Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 101
Jaar: 2015
Maand: December
Auteur : Dylan Elen

Rassenkruisingen en bijenagressie: gelinkt of niet deel1

Om een of andere reden zijn veel imkers ervan overtuigd dat een koningin van een bepaald ras, indien bevrucht door darren van een ander ras [2], automatisch een agressief bijenvolk zal genereren. Daardoor zijn zij vaak ongerust wanneer een buurimker (wil) start(en) met een ander bijenras dan het hunne, want wat voor ellende moet dat niet geven als hun koninginnen op de thuisstand bevrucht worden door zo een dar van de gebuur? Maar is er ook écht reden tot die bezorgdheid? Veel mensen denken immers ook dat men verkouden wordt als men met natte haren buiten gaat terwijl daar helemaal niks van aan is.

Om maar meteen de verlossing te brengen: neen, die ongerustheid is nergens voor nodig. De eigenschap ‘steekgedrag’ is immers rasonafhankelijk (wordt verderop uitgelegd) en als gevolg daarvan zal een kruising van een koningin, afstammende van een zachtaardig geselecteerd volk van ras A (bv. carnica), met darren, afstammende van een zachtaardig geselecteerd volk van ras B (bv. zwarte bij), opnieuw in een zachtaardig volk resulteren.

Dit feit wordt eveneens aangehaald in een presentatie in het kader van Beebreed van em. prof. dr. ir. Octaaf Van Laere waarin hij als voorbeeld het kruisingsschema van een Italiaanse koningin (Apis mellifera ligustica) met een zwarte dar (Apis mellifera mellifera) hanteert.

Waarom blijven dan zoveel imkers beweren / geloven dat rassenkruisingen automatisch oorzaak zijn van agressieve bijenvolken? Is dat zuiver uit onwetendheid? Alleszins hoog tijd om daar iets aan te doen dacht ik zo en ik heb deze problematiek ondertussen als standaard opgenomen in mijn voordrachten rond de zwarte bijen moerteelt, maar om de feiten sneller verspreid te krijgen kon een artikel in dit blad niet ontbreken uiteraard.

Ontstaan van het misverstand: terug naar het verleden

55 1

Hoe komt men er bij dat rassenkruisingen zo problematisch zijn? Weliswaar denkt men daarbij aan de situatie van vroeger die men al dan niet zelf heeft meegemaakt. De zwarte bijen van toen – dan gaat het over de honingbijen die hier leefden vooraleer men hier begin 20ste eeuw andere rassen begon te importeren – waren niet zachtaardig.

Dat kwam omdat imkers hier zich in die tijd niet bezighielden met selectie, terwijl imkers meer zuidelijker in Europa daar wel al mee bezig waren; vandaar dat men begin 20ste eeuw hier dan ook die geselecteerde uitheemse bijenrassen stilaan begon te importeren, in die selectie was immers ook reeds honingopbrengst opgenomen.

De kruisingen die volgden tussen de ongeselecteerde, en aldus eerder agressieve, zwarte bijen en de geselecteerde, en aldus eerder zachtaardige, uitheemse honingbijen waren dus quasi gedoemd om aan de agressieve kant te zijn waardoor men achteraf in Vlaanderen (en veel andere plaatsen) dan maar volledig is overgeschakeld op geselecteerde uitheemse honingbijen zoals de carnica. Vandaag de dag zijn er echter wel geselecteerde zwarte bijen voorhanden en dat is dus een wereld van verschil met de situatie van vroeger: een kruising tussen geselecteerde zwarte bijen en geselecteerde uitheemse honingbijen geeft immers opnieuw zachtaardige volken.

Welkom in de bijengenetica

Al die bijenrassen kunnen met elkaar kruisen en brengen daarbij vruchtbare nakomelingen voort. Dat leidt tot de conclusie dat zij, bij wijze van spreken, allen zijn opgebouwd volgens eenzelfde genetisch bouwplan (zie Figuur 1). Vereenvoudigd kan men stellen dat voor bijna elk organisme zo een bouwplan bestaat uit twee DNA-moleculen die in de celkern mooi naast elkaar liggen en waarvoor de gen-loci· voor eenzelfde gen[iii] op exact dezelfde plaats liggen.

Het ene DNA-molecule is geërfd van de moederfiguur, het andere van de vaderfiguur; zulk een organisme noemt men in het vakjargon dan ook wel eens diploïd, een dar daarentegen is haploïd omdat die over slechts één DNA-molecule beschikt (hij heeft immers geen vader). Een allel is de invulling van een gen op het gen-locus: voor eenzelfde erfelijke eigenschap (zoals ‘steekgedrag’) bestaan er vaak meerdere allelen (mogelijkheden), het resultaat voor de eigenschap hangt ervan af welke allelen uiteindelijk op de gen-loci zitten.

55 2

Dat bijenrassen van elkaar verschillen is omdat ze niet steeds over exact dezelfde allelen beschikken om die gen-loci mee op te vullen. Sommige allelen hebben ze gemeenschappelijk (in dat geval rasonafhankelijk genoemd), andere allelen niet; het zijn deze laatste die vaak specifiek zijn voor één bijenras (in dat geval rasafhankelijk genoemd) of soms voor een beperkte groep van bijenrassen.

55 3

Bij wijze van voorbeeld: elk bijenras heeft zo in haar bouwplan een koppel gen-loci getiteld ‘haarkleur’ en een koppel gen-loci getiteld ‘steekgedrag’. Voor het invullen van de gen-loci ‘haarkleur’ beschikt de carnica (Apis mellifera carnica) zo enkel over allelen voor grijs haar terwijl de zwarte bij(Apis mellifera mellifera) daarvoor enkel over allelen voor bruin haar beschikt; dit is dus een voorbeeld waarbij de verschillende bijenrassen elk over een ander type allel beschikken.

Voor de gen-loci ‘steekgedrag’ daarentegen beschikken de verschillende bijenrassen over de zelfde types allelen, zijnde allelen voor zachtaardig gedrag enerzijds en allelen voor agressief gedrag anderzijds. Om op de eerder aangehaalde bijenrassen terug te komen: binnen een groep carnicavolken zullen alle werksters dus grijze haren hebben terwijl binnen een groep zwarte volken alle werksters dus bruine haren zullen hebben; maar zowel binnen de groep carnicavolken als binnen de groep zwarte volken zullen zowel zachtaardige als agressieve volken kunnen worden aangetroffen. Nog anders verwoord: ‘haarkleur’ is een rasafhankelijke eigenschap terwijl ‘steekgedrag’ dat niet is.

De eigenschap ‘steekgedrag’ is dus rasonafhankelijk. Dit impliceert dan ook dat de zachtaardige variant van deze eigenschap in elk bijenras terug te vinden is, maar om die variant ook effectief tot expressie te brengen is er eerst selectie vereist daar enerzijds het allel voor agressief gedrag van nature veel frequenter voorkomt in een groep bijenvolken en anderzijds niet alle types allelen welke beschikbaar zijn voor eenzelfde gen-locus altijd even zwaar doorwegen in het eindresultaat.

In het geval van de eigenschap ‘steekgedrag’ weegt zo het allel voor agressief gedrag zwaarder door dan dat voor zachtaardig gedrag; in het vakjargon zegt men dan dat het allel voor agressiviteit dominant is en dat het allel voor zachtaardigheid recessief is. Een dominant allel (voorgesteld door een grote letter) voor een bepaald gen komt als gevolg daarvan reeds tot expressie wanneer slechts een van beide ouders zulk dominant allel doorgegeven heeft; een recessief allel (voorgesteld door een kleine letter) komt daarentegen maar tot expressie wanneer het organisme van beide ouders zulk recessieve allel geërfd heeft. Recessieve allelen komen dus enkel tot uiting als ze dubbel aanwezig zijn (homozygotie4) zoals in Figuur 1 het geval is.

Ter verduidelijking het kruisingsschema in Figuur 2 betreft ‘steekgedrag’ van een koningin (Kn donkerroze) die gepaard heeft met twee darren (D1 en D2 donkerblauw). De koningin is heterozygoot en dus zelf van het agressieve type: zij heeft immers van de ene ouder het recessieve allel z (zachtaardig) en van de andere ouder het dominante allel Z (agressief) geërfd. De darren zijn onderling genetisch verschillend: dar D1 draagt het recessieve allel z (zachtaardig) en dar D2 het dominante allel Z (agressief).

De reden waarom een koningin over 2 allelen beschikt en een dar over slechts 1 allel is dat vrouwelijke bijen (koninginnen én werksters) diploïd zijn en mannelijke bijen (darren) haploïd. Het kruisingsschema geeft een blik op de allelencombinaties welke men zal terugvinden in de koningin haar nageslacht: van de werksters (lichtroze kader) zal 25% recessief homozygoot (zz) en dus zachtaardig zijn; 25% zal dominant homozygoot (ZZ) en dus agressief zijn en de overige 50% van de werksters zal heterozygoot (Zz of zZ) en dus evenzeer agressief zijn.

Dat wil zeggen dat maar liefst 75% van de werksters in dat bijenvolk een genetische aanleg voor een agressief karakter zal hebben. Wat het mannelijk nageslacht (lichtblauwe kader) van de koningin betreft is het vrij simpel: daar zij enkel een moeder hebben zal de ene helft van de darren in dit geval het recessieve allel z (zachtaardig) en de andere helft het dominante allel Z (agressief) dragen. De genetische code, zoals bv. zz, noemt men het genotype en de bijhorende fysische uitwerking, voor zz is dat zachtaardig gedrag, noemt men het fenotype.

Algemene opmerking van de auteur: het hoognodige is hierboven uiteengezet op een vereenvoudigde wijze, het spreekt voor zich dat er nog veel dieper zou kunnen worden ingegaan op dit thema; denk maar aan bv. het polygeen aspect van sommige erfelijke eigenschappen. Echter, er nog dieper op ingaan zou geen meerwaarde creëren; het zou het alleen maar terug complexer kunnen maken.

Bibliografie

- ASPERGES M., Basisbegrippen genetica (handleiding bij voordracht).

- VAN DIJCK, P., 2012 Celbiologie en biochemie (cursus KU Leuven).

- VAN LAERE O., Selectie in de bijenteelt, Prestatietests en Teeltwaardebepaling voor Bijenkoninginnen van het ras A. m. carnica, een uitgave van het Vlaams Vulgarisatiecentrum voor Bijenteelt vzw.

- VAN LAERE O., BEEBREED, un Réseau Européen d‘ Elevage et de Sélection, http://www.cari.be/medias/temporaire/beecome/van_laere-pdf.pdf

 


[1] De auteur is Bachelor of Science in Geology en volgt momenteel een masteropleiding aan de Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de KU Leuven. Daarnaast is hij voorzitter van Limburgse Zwarte Bij vzw. Bij vragen aangaande dit artikel kan men hem contacteren via dylan.elen@student.kuleuven.be of 0496/97.10.04.

[2] In dit artikel wordt voor de eenvoud over carnica, buckfast, zwarte bij en Italiaanse bij gesproken worden als zijn het bijenrassen; vanuit biologisch perspectief is echter enkel Buckfast enigszins een ras daar deze term impliceert dat het organisme door de mens door veredeling is ontstaan. Carnica, zwarte bij, Italiaanse bij, ... zijn daarentegen ondersoorten van de Westerse honingbij (Apis mellifera) en zijn dus op natuurlijke wijze ontstaan volgens het evolutieprincipe. Binnen een ondersoort kunnen er door imkers wel rassen veredeld worden, zo heeft men binnen carnica bv. de rassen ‘Sklenar’, ‘Peschetz’ en ‘Troiseck’.

[iii] Een gen is een erfelijke eigenschap.