Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkerbond
Jaargang: 91
Jaar: 2005
Maand: oktober
Auteurs: Erik Österland

Principes van de buckfastteelt

Deel2: De Afrikaanse gedachte

In het vorige deel zagen we hoe Broeder Adam begreep dat het van vitaal belang was om de mannelijke kant van een teeltcombinatie perfect te controleren. Als twee volken samen de gewenste eigenschappen bezaten, teelde hij koninginnen uit het ene en liet deze paren met de darren van dochterkoninginnen uit het andere. In dit deel legt de auteur uit hoe de buckfastbij tot stand kwam en wat er gebeurde met het teeltmateriaal dat hij met Broeder Adam ging zoeken in oostelijk Zuid-Afrika. Sinds hij deze bijdrage schreef, zijn we vijf jaar later. We hopen in een latere bijdrage terug te kunnen komen op de theorieën die hij toen poneerde (gdr).

Herkomst van eigenschappen

f1Vandaag de dag bezit de buckfast van de Buckfastabdij hoofdzakelijk eigenschappen van Apis mellifera ligurica (Noord- Italiaanse bij), Apis mellifera mellifera (Engelse zwarte bij), Apis mellifera mellifera (Franse zwarte bij), Apis mellifera anatolica (uit Turkije) en Apis mellifera cecropia (uit Griekenland). Sommige lijnen bezitten ook eigenschappen van Apis mellifera sahariensis en Apis mellifera monticola.

Broeder Adam maakte vele reizen, in het bijzonder rond de Middellandse Zee, om nieuwe rassen en stammen te vinden en uit te testen. Een van zijn laatste reizen leidde hem naar Tanzania, in Afrika. Daar wou hij de zwarte bergbij uit Oost-Afrika vinden. Hij was ervan overtuigd dat het Afrikaanse continent een ware genetische schatkamer is.

Als u het woord 'Afrika' hoort, denkt u waarschijnlijk meteen aan de zogenaamde 'killer'-bijen die Zuid- en Noord-Amerika op stelten zetten. Het was de Apis mellifera scutellata die aan de basis lag van al dat onheil. Die Scutella is thuis in de zuidelijke en oostelijke laaglanden van Afrika. U mag echter niet vergeten dat deze bij van grote economische betekenis is voor de Zuid-Afrikaanse imkers en dat de honingproductie in Zuid-Amerika, sinds haar komst daar, substantieel de hoogte in ging.

Wat kan verrassen, is dat er heel andere bijen relatief dicht bij het Afrikaanse Scutella-gebied leven. Boven de regenwouden, in de berg heuvels van Oost-Afrika, leeft er een bij die bijzonder zwermtraag is. De nakomelingen uit de kruising van deze bij met de buckfastbij behoeven zelfs geen zwermcontrole! Op voorwaarde natuurlijk dat de imker ze voldoende ruimte geeft voor haar broed en de voedselopslag. Die bij is de Apis mellifera monticola. Op sommige heuvels is ze zwart van kleur, op andere eerder bruin-rood. Ze is gewoonlijk groter dan de Scutellata en veel handelbaarder.

Ze heeft weinig haar, dat vaak zwart is, vooral op de thorax. Wie zal zeggen hoeveel andere interessante bijensoorten er nog gevonden zouden kunnen worden op dat enorme continent?

 f2

Varroatolerant?

Nadat ik verslagen had gelezen over de weerstand die Scutella in Zuid-Amerika tegen de varroa biedt en over de expeditie van Broeder Adam naar Oost-Afrika, begon ik te denken dat Afrikaanse rassen wellicht een gemeenschappelijk kenmerk bezitten dat hun toleranter maakt ten overstaan van de varroamijt. Later gaf ik er me rekenschap van dat het in de eerste plaats wellicht gaat om tolerantie t.o.v. de secondaire infecties die de mijt vergezellen, vooral de virusinfecties van het type APV en DWV. Laatst werd ik er me van bewust dat ze, in vergelijking met Europese rassen, tenminste één eigenschap gemeen hebben, namelijk hun grootte. Kan dat belangrijk zijn?

Toen er zich in 1989 een opportuniteit aandiende om op expeditie naar Kenia te gaan, hapte ik meteen toe. We gingen met zijn vieren: Michaël van der Zee uit Nederland, Erik Björkland, dr. Bert Thrybom en ikzelf, alle drie Zweden.

We keerden terug met stukken raat met eitjes en sperma opgeslagen in smalle kokers. We teelden er koninginnen uit en insemineerden ze. We voegden glucose aan het sperma toe om het mobieler te maken. We teelden verder uit hun nakomelingen en voerden de eerste kruisingen uit.

In het begin hielden we de nieuwe volken in een soort genetische 'isolatie' om geen Zuid- Amerikaanse toestanden te veroorzaken, tot wanneer we voldoende ervaring met de vreemde bijen hadden opgedaan. Spoedig bleek echter dat deze bijen absoluut geen bedreiging vormden.

We voerden testen uit in met varroa besmette gebieden om tekenen van varroatolerantie te vinden. We besteden aandacht aan de populatietoename van de mijt in één seizoen en aan het totale aantal mijten in vergelijking met controlevolken. Onze eerste vaststellingen waren positief, maar zeker niet sensationeel. Het aantal mijten lag iets lager bij de 'Monticola's' en de ontwikkelingtijd van hun broed was iets korter.

Secondaire infecties

Rond die tijd begon ik meer aandacht te besteden aan de zogenaamde secondaire infecties. Ik werd er me van bewust dat de ergste vijand niet de mijt was, maar precies die infecties. Geen enkel volk stierf van een teveel aan mijten, wel vanwege de ongewone ontwikkeling van verschillende soorten ziekten.

Steeds vaker werden bijen met vervormde vleugels gesignaleerd. Dat moest het werk zijn van het DWV (Deformed Wing Virus, het virus van de vervormde vleugels). Ik stelde me steeds opnieuw dezelfde vraag, die verder niemand leek te interesseren: 'Wat is het normale aantal varroa's in een tolerant volk?' Iedereen leek zich te concentreren op het groeitempo van de mijt en het aantal mijten in een volk, maar niemand gaf een cijfer voor het toelaatbare aantal mijten.

Elgon

Omdat de bij die ik teelde uit de kruisingen van de Monticola met buckfast genetisch sterk verschilden van mijn buckfaststam, vond ik 'buckfast' geen goede naam voor de nieuwe combinatie. Het werd 'Elgon'. Ik houd er echter aan om duidelijk te stellen dat ze geteeld is naar de geest van Broeder Adam en in overeenstemming met de principes van de buckfastteelt. Vandaag de dag is Poul Erik Karlsen een van de meest succesvolle Elgontelers, op het eiland Bornholm in het Deense deel van de Baltische zee. Het seizoen 1999 was het vijfde dat hij de meeste van zijn volken niet tegen varroa behandelde. Zijn andere waren overigens ook al drie jaar onbehandeld. Toch gedijen ze voorspoedig en geven hem goede honingoogsten. In zijn onmiddellijke omgeving waren en zijn er imkers met grote problemen. Toen de mijt het eiland bereikte, verloor ook hij veel volken. Dat was en is nog het geval bij zijn collega's.

Bornholm telt momenteel vier- tot vijfhonderd volken, de helft ervan behoren aan Poul Erik. Vóór de komst van de mijten waren er 2500. Is zijn bij varroatolerant?

f3Poul Erik maakt zich daar geen zorgen over. Hij is er blij om dat hij ze niet moet behandelen, dat ze het goed stellen en goede oogsten geven.

De ervaringen op Bornholm leveren niettemin een interessante vraag op en die luidt: 'Verhoogt chemische bestrijding de gevoeligheid van de bijen voor secundaire infecties veroorzaakt door virussen?' Er zijn verslagen die daarop wijzen. Als dat zo zou zijn, komen we met chemische behandelde varroatolerante bijen niet vooruit. Chemische bestrijding zal het ons bovendien erg moeilijk maken om dat soort bijen te vinden. Overigens: 'Hebben alle soorten chemische behandeling dezelfde nefaste gevolgen i n dit verband?' Waarschijnlijk niet, we moeten dat althans hopen.

In augustus 1998 behandelde Poul Erik op Bornholm negentig volken met mierenzuur om erachter te komen wat de infectiegraad van zijn volken was, gezien hij de varroamijt dus al een aantal jaren niet had bestreden. Zestig ervan stierven aan het einde van de daarop volgende winter aan dysenterie. 25 andere ontwikkelden niet goed tijdens de lente waardoor secundaire infecties en de varroamijt de bovenhand kregen. Om die redenen vernietigde hij ze. Had Poul Erik op dat ogenblik jonge bevruchte moeren van eigen stam gehad, dan had hij ze in de sterkste van die volken ingevoerd om ze te redden. Uiteindelijk hield hij drie van de negentig behandelde volken over. In twee ervan verwisselden de bijen de koningin. Uiteraard teelde hij uit deze drie volken verder.

Van zijn 110 onbehandelde volken, van wie de meeste dus sinds vijf jaar niet meer behandeld waren, stierf er één vanwege de stoornissen die een muis erin veroorzaakte. Van deze volken maakte hij afleggers om zijn stand op peil te brengen.

Kan dit voorval betekenen dat scheikundige behandeling de tolerantie tegen secundaire infecties vermindert? Even afwachten nog.

Beginnend onderzoek in Israël liet ook interessante resultaten zien betreffende de mogelijkheid dat Elgon-bijen varroa- en virustolerant zouden zijn. Verder onderzoek is daar in uitvoering. Ook in Zweden en elders gaat het onderzoek verder. Het uittesten van de mogelijkheden van Elgon-bijen om secundaire infecties en varroamijten te tolereren werd intussen meer gedifferentieerd. Het spreekt immers voor zich dat, als ik de mijt niet op mijn stand heb, het mogelijk is dat ik het verkeerde volk selecteer m.b.t. virus- en varroa-tolerantie. Ik ben afhankelijk van imkers die de mijt wel hebben, van hun bereidheid om testen uit te voeren die bijdragen tot mijn teeltactiviteiten, van teeltmateriaal ook van waaruit ik kan overlarven.

Sta me toe te zeggen dat het me lijkt dat, als deze bijen toleranter zijn, deze tolerantie wellicht voor een groot deel verband houdt met de koningin en haar feromonen.

Het lijkt wel dat deze feromonen een gunstig effect kunnen hebben op de harmonie en het goed functioneren van het volk in zijn geheel, zowel voor wat betreft zijn hygiënisch gedrag m.b.t. het geïnfecteerde broed als inzake het immuunsysteem van de bijen die er deel van uitmaken.

f4

Tien teeltregels voor Buckfast

• Rassen worden beschouwd in hun onderlinge samenhang, zoals in andere teelten naar lokale soorten van een bepaalde geografische streek wordt gekeken. Deze rassen zijn mogelijke genetische bronnen.

• De buckfastbij is eerder een geografisch ras dan een commerciële hybride.

• Darrencontrole is een sleutelwoord in de buckfastteelt. In het bijzonder bij het ontwikkelen van een nieuwe stam is het gebruik van zustergroepen als darrenbron essentieel. Het moedervolk van deze zustergroep is dan de genetische 'vader' van de nieuwe volken.

• Vermijd sterk voortgezette inteelt. Het is de grootste struikelsteen bij het telen van bijen. Occasioneel kan wel sterk worden ingeteeld.

• Laat de bijen het u vertellen! Om het even hoe een volk evolueert, laat het u zelf zeggen hoe goed het in werkelijkheid is. Steun niet op uw stamboek of op theoretische beschouwingen alleen.

• U moet in staat zijn de verschillen tussen de volken vast te stellen en hun bijzonderheden te ontdekken.

• Draag zorg voor de positieve uitersten die u bij uw volken vaststelt en laat hen op een gecontroleerde manier hun erfelijke eigenschapen overdragen naar de volgende generatie bij wijze van proef.

• Er zijn minstens honderd volken nodig om in staat te zijn met voldoende zekerheid redelijk vooruitgang te boeken in uw teeltactiviteiten .

• U moet de volken door en door kennen, als u het bent die de teeltvolken kiest.

• Deel uw genetische resultaten met andere imkers. Dat loont op termijn en samenwerken biedt meer kans op betere resultaten.