Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 102
Jaar: 2016
Maand: Oktober
Auteur : Norbert Nijs

Dar genetisch belgrijker dan moer

De genetische of erfelijke eigenschappen van een moer zijn gecodeerd in twee reeksen van 16 chromosomen, één afkomstig van haar moeder en één afkomstig van haar vader. Ze geeft deze voor 50 % door aan haar nakomelingen, zowel dochters als zonen. Bij die gelegenheid wordt haar dubbele reeks via een willekeurige vermenging teruggebracht tot een enkelvoudige reeks. De natuur handelt zo eicel per eicel. Dit geeft telkens een andere combinatie, met het gevolg dat elke nakomeling, zowel dar, werkster als dochtermoer steeds genetisch verschillend zal zijn. Een dar daartegenover, bezit slechts 1 reeks van 16 chromosomen, namelijk de tot een enkelvoudige reeks teruggebrachte genen van zijn moeder. Hij geeft deze volledig en ongewijzigd door aan zijn dochters.

43 1

Genen doorgeven

De figuur in bijlage toont aan dat je de paring tussen een moer en een dar genetisch ook enigermate kunt bekijken als een paring tussen twee moeren, waarbij de ene haar genen langs haar eicel doorgeeft en de andere langs het sperma van haar zoon. Het schema maakt duidelijk dat de vaderlijn weinig verschilt van de moederlijn.

De dar fungeert in zeker opzicht slechts als koerier in het doorgeven van de genen van zijn moeder, zij het wel met de niet onbelangrijke nuance dat hij de van haar ontvangen genen ongewijzigd doorgeeft terwijl dat bij haar telkens in een andere combinatie gebeurt.

Subfamilies

In de natuur paart een moer steeds met meerdere darren (het kunnen er wel 12 en meer zijn) waardoor bijenvolken altijd samengesteld zijn uit meerdere subfamilies. Binnenin een subfamilie is er tussen de werksters een verwantschap van 75%, waarvan een derde via de moer en twee derden via de dar.

Tussen de subfamilies is er normaal een verwantschap van 25% langs moederskant. Indien er een familieband is tussen de darren waarmede de moer paart, kan de verwantschap tussen de subfamilies oplopen tot 50%. Dit is het geval wanneer de darren broers van elkaar zijn omdat er dan ook langs vaderskant 25% verwantschap is.

Kunstmatige inseminatie

Wanneer bij kunstmatige inseminatie slechts het zaad van één dar gebruikt wordt, geven zowel de KI dar als de moer hun genen aan al de werksters door. Er zijn dan geen subfamilies met het gevolg dat al de werksters van het volk 75% genetisch met elkaar verwant zijn. Omdat werksters van hun vader dezelfde reeks genen erven en van hun moeder een wisselende mix van genen, overheersen logischerwijze de vaderlijke eigenschappen op de moederlijke. Het gedrag van de werksters van volk C (zie schema) zal dus altijd meer naar volk B aarden (dit is het volk waarvan de KI dar en zijn moeder afstammen) dan naar volk A (dit is het volk waaruit de moeder van de werksters afkomstig is).

Genen van de dar overheersen

Wanneer ze met meerdere darren paart, zou je denken dat in dit geval eerder de moer het gedrag van het volk zal bepalen dan de darren, om reden dat zij haar genen aan alle werksters doorgeeft terwijl een dar dat slechts binnen de eigen subfamilie doet. Maar eigenlijk maakt het, wat haar impact op het gedrag van de werksters betreft, geen verschil of een moer met één of met meerdere darren paart.

Haar genetische inbreng in het volk blijft dezelfde. Alleen de inbreng van de darren wijzigt. Hun genen overheersen nu via de subfamilies. Wanneer de moer met meerdere darren paart, heeft dat wel voor gevolg dat de variatie aan darrengenen toeneemt, waardoor het overwicht van deze genen minder eenduidig zal zijn in het gedrag van het bijenvolk.

Zustermoeren

Alle verwantschapspercentages die binnen een bijenkolonie van toepassing zijn op de werksters, gelden uiteraard ook voor zustermoeren. De 1-dar KI methode maakt het in de eerste plaats mogelijk om kwalitatief evenwaardige moeren te kweken. Op die wijze geraken de genen inderdaad het minst versnipperd door de bevruchting. Net zoals bij de werksters is de hoogste verwantschap tussen zustermoeren 75%. Identieke zustermoeren bestaan dus niet, noch identieke darren.

Darren die afstammen van dezelfde moer zijn trouwens genetisch slechts 50% met elkaar verwant, dit om reden van de steeds wijzigende combinatie waarin een moer haar genen doorgeeft. Hoe zij bevrucht werd, speelt er geen enkele rol in aangezien darren uit een onbevrucht eitje ontstaan. Zij ook nog vermeld dat er tussen een dar en een moer een verwantschap van 25% bestaat wanneer het om broer en zus gaat.

Dar maakt het verschil

In vergelijking met een moer of met een werkster, wordt een dar over het algemeen als minder belangrijk aanzien. Dit komt omdat, als je zijn inbreng tijdens de bruidsvluchten buiten beschouwing laat, hij geen rol van betekenis speelt in de dagdagelijkse activiteiten van een bijenvolk. Op genetisch vlak maakt hij uiteraard wel een verschil. Bevruchtingsstations bijvoorbeeld worden volledig op de darren afgestemd en maken het mogelijk om op ruime schaal tot raszuivere en zachtaardige bijen te komen.

Ook het overlarfproject van de KonVIB draagt daartoe bij door koninginnenlarfjes van goede kwaliteit te verdelen, aangezien de uit die larfjes gekweekte moeren op hun beurt voor kwaliteitsvolle darren zullen zorgen. Het volstaat om in de loop van het jaar in al je productievolken een moer van goede afkomst in te brengen om het jaar nadien automatisch in alle volken over kwaliteitsdarren te beschikken. Zo eenvoudig is dat. Waar en hoe die moeren bevrucht werden, doet niets ter zake.

Varroaweerstand

Daarnaast spelen darren ook via de 1-dar inseminatie methode een prominente rol in de selectieteelt die tijdens de laatste jaren de focus aan het verleggen is van de zachtaardigheid naar de varroaweerstand. Het selecteren heeft een nieuwe doelstelling gekregen, namelijk bijenvolken kweken die zich grotendeels zelf van de mijten ontdoen. Het is een zoektocht naar volken die enigermate succesvol weerwerk bieden tegen de mijten, met de bedoeling uit deze volken moeren te kweken en te verspreiden zodat ze samen met hun darren de gunstige eigenschappen kunnen gaan uitdragen op zoveel mogelijk bijenstanden.

In het kader van zulke programma’s is de 1-dar inseminatie een nuttige methode. In dat verband valt op te merken dat een dar nooit de genen draagt van het volk waarin hij geboren wordt maar enkel deze van zijn moeder. Als het om de eigenschappen van een bepaald volk gaat, moet uit dat volk eerst een moer gekweekt worden en het is deze moer die de KI dar zal voortbrengen. Ik verwijs naar het schema. Wanneer de KI dar rechtstreeks uit volk B genomen wordt, draagt hij enkel de genen van de stammoer van dat volk.

Wie uit een geselecteerd volk verder wil kweken en daarbij de 1-dar inseminatie methode toepast, heeft 2 mogelijkheden:

  • Ofwel een uit het geselecteerd volk afkomstige moer gebruiken en een dar uit een tweede volk. Toegepast op het schema, is volk A het geselecteerde volk en volk B het andere volk.
  • Ofwel andersom werken, in welk geval volk B het geselecteerde volk zou worden. Bij toepassing van deze laatste werkwijze zullen de eigenschappen van het uitgekozen volk beter tot hun recht komen bij de nakomelingen aangezien bij 1-dar inseminatie de genen van de dar de overhand hebben op deze van de moer.
  • 43 2