Het inkooien van de gesloten doppen

Ongeveer 5 dagen na het overlarven worden de dan gesloten doppen ingekooid. Kooitjes van Nicot zijn hiervoor uitermate geschikt omdat ze direct over de doppen kunnen worden geschoven en vastgeklemd. Overigens kunnen meerdere soorten kluisjes gebruikt worden. De kluisjes worden voorzien van een klein propje honing-suikerdeeg. Het inkooien van de doppen voorkomt het zwermen van het sterke volk, het beschermt de koninginnen zelf en de doppen kunnen niet ingebouwd worden. Bij het inkooien na 5 dagen is voorzichtigheid geboden. In het popstadium zijn de koninginnen in de doppen zeer gevoelig voor stoten, schokken, enz.

De doppen kunnen ook worden ingekooid op de 10de dag na overlarven. Het gevaar van inbouwen is dan echter groot. Beschikt men over een broedstoof, dan kunnen de gesloten doppen op één na daarin worden geplaatst. Eén dop blijft in het volk omdat we nu geen moerloos volk willen hebben.

6. Opsplitsen van de aflegger

Als de jonge koninginnen zijn uitgelopen wordt het volk gesplitst. Men moet hiervoor niet al te kleine kasten gebruiken. Het beste zijn tienraams kasten, omdat het de bedoeling is, dat de jonge volken uitgroeien tot volwaardige wintervolken.

Zes- en zevenraams kasten kunnen ook gebruikt worden, maar die zullen naderhand vervangen moeten worden door de op de stand gebruikte kasten voor productievolken. Van de aflegger worden 10 volken gemaakt. Dat gaat als volgt.

In de nieuwe kast komt langs de linker- of rechterkant een raam met bijen en voer uit de onderbak van de aflegger. Daarnaast een raam met kunstraat en een raam met bijen uit de bovenbak. De rest van de ruimte wordt aangevuld met kunstraat of met een of twee ramen met kunstraat en een sluitraam.

Naderhand, als het volk groeit, kunnen de ontbrekende ramen met kunstraat worden bijgegeven. Aan de zijde van het broed, klein vlieggat rond 8 mm. Vlieggatschuif dichtplakken met tape.

Per broedaflegger kunnen op deze manier 10 jonge volken worden gemaakt. Jonge koninginnen, die over zijn, kunnen elders worden aangewend.

Belangrijk is dat de jonge volken naar een op minimaal 6 km. verwijderde standplaats worden gebracht om afvliegen te voorkomen. Wat betreft de volkssterkte werd door de ‘Landesanstalt für Bienenkunde der Universität Hohenheim’ de ontwikkeling van het pleegvolk (verzamelbroedaflegger) tot de opdeling in afleggertjes nauwkeurig onderzocht.

Een met acht broedramen met de daarop zittende bijen gemaakte23 2 broedaflegger bevatte in het begin ongeveer 5.000 bijen en 40.000 overwegend gesloten broedcellen.

Nadat na negen dagen bij het inhangen van het teeltraam ongeveer 9/12 deel van het gesloten broed was uitgelopen telde het volk meer dan 20.000 bijen die een bak goed vulden.

Hiermee konden tussen de 15 en 20 afleggertjes worden gemaakt met in elk afleggertje ruim 1.500 bijen. Dat bleek voldoende om een volwaardig wintervolk te krijgen.

Ik denk dat men ervoor moet kiezen om niet meer dan 10 afleggertjes te maken. Ze zijn dan wat sterker en men speelt daarmee iets meer op zeker.

7. Controle op leg jonge koningin

Ongeveer 14 dagen na het maken van de volkjes wordt gecontroleerd of de jonge koninginnen aan de leg zijn. In elk geval moet deze controle plaatsvinden voordat de jonge koninginnen gesloten broed hebben. Dit in verband met de varroabestrijding.

8. Varroabestrijding

Enkele dagen voordat de jonge volken gesloten broed hebben behandelen met 3% oxaalzuur of 15% melkzuur sproeien of hive clean. Alle eventueel aanwezige mijten bevinden zich dan nog op de bijen.

9. Inwintering

Bij goede dracht en/of voeren groeien de jonge volken uit tot goede tienramers die normaal ingewinterd kunnen worden. Op het einde van het jaar wordt, zo rond Kerstmis als de volken broedvrij zijn, nog een behandeling tegen varroa uitgevoerd met oxaalzuur door middel van de druppelmethode. In het volgende seizoen zijn het uitstekende productievolken. Er zal een continue voederstroom moeten zijn.

Conclusie

De beschreven methode van koninginnenteelt, gecombineerd met zwermvertraging en het kweken van jonge volken is een goede methode voor imkers met een aantal volken tussen de tien en twintig. Er hoeft geen aparte starter gemaakt te worden. De verzamelbroedaflegger fungeert als starter en pleegvolk. Door het afnemen van een tweetal raten met gesloten broed en bijen, in combinatie met darrenraat snijden, wordt in de productievolken de zwemdrift flink vertraagd.

Geraadpleegde literatuur.

• Völkervermehring in 4 Schritten in ‘Die Biene’ april 2006 door dr. Gerhard Liebig, Landersanstalt für Bienenkunde der Universität Hohenhein.

• Maandbeschouwing in ‘Die Biene’ door dr. Pia Aumeier, jaargang 2008