Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 99
Jaar: 2013
Maand: September
Auteurs: Norbert Nijs

Opstarten moerteelt

Ter verbetering van de bijenstanden biedt de KonVIB elk jaar via de Selectiewerkgroep aan zijn leden larfjes aan die al 24 uur als koninginnenlarfjes verzorgd werden, zodat de moeilijkste fase (de startfase) van de moerteelt 45 1achter de rug is. Het is een zeer lovenswaardig initiatief dat, mede door de hoge kwaliteit van de larfjes, zeer op prijs gesteld wordt.

Maar voor een imker mag dit geen reden of excuus zijn om zich niet zelf in deze techniek te bekwamen. Men moet, als het nodig is, ook op eigen benen kunnen staan. Er kan inderdaad altijd iets fout gaan met de bedeling of met de verdere opkweek van de larfjes waardoor men verplicht kan zijn om zelf een nieuwe moerteelt op te starten.

Praktisch elk moerloos volk of deelvolk kan als starter optreden. Moerloze bijen zijn altijd bereid om de in kunstdopjes aangeboden larfjes aan te nemen en te verzorgen als toekomstige koninginnen. Men gebruikt daarvoor bij voorkeur een volk of deelvolk zonder open broed, maar de aanwezigheid ervan is niet noodzakelijk een probleem. Een voorbeeld daarvan is het opstarten van de moerteelt in de honingbak boven een moerrooster.

Boven de moerrooster

45 224 uur vóór de omlarfdag brengt men twee ramen open broed – het mogen er ook meer zijn – met de opzittende voedsters naar honingbak, die met een moerrooster van de broedkamer afgezonderd is. ’s Anderendaags voegt men er de koninginnenlarfjes bij.

Er wordt aangenomen dat de voedsters, die er het broed verzorgen, de koninginnenlarfjes aanvaarden en verder verzorgen omdat ze zich op dat ogenblik al enigermate moerloos voelen. Dat gevoel zou ontstaan doordat ze er grotendeels verstoken blijven van de feromonen van hun moer om reden dat ze niet meer regelmatig naar de broedkamer terugkeren.

Voedsters laten hun broed niet graag in de steek. Tussen de naar de honingbak overgebrachte broedramen wordt gewoonlijk een raampositie onbezet gelaten waarin een dag later het teeltraam met de larfjes zal komen. Bedoeling is jonge bijen naar daar te lokken om er de voedsters bij te staan.

Maar opgelet: de bijen die er zich aanmelden, zijn overwegend bouwbijen. Ze komen er gewoon de ruimte dicht bouwen met raat en zijn van geen nut voor het voeden van de koninginnenlarfjes aangezien bouwbijen geen voedersap meer produceren, terwijl de larfjes op een dieet van uitsluitend voedersap

De ouderwetse starter

Een wat in onbruik geraakt instrument om de moerteelt op gang te brengen, is de starter. Het is een tijdelijk moer- en broedloos volkje op het formaat van een drieramer of eventueel een vijframer. Hij wordt als regel uitgerust met een honingraam, een stuifmeelraam en een leeg maar opgewerkt raam dat gedeeltelijk met water gevuld wordt.

Men kan vanzelfsprekend ook een raam inbrengen dat zowel honing als stuifmeel bevat. Als starterkastje kan elk kastje gebruikt worden met een goede bodemverluchting. Opdat de koninginnenlarfjes rijkelijk over voedersap zouden beschikken, dient een starter vooral bevolkt te worden met voedsterbijen. Deze zullen talrijk aanwezig zijn als daarvoor ramen met jong broed afgeschud of afgeveegd worden.

Voor het bevolken van een drieraams starter volstaat het om, afhankelijk van hun formaat, drie tot vier ramen af te schudden of af te vegen. Ik heb het hier wel over een eenmalige starter die al na 24 uur opgedoekt wordt en die aangemaakt wordt om een beperkt aantal koninginnen te kweken. Men bevolkt de starter het best met bijen uit hetzelfde volk. Ze zullen dan sneller als een volk optreden en de larfjes met meer bezieling verzorgen. Vliegbijen worden zoveel mogelijk geweerd. Ze zijn in een starter van geen nut en ze zorgen alleen maar voor onrust.

Men vergaart daarom de bijen in een kuip die men een paar keer tegen de bodem stoot om zoveel mogelijk vliegbijen te verwijderen. Om zeker te zijn dat de moer niet in de starter terechtkomt, dient men haar altijd eerst op te zoeken en haar met het raam waarop ze gevonden wordt, op te bergen in een afgesloten hulpkastje. Dat raam gewoon een positie opschuiven zoals dat gebruikelijk is tijdens het doorbladeren van de broedramen, is geen goede oplossing.

Een moer verloopt gemakkelijk tijdens werkzaamheden in de kast. Om die reden treft men ze trouwens al eens op twee verschillende ramen aan tijdens het doorbladeren van de ramen. Wie honingramen gebruikt van een kleiner formaat dan de broedramen, kan de starter geheel of gedeeltelijk aanmaken met lage ramen. Men kan dan eerst de bijen inbrengen en de lage ramen er gewoon boven hangen. Voor wildbouw moet men in een starter niet bevreesd zijn.

Voor zover als nodig, wil ik er ook de aandacht op vestigen dat het welslagen van de startfase evenzeer afhangt van de zorg die aan het omlarven besteed wordt. De larfjes mogen enerzijds niet te oud zijn maar anderzijds ook niet te jong. Hoe kleiner en fragieler ze zijn, hoe moeilijker het is om ze ongeschonden naar een kunstdop over te plaatsen. De voorkeur gaat naar larfjes op de leeftijd van ongeveer 24 tot maximum 36 uur.

Wie succesvol wil omlarven, doet er goed aan de nodige ervaring op dat vlak op te doen door af en toe gewoon wat te oefenen. Oefening baart kunst, zegt het spreekwoord. Men kan bijvoorbeeld als oefening eens proberen om koninginnenbrij te oogsten. De larfjes worden met een omlarflepel voorzichtig uit hun cel gehaald.

Ze liggen altijd gebogen in de cel en worden steeds langs de bolle kant opgeschept. Tijdens het optillen mogen ze niet langsheen de wand naar omhoog geschoven worden. Indien het larfje toch tot tegen de celwand glijdt, laat men het best liggen en kiest men een ander.

Het startervolkje wordt bij voorkeur op een koele, rustige en vooral donkere of verduisterde plaats gezet waar het zo weinig mogelijk gestoord wordt. Er zal dan meer aandacht naar de larfjes gaan omdat de bijen minder energie zullen verspillen aan het blijven zoeken naar een uitweg uit de starter.

Hoe minder ze gestoord worden, hoe beter. Wel zorgen voor voldoende bodemverluchting, maar altijd zoveel als mogelijk afgeschermd van het licht en zeker van het rechtstreekse zonlicht. Indien alles naar wens verloopt, liggen de larfjes 24 uur later goed in het voedersap en kan het startervolkje opgedoekt worden.

Is een wachttijd wel nodig?

Het is gebruikelijk om een starter af te dekken met een speciaal deksel dat toelaat de belarfde moerdopjes een paar uur later in te brengen zonder het kastje te moeten openen. Volgens de vigerende voorschriften moeten de bijen inderdaad al twee tot drie uur in de starter vertoeven alvorens men de koninginnenlarfjes mag inbrengen. Op die wijze is men zeker dat op dat ogenblik de moerloosheid al toegeslagen heeft. Sommigen raden zelfs een wachttijd van zes uur aan, wellicht om de opgesloten bijen ook tot rust te laten komen.

Wanneer bijen verwijderd worden van hun moer, blijven haar feromonen nog een tijdje nawerken via de voedersapstroom. Ik neem aan dat dit de reden is waarom het inbrengen van de larfjes vertraagd wordt. Men wacht tot die feromonen uitgewerkt zijn. Het is een handelwijze die vergelijkbaar is met deze die toegepast wordt bij het vervangen van een moer: een nieuwe moer laat men ook slechts inlopen nadat de feromonen van de vorige uitgewerkt zijn. Nu is er, wat de noodzaak van een staan!

Hun taak valt echter ’s anderendaags al weg wanneer de larfjes aankomen, waardoor ze dan talrijk beschikbaar zijn voor het opbouwen van de kunstdopjes, een werkje dat op die wijze 24 uur later al goed zal gevorderd zijn. De aanwezigheid van een mooie wachttijd betreft, geen discussie mogelijk wanneer het om het vervangen van een moer gaat. De aanwezigheid in de voedersapstroom van de feromonen van de vorige moer staat de aanvaarding van een nieuwe moer altijd in de weg.

Om ze veilig te kunnen inbrengen moet men bijgevolg ofwel wachten tot deze feromonen uitgewerkt zijn ofwel haar op een beschermde wijze inbrengen met behulp van een invoerkooitje dat afgesloten wordt met een prop voederdeeg om het inlopen te vertragen. Bij het voeden van koninginnenlarfjes echter mogen deze feromonen normaal geen probleem stellen. Dit lijkt me duidelijk aangezien de koninginnenlarfjes bij zwermdrift en stille moerwissel zelfs gevoed en verzorgd worden in aanwezigheid van de moer zelf!

De voedsters handelen dan weliswaar binnen een in het volk heersende speciale gemoedsgesteldheid, maar het zou me zeer verbazen indien dat enige rol zou spelen bij het verstrekken van voedsel aan larfjes. Voedsters zijn jonge bijen die voedersap produceren. Het is geweten dat ze nooit broed in de steek laten. Elk larfjes dat om voedsel bedelt, zal op zijn wenken bediend worden. De nawerking van de moerferomonen kan dus bezwaarlijk als reden ingeroepen worden om de larfjes met vertraging in een starter te brengen. Ik zie dan ook niet in waarom men ze niet onmiddellijk zou inbrengen.

Men heeft er altijd baat bij. Bijen die zonder hun moer en hun broed in een vreemde omgeving opgesloten worden, reageren daar altijd erg gestrest op. De aanwezigheid van larfjes zal een kalmerend effect hebben en rust brengen. Ze oefenen een grote aantrekkingskracht uit op werksters, in het bijzonder bij moerloosheid aangezien ze dan van levensbelang zijn voor hun voortbestaan als volk. Hoe rapper ze dus aanwezig zijn, hoe beter zou ik zeggen.

Als de larfjes onmiddellijk ingebracht worden, kunnen de voedsters die op dat ogenblik voedersapklieren hebben in volle werking, hun voedersap direct gaan afzetten in de moerdopjes. Dit komt de aanname en voeding van de larfjes allicht ten goede. Wanneer de larfjes daarentegen vertraagd ingebracht worden, een vertraging van soms meerdere uren, krijgt men een gans andere situatie. Niet alleen de moerloosheid heeft dan toegeslagen, maar ook de stress en onrust die daarmede gepaard gaan.

De bijen lopen paniekerig heen en weer in de starter. Ze missen hun moer en hun broed. Ze zijn wanhopig op zoek naar een uitweg uit het kastje. Ze worden daarenboven opnieuw gestoord wanneer de larfjes aankomen en wie weet vloeit, wegens de afwezigheid van broed, het voedersap na verloop van tijd al niet wat minder intens. Met andere woorden: de toestand is er op dat ogenblik zeker niet op verbeterd, integendeel, terwijl voedsters eigenlijk geen moerloosheid nodig hebben om koninginnenlarfjes te voeden.

Resultaat buiten verwachting

45 4Wegens het slechte voorjaar heb ik dit jaar de moerteelt verschoven naar de maand juni en de gelegenheid aangegrepen om eens bij wijze van test te werken met een starter waar de larfjes onmiddellijk ingebracht werden. Ik heb eerst het nodige materiaal klaargezet om de starter aan te maken, daarna omgelarfd en vervolgens de nodige bijen zo snel mogelijk vergaard, bijen afkomstig uit één volk.45 3

Een omheen het teeltraam gewikkelde keukenhanddoek hield de larfjes warm tot ze in de starter konden geplaatst worden. Eerst werden de bijen in de starter gebracht en direct erna de larfjes.

Als starter werd een gewone drieramer gebruikt met open vlieggat en afgedekt met een gewoon deksel. Op twee mislukkingen na, die wellicht te maken hadden met fouten bij het omlarven, lagen de larfjes ’s anderendaags bijzonder rijkelijk in het voedersap.

45 5Dit resultaat was bijzonder hoopgevend, wat bijgaande foto ten volle illustreert, zodat ik ter bevestiging deze test nog tweemaal herhaald heb in de loop van dezelfde maand, telkens met eenzelfde zeer gunstig resultaat.

Ik kan dan ook elke imker aanraden om deze werkwijze bij gelegenheid eens zelf uit te testen. wasrand aan de kunstdopjes bij het verlaten van de starter betekent echter niet automatisch dat de erin liggende larfjes ook optimaal gevoed werden.

En daar gaat het hier ten slotte om. Door hun overplaatsing naar een kunstdop werden de larfjes de voorraad hun voedersap ontnomen die op dat ogenblik in hun cel aanwezig was.

Ze moeten daarom zo snel mogelijk terug in het voedersap gelegd worden en dit liefst zo overvloedig mogelijk, .zoals dat bij natuurlijke moerteelt het geval is.

Alleen de larfjes die royaal koninginnenbrij toegediend krijgen, blijven op koers om uit te groeien tot energieke koninginnen.

Van larfjes die bijvoorbeeld een dag na het omlarven nog maar in een schraal bodempje koninginnenbrij zouden liggen, kan dat moeilijk verwacht worden.

Gelet op de hedendaagse ongunstige leefomgeving is het heel belangrijk dat de gezondheid en lichamelijke conditie van de bijenvolken zo optimaal mogelijk zijn en dat begint altijd bij hun moer.