Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 102
Jaar: 2016
Maand: Jan-Febr
Auteur : Dylan Elen

Rassenkruisingen en bijenagressie: gelinkt of niet deel2

In deel 1 van dit artikel (zie vorige editie Maandblad) werd reeds besproken waar de vermoedelijke oorsprong ligt van het misverstand dat rassenkruisingen automatisch in agressieve bijenvolken resulteren. Om vervolgens uit te leggen hoe de vork werkelijk in de steel zit, volgde een inleiding tot de genetica waarbij duidelijk werd gemaakt dat de eigenschap ‘steekgedrag’ ten eerste rasonafhankelijk is en ten tweede dat zij bepaald wordt door de verschillende combinaties van recessieve en dominante allelen in het DNA. Tot slot zullen in dit tweede deel nog enkele situaties aangehaald worden waarbij gekeken wordt naar buurimkers die al dan niet met geselecteerd teeltmateriaal werken.

Enkele praktijkvoorbeelden

3 1

Een vrouwelijke honingbij (koningin of werkster) beschikt, zoals eerder vermeld, over twee allelen: één afkomstig van haar moeder en één afkomstig van haar vader. Om dit te illustreren worden in de figuren achter elk venussymbool twee allelen tussen haakjes geplaatst.

Een venussymbool waarachter drie allelen staan, zoals bv. (z1z2 | z3), correspondeert met een bevruchte koningin: de eerste twee allelen zijn deze van de koningin zelf, het derde is dat van de dar waardoor ze bevrucht is (dit zit bij wijze van spreken opgeslagen in de zaadcellen in de spermatheek).

Achter de marssymbolen staat daarentegen slechts één allel tussen haakjes daar een dar geen vader heeft en dus enkel maar één allel van de
moeder geërfd heeft. De allelen zijn verder ook genummerd: de nummers hebben geen genetische betekenis, maar op deze manier wordt wel
duidelijk hoe genetische informatie zich verspreidt in de nateelt.

Situatie1

In situatie 1 (zie Figuur 3) zijn er twee buurimkers, A en B, die beiden met geselecteerd teeltmateriaal werken: zij hebben elk een geselecteerde
reinteeltkoningin (R groen) waarvan ze jaarlijks F1-koninginnen (F1 groen) telen welke op de thuisstand bevrucht worden waarna ze bv. in een productievolk worden ingevoerd.

Ter verduidelijking hebben de bijen van imker A een rode kleur en die van imker B een blauwe kleur in onderstaande figuur. Aangezien beide reinteeltkoninginnen recessief homozygoot (zz) zijn voor zachtaardigheid, zullen alle darren, geteeld van deze twee reinteeltkoninginnen, automatisch het recessieve allel (z) voor zachtaardigheid erven.

Daar beide reinteeltkoninginnen ook nog eens bevrucht zijn door een dar met een recessief allel (z) voor zachtaardigheid, zullen alle jonge
koninginnen, geteeld van deze twee reinteeltkoninginnen, automatisch recessief homozygoot (zz) zijn voor zachtaardigheid. Indien nu zo’n jonge koningin van imker A (zz) bevrucht wordt door een dar van imker B (z), dan zullen de werksters van deze jonge koningin dus alsnog zachtaardig zijn (zz) en vice versa.

Aangezien de eigenschap ‘steekgedrag’ nu eenmaal rasonafhankelijk is, maakt het in deze situatie dus totaal niks uit of imker A en imker B dan wel hetzelfde bijenras of een verschillend bijenras in hun kasten houden.
De dochters van de F1-koningin (koninginnen en werksters) hebben een mengkleur, met behulp van de indices wordt immers duidelijk dat de helft van hun genetische info afkomstig is van de teeltmoer van imker A (allel z2 of allel z3) en de andere helft van de teeltmoer van imker B (allel z4). De zonen van de F1-koningin zijn nog steeds roodgekleurd daar hun genetische info (allelen z2 en z3) volledig afkomstig is van de teeltmoer van imker A.

3 2

Situatie 2

In situatie 2 (zie Figuur 4) werkt imker A nog steeds op dezelfde manier als in situatie 1, maar is er een andere buurimker, namelijk imker C
(wiens bijen ter verduidelijking een gele kleur gekregen hebben), die anders tewerk gaat. Imker C kweekt bijvoorbeeld jaar na jaar van zijn eigen koninginnen verder zonder ooit geselecteerd teeltmateriaal aan te schaffen; hij werkt dus eigenlijk met bastaardbijen (B groen); maar hetzelfde is van toepassing wanneer hij met ongeselecteerde rasbijen zou werken. De kans dat de teeltkoninginnen van imker C, net zoals de reinteeltkoninginnen van imkers A en B, recessief homozygoot (zz) zijn voor zachtaardig gedrag is dan ook eerder aan de kleine kant.


Gezien de teeltstrategie van imker C is de kans veel groter dat zijn teeltkoninginnen ofwel dominant homozygoot (ZZ) ofwel heterozygoot (Zz of zZ) zijn voor agressief gedrag (zijn bijenvolken zijn in die gevallen dus steeds agressief). Voor het voorbeeld in situatie 2 wordt aangenomen dat de teeltkoningin van imker C heterozygoot (Zz) is en dat ze bevrucht is door een dar met het dominante allel (Z) voor agressief gedrag.

Daar de teeltkoningin van imker C dan zowel darren met het dominante allel (Z) voor agressiviteit als darren met het recessieve allel (z) voor zachtaardigheid voortbrengt, bestaat er geen zekerheid over het gedrag van de werksters van een jonge koningin van imker A bevrucht door een dar van imker B. Indien deze jonge koningin (z) bevrucht wordt door een dar met het dominante allel (Z, zoals in Figuur 4 het geval is), dan zullen haar werksters agressief (zZ) zijn; indien zij wordt bevrucht door een dar met het recessieve allel (z), dan zullen haar werksters zachtaardig (zz) zijn.

Indien de teeltkoningin van imker C dominant homozygoot (ZZ) zou zijn, zouden al haar darren het dominante allel (Z) voor agressiviteit dragen
waardoor de werksters van een jonge koningin van imker A, die bevrucht is door een dar van imker C, altijd agressief (zZ) zullen zijn. Nogmaals: omdat de eigenschap ‘steekgedrag’ rasonafhankelijk is, maakt het niks uit of imker A en imker C dan wel hetzelfde bijenras houden of niet (voor imker C is dat hier in dat geval dan een verbasterde variant).

Situatie 3

Een derde situatie zou erin kunnen bestaan dat de buurimkers allen met ongeselecteerd teeltmateriaal werken, het spreekt voor zich dat de kans op agressieve volken in de nateelt dan heel groot is. Bovenstaande situaties zijn op zich weliswaar correct, maar er is voor het bewaren van de eenvoud iets achterwege gelaten, namelijk het polyandrische karakter van de paring bij honingbijen of anders verwoord: het gegeven dat een koningin niet met één, maar met meerdere darren paart waardoor er in een bijenvolk steeds verschillende zustergroepen te onderscheiden zijn tussen de werksters.

En dat heeft zo haar implicaties, een voorbeeld: stel dat een imker een F1-koningin opgekweekt heeft uit een larfje van een geselecteerde reinteeltkoningin (zz | z). Deze ‘zachtaardige’ F1- koningin (zz) paart op zijn/haar thuisstand met 11 ‘zachtaardige’ darren (z) en 1 ‘agressieve’ dar (Z), dan heeft dat als gevolg dat 1/12de van de werksters agressief (zZ) kan zijn (kan en niet zal, want genetica bepaalt niet alles; de werkwijze van de imker bepaalt immers eveneens mee het gedrag van de bijen). 1/12de is echter niet veel waardoor de imker toch het idee zou kunnen krijgen dat zijn/haar F1-volk best zachtaardig is.

Indien hij/zij beslist om van dat F1-volk verder te kweken, is er dus 1 kans op 12 dat hij/zij een ‘agressieve’ F2-koningin (zZ) zal telen waarbij er een grote kans is dat het resulterende F2-volk agressief zal zijn. In dit voorbeeld zijn er weer geen bijenrassen vernoemd omdat dat er hier niet toe doet, ‘steekgedrag’ is immers ras-onafhankelijk. Bovendien verdwijnt in de F2-generatie ook het heterosiseffect2 wat maakt dat de kruising superieur is aan haar raszuivere voorouders, een reden te meer om niet van F1-koninginnen verder te telen.

Bastaarden

F1-, F2-, F3- …, FX-volken zijn niet meer en niet minder dan bastaarden (tenzij je in een buurt imkert waar echt iedereen met hetzelfde bijenras
werkt); wanneer die lastig zouden zijn, moet men niet gaan vertellen dat het om lastige carnica’s, buckfasten of zwarte bijen gaat ook al stammen ze wel van een van deze rasbijen af.

Doch dit wil niet zeggen dat er onmogelijk met bastaarden (vanaf F2) geïmkerd kan worden, want ook dezen kan men op zijn beurt weer beginnen selecteren; denk maar aan de buckfast die begonnen is als een Ligustica x Mellifera bastaard (Mellifera is een synoniem voor zwarte bij) en die ondertussen toch een wereldwijd succes genoemd mag worden.

Conclusie

Kruisingen tussen verschillende bijenrassen zullen dus enkel maar effect hebben op de rasafhankelijke eigenschappen zoals ‘haarkleur’,
‘pantserkleur’, ‘broedritme’, ‘tonglengte’, ... Imkers voor wie deze eigenschappen er werkelijk toe doen zijn genoodzaakt om hun koninginnen raszuiver te laten paren via een bevruchtingsstation3, Controlled Flight Time Mating of KI.

Echter, daar de meeste imkers – voor zover ik hoor – eigenlijk vooral belang hechten aan zachtaardige en productieve bijen zijn raszuivere paringen voor hen helemaal geen noodzaak: de eigenschap ‘steekgedrag’ is immers rasonafhankelijk en de honingproductie van een rassenkruising (F1) is omwille van het heterosiseffect immers superieur aan die van de raszuivere ouders.

Zij kunnen dus best gebruik maken van de overlarfmogelijkheden die jaarlijks door de verscheidene imkerverenigingen aangeboden worden. Er kan dus perfect plezierig en vredevol geïmkerd worden met verschillende bijenrassen in eenzelfde gebied, laat dit daarom een oproep zijn aan alle imkers om binnen het bijenras dat hem/ haar het meest belieft, of dat nu carnica, buckfast of zwarte bij is, te kiezen voor geselecteerd
teeltmateriaal (reinteelt en/of F1). Rassenkruisingen zijn immers niet de oorzaak van agressieve bijenvolken; koninginnen en darren afkomstig van ongeselecteerd teeltmateriaal, onafhankelijk van het bijenras waartoe ze behoren, zijn dat daarentegen wel.

Algemene opmerking van de auteur: het hoognodige is hierboven uiteengezet op een vereenvoudigde wijze, het spreekt voor zich dat er nog veel dieper zou kunnen worden ingegaan op dit thema; denk maar aan bv. het polygeen aspect van sommige erfelijke eigenschappen. Er nog dieper op ingaan zou echter geen meerwaarde creëren; het zou het alleen maar complexer kunnen maken.

Bibliografie

- ASPERGES M., Basisbegrippen genetica (handleiding bij voordracht).
- VAN DIJCK, P., 2012 Celbiologie en biochemie (cursus KU Leuven).
- VAN LAERE O., Selectie in de bijenteelt,
Prestatietests en Teeltwaardebepaling voor Bijenkoninginnen van het ras A. m. carnica, een uitgave van het Vlaams Vulgarisatiecentrum voor
Bijenteelt vzw.
- VAN LAERE O., BEEBREED, un Réseau Européen d‘ Elevage et de Sélection, http://www.cari.be/medias/ temporaire/beecome/van_laere-pdf.pdf

1 De auteur is Bachelor of Science in Geology en volgt momenteel een masteropleiding aan de Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen van de KU
Leuven. Daarnaast is hij voorzitter van Limburgse Zwarte Bij vzw. Bij vragen aangaande dit artikel kan men hem contacteren via dylan.elen@student.
kuleuven.be of 0496/97.10.04.
2 Heterosis of hybridegroeikracht is het effect dat de nakomeling het gemiddelde van een of meer eigenschappen van de beide ouders overtreft. In het algemeen geldt dat hoe minder de kruisingsouders aan elkaar verwant zijn, des te grotere heterosis is te verwachten.
3 In het geval van een landbevruchtingsstation (denk bijvoorbeeld aan Kreverhille, ’t Sonnis of de Lieteberg) is het aan te raden dat buurimkers
met een ander ras dan datgene waarvoor het station bestemd is, uit respect gepaste maatregelen treffen (zoals liefst het zoeken naar een verderaf gelegen bijenstand, het omschakelen van ras of desnoods het snijden van hun darrenbroed) teneinde de werking van dat station niet te verstoren. De buurimkers zullen daarvoor het grootste respect krijgen van de beheerders van dat bevruchtingsstation en beeld u eens in wat er niet allemaal mogelijk is in een dergelijke sfeer van wederzijds respect!