Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 97
Jaar: 2011
Maand: April
Auteurs: Aloïs Schotanus

Het grote sterven

Goed vijf jaar zijn er verstreken sinds het verhaal van het Grote Sterven van de Honingbijen de headlines haalde in alle media. Maar zelfs toen was het niet echt een nieuw verhaal. Het massaal verdwijnen van bijenvolken werd al wel vaker gerapporteerd, sinds mensen reeds eeuwen geleden getracht hebben om het imkeren van een riskante verzamelactiviteit om te turnen tot een lucratieve beroepsbezigheid.

2011_10_1Zowat 200 jaar geleden is de grootschalige beroepsimkerij van start gegaan en dat gaf meteen ook het ontstaan aan talrijke imkertijdschriften. Sommige daarvan verschenen zelfs wekelijks, zo groot was de vraag naar informatie. Om maar te zeggen dat het massaal verdwijnen van bijenvolken sedert lang gedocumenteerd is in de bijenteeltpers.

Volgens Amerikaanse bronnen dook vanaf de 1800-jaren het verschijnsel om de 10 à 15 jaar op. Uitschieters daarbij waren 1963, ‘64 en ‘65. Bij gebrek aan beter weten, sprak men toen gewoon van de ‘verdwijnziekte’. Deze veelzeggende benaming verwees niet alleen naar de mysterieuze teloorgang van de bijenvolken, maar ook de ziekte zelf scheen op een al even onverklaarbare wijze te verdwijnen.

Dat maakte het ook zo moeilijk om zo’n raadselachtig verschijnsel tijdig te ontdekken en om het lang genoeg te kunnen observeren. De bijenvolken in kwestie hadden namelijk de enerverende eigenschap goed en wel verdwenen te zijn, vooraleer we maar een schijntje kregen van wat er in feite aan de hand was; erger nog, vooraleer we ook maar iets konden ondernemen om er wat aan te doen.

Afweersysteem

Of de catastrofale verdwijningen van de jongste jaren inderdaad zullen gecounterd worden of niet, ze hebben alvast het voordeel opgeleverd dat meer dan ooit heel wat ogen gericht zijn op de honingbij en op de factoren die haar welzijn moeten ondersteunen. Het doorgronden van haar immuunsysteem – haar ingebouwd afweersysteem tegen ziekten, plagen en belagers – staat hoog genoteerd op de agenda van alle wetenschappers en onderzoekscentra.

In de voorbije jaren werden heel wat doorbraken gerealiseerd in de studie van de genetica. In het DNA van alle levende wezens schijnt er een soort van blauwdruk te bestaan voor de opbouw van de organismen, en deze blauwdrukken vertonen heel wat overeenkomsten tussen alle levende wezens. Net zoals van een bouwplan van een huis verondersteld wordt dat het instructies bevat voor de fundering, de muren en het dak, hebben zowat alle levende wezens een plan voor zaken als geboorte, ontwikkeling, voortplanting, ziektebestrijding en, uiteindelijk, de dood.

Wat het nog interessanter maakt, is het feit, dat de meeste van de tot dusver bestudeerde organismen over systemen beschikken die erg op elkaar gelijken, om in het reine te komen met deze aspecten van het bestaan. Ook wij, mensen, hebben enig inzicht in ons immuunsysteem. Voor de instandhouding ervan zorgden onze moeders met een juiste voeding, warme sokken en aangepaste onderkleding, het aankweken van behoorlijk hygiënisch gedrag en met eindeloze raadgevingen voor het reilen en zeilen van het leven van alledag. Maar hoe zit dat bij onze bijen? Beschikken zij ook over beschermende systemen?

In een eerste fase

Bij een vergelijkende studie van het DNA van onze honingbij en dat van de fruitvlieg, deed men de merkwaardige vaststelling dat een aantal functies waarover de fruitvlieg scheen te beschikken om ziekten te bestrijden, helemaal ontbraken bij de honingbij. Dat roept automatisch twee vragen op: waarom missen de bijen die functies en wat doen ze ervoor in de plaats? Het heeft er alle schijn van dat het bezit van een gesofistikeerd immuunsysteem erg kostelijk is voor een organisme, zowel om het in stand te houden als om het aan te wenden.

De bijenkolonie heeft dat probleem opgelost door een briljant systeem van geïntegreerde ziektebestrijding, iets wat men internationaal met de term Integrated Pest Management = IPM is gaan noemen. In een eerste fase van het IPM hanteert de honingbij vrij eenvoudige, goedkope, arbeidsintensieve bestrijdingsmethodes; de zware middelen worden maar ingezet als alle andere hebben gefaald. In een groep die duizenden leden telt, bestaat de meest voor de hand liggende aanpak in dit verband erin om te poetsen, te kuisen, te reinigen. Iedereen kan het doen: troep vastpakken en buitensmijten.

En de job is nooit helemaal geklaard, er blijft altijd wel wat te vegen en te wrijven. In het bijenverblijf bestaat de eerste verdedigingslinie dus uit poetsbijen en zij kwijten zich van hun taak op een manier dat de stukken eraf vliegen. Daarenboven wordt alles, maar dan ook alles in het bijennest, voortdurend geschuurd en ingewreven met het wonderbaarlijke desinfecterend en voorbehoedende product dat ‘propolis’ heet. Het heeft zijn naam ontleend aan het Grieks en betekent letterlijk ‘voor de stad’.

Maar het beschermt niet alleen de toegang tot het bijenverblijf; de bijen gebruiken er massa’s van om andere gaten en kieren op te vullen, waarlangs indringers het bijenfort zouden kunnen binnendringen. Zij lakken alle oppervlakken binnen het nest met deze plakkerige substantie die zij op de boomknoppen verzamelen. De bijenwoning wordt zonder ophouden geschuurd en gevernist en elk vreemd object of materiaal wordt meteen buitengewerkt.

Strenge toegangscontrole

Al wat probeert toegang te verkrijgen tot het bijennest, wordt grondig geïnspecteerd. Honingbijen zijn bekwaam snelle snuffeltests uit te voeren om uit te maken of een inkomende bij tot het eigen volk behoort, of een vreemde indringer is. Dat is bijzonder nuttig, omdat de belangrijkste weg2011_10_2 waarlangs ziekten overgebracht worden in het bijenvolk, precies het vervliegen van de bijen tussen de bijennesten is, iets wat zich jammer genoeg zeer frequent voordoet. Indien de bijen de zwakke en zieke kolonies scrupuleus zouden mijden, zouden we wellicht allemaal een stuk beter af zijn; maar dat doen zij dus niet.

Waarschijnlijk omdat het profijt zo groot is, kunnen zij aan de drang om andere nesten te beroven en te plunderen niet weerstaan. Ondanks hun grote inspanningen om hun eigen nest te reinigen en te verdedigen, zijn die bijen ook de grootste vijanden als het erop aankomt om hun zieke en zwakke buren te plunderen. In feite is dat ook de grootste handicap om veel bijenvolken op eenzelfde plaats te houden. In de natuur zijn de in het wild levende bijenvolken over een veel grotere ruimte verspreid, zodat een zieke of zwakke kolonie gemakkelijker onopgemerkt blijft. Onze bijenstanden zijn als woonwijken waar het ene huis pal naast het andere is opgetrokken en waar de ene wijk aan de andere grenst.

Immuunsysteem

Ondanks alle voorzorgen geraken er dus toch ziektekiemen, als sporen, protozoa, virussen, bacteriën en ander minder fraais tot in het bijennest. Wat dan gedaan? Wel, het blijkt dat de bijen beschikken over een inwendig immuunsysteem dat zowat gelijkt op het onze, maar met toch wel enkele essentiële verschillen.

Dieren gebruiken, zoals wij mensen, de voor de hand liggende mechanische middelen zoals ontlasting, wassen en wrijven, niezen en hoesten, om te beletten dat vreemde stoffen zich zouden ophopen, buiten op, of binnen in ons lichaam. Wanneer desondanks toch bedreigende kiemen binnengeraken, ontplooien we verdedigingsmiddelen via onze bloedsomloop. Maar bijen hebben geen bloedsomloopsysteem met aders, haarvaten en dergelijke. Hun lichaam vormt een reservoir gevuld met hemolymfe, waarin de interne organen baden, precies zoals de krukas van een auto baadt in de olie van het motorblok.

In dit op bloed gelijkend fluïdum komen soortgelijke mechanismen voor die we aantreffen in ons eigen bloed, o.m. speciale waakcellen zoals de hemocyten. Deze waakhonden kunnen kleine vreemde lichaampjes zoals bacteriën inkapselen en letterlijk oppeuzelen; of ze kunnen ze van een merkteken voorzien zodat antibiotisch werkende proteïnes ze kunnen herkennen en vernietigen.

De hemocyten identificeren de vreemde lichaampjes en ontwikkelen de gepaste chemische bestrijdingsstoffen om de bijen te verlossen van die mogelijk fatale indringers. We stipten reeds aan dat in het IPMmodel de eerste verdedigingslijn bestaat uit mechanische middelen zoals poetsen en bestrijken om vreemde indringers als virussen, bacteriën of sporenvormende microben te weren. Pas als laatste redmiddel grijpen de bijen naar chemische verdedigingsstrategieën, maar die zijn kostelijk in aanmaak en kunnen zelfs schade aan het eigen gestel aanrichten.

Ironisch genoeg is het inderdaad zo, dat de inzet van een hoog gespecialiseerd immuunsysteem een zware tol eist van de belaagde waard, zelfs al is dat systeem bedoeld om zijn gezondheid te verdedigen of te herstellen. Een treffend voorbeeld daarvan vinden we ook bij de mens: ons lichaam zal koorts opwekken in een poging daarmee de ziekteverwekker te neutraliseren. Maar een koorts die te hoog oploopt, kan ook schade – en soms nog erger dan dat – toebrengen aan onze gezondheid.

Wetenschappers ontdekten dat de respons van het immuunsysteem bij hommels, schade kan toebrengen aan hun zenuwstelsel, waardoor het voor ze veel moeilijker werd om te leren. De vorsers injecteerden de hommels met een stof die een immunologische reactie zou uitlokken, maar die op zich geen schadelijke effecten zou veroorzaken. De respons van de diertjes was zo sterk, dat de uitvoering van hun normale taken in het gedrang kwam. In een experiment waarbij de wetenschappers de bekwaamheid van de hommels testten om de kleur te herkennen waaraan een voedselbeloning verbonden was, bleken de ‘zieke’ dieren het veel moeilijker te hebben om de testkleur te onderscheiden en de beloning op te halen.

En daarmee zijn we weer beland bij de kern van het probleem: de verdwijning van de bijenvolken. Ook bij de bijen heeft men vastgesteld dat vreemde stoffen die erin slagen om binnen te dringen in de interne organen van de bij, schadelijke effecten kunnen veroorzaken, inbegrepen de beperking van het leervermogen. Inderdaad, het ziet ernaar uit dat de plotse verdwijning van bijen gelinkt moet worden niet aan één aanwijsbare oorzaak, maar aan een gecombineerde immuunrespons, uitgelokt door een resem van irritante belagers als virussen, bacteriën, sporenelementen, exotische microben etc. etc. Vele onderzoekers vullen deze lijst nog verder aan met milieubelastende polluanten - zoals de nieuwste insecticiden - en de nevenproducten van onze moderne industriële samenleving.

Risiconiveaus

Er bestaan alleszins meerdere oorzaken waarom bijen verdwijnen als ze ziek zijn. Hiervoor werden reeds de symptomen van verwarring beschreven bij een zieke hommel. Een zieke en mentaal gehandicapte bij kan gewoon verloren raken en onbekwaam worden om de weg terug naar het eigen nest te vinden. Ze kan vervliegen in een ander bijenvolk of niet meer in staat zijn de bijenstand te halen. Om de zaken nog ingewikkelder te maken, heeft men vastgesteld dat er een hiërarchie bestaat in de risico’s die verbonden zijn aan de taken die een bijenvolk moet verrichten. En een correcte uitvoering van die taken hangt in grote mate af van de gezondheidstoestand van de bijen die ermee belast worden.

Het is duidelijk dat de verschillende taken in het nest op verschillende risiconiveaus te situeren zijn. Poetsen, voeden, raten bouwen, honing verwerken, zijn bezigheden die allemaal binnen in het veilige nest plaatsvinden. Die opdrachten worden uitgevoerd door de jongere bijen. De wacht optrekken aan de ingang, is al een wat gevaarlijker job en die wordt toevertrouwd aan de oudere bijen. Inderdaad, een bijenvolk bestaande uit een meerderheid van jonge bijen is veel minder defensief ingesteld dan een volk met vooral oudere bijen.

2011_10_3Eens dat die gefocust zijn op een indringer, geven ze niet op. Het zijn echte ‘keikoppen’ zegt de imker dan; ze houden hun verzet zo lang aan, tot ze hun angel ergens ingeplant hebben.
Maar de meest riskante job is wel die van een speurbij, op zoek naar nieuwe drachtbronnen. Ook die van haalbij houdt gevaren in, als ze het veld in moet om nectar, pollen, propolis en water naar huis te brengen.

Maar verkenners op zoek naar nieuwe drachtbronnen, moeten vaak een heel eind van hun nest vandaan opereren en lopen dus het grootste risico van te verdwalen of gedood te worden. Wel, deze gevaarlijke klussen zijn voorbehouden aan de oudste of … de zieke bijen. Dat is vrij voor de hand liggend. De gezonde werksters zijn immers te waardevol voor het bijennest. Door de oude zieke bijen bloot te stellen aan de grootste risico’s, geraakt het volk van ze verlost op een elegante manier. (De volksmond kent toch ook het gezegde: beter een oude gekraakt, dan een jonge geraakt!)

Suïcidale zelfopoffering

Dat brengt ons dan weer op een andere interessante hypothese, namelijk die van suïcidale oplossing. Zou het voorstelbaar kunnen zijn, dat honingbijen uit zichzelf tot het besluit kwamen om in bepaalde omstandigheden een laatste vlucht te ondernemen om te gaan sterven in het veld?

Dat zou alleszins niet in tegenspraak zijn met de altruïstische instelling van de honingbij die het welzijn van geheel het volk boven haar eigen, individueel bestaan stelt. Deze theorie geeft een aanvaardbare verklaring voor de snelle afgang van een bijenvolk. Het zou alleszins een effectieve manier zijn om een kolonie te verlossen van een aantal problemen.

Anderzijds kan niet onomstotelijk bewezen worden, of de bijen inderdaad met opzet uitvliegen om te sterven, of dat ze gewoonweg zo gehandicapt zijn door ziekte of door de hevigheid van de immuunrespons, dat zij niet meer in staat zijn om terug thuis te geraken. Alhoewel, het feit dat zieke bijen meer risico’s nemen dan gezonde werksters, ondersteunt toch de stelling van de suïcidale oplossing.

Foto’s: Roger De Vos