Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 102
Jaar: 2016
Maand: December
Auteur: Ghislain De Roeck

Quid ramen van dode volken?

Velen van ons hadden helaas al te maken met bijensterfte. Een van de vragen die dan opduikt, is die naar het eventueel hergebruik van de ramen die vaak nog een aanzienlijke hoeveelheid voedsel bevatten. Is er een gevaar voor de besmetting van de volken waarbij we die zouden invoegen? Het ultieme antwoord vergt natuurlijk een juiste diagnose van het probleem en die kan eigenlijk alleen ter plaatse gesteld worden. In deze bijdrage laten we enkele imkers aan het woord die bekend zijn met het probleem. Dat zou je beslissing aanzienlijk moeten

oorzaak besmetting belangrijk

Het is zonneklaar dat we ramen en voedsel niet altijd kunnen recupereren. Dat is zo bij de sterfte die de bacteriën van het vuilbroed veroorzaken. In beide gevallen kun je geen voordeel halen uit het recupereren van het materiaal, de wet verbiedt dat overigens.

Ook met schimmels is het oppassen geblazen. Net als bacteriën vormen ze sporen die aan zeer extreme omstandigheden kunnen weerstaan. Kalk- en steenbroed behoren tot deze groep. Gelukkig komt sterfte door kalk- en steenbroed in streken met een gematigd klimaat als het onze niet zo vaak voor. Beide nosema's behoren tot een subgroep van de schimmels, nl. de microsporidia. Schimmelsporen verwijder je best met ijsazijn, bijtende soda of de verfbrander. Als de raat voedsel bevat, is het nodig dat er eerst uit te slingeren. Als je het aan de bijen wil voederen, moet je het minstens een half uur koken. Ook niet vergeten achteraf je slinger te ontsmetten.

 

48 1

De bijensterfte van de laatste tien jaar is echter in hoofdzaak te wijten aan de varroamijt en bijhorende virussen. Het is betreffende het materiaal dat hierbij achterblijft dat er vragen rijzen. Als je de sterfte eenduidig aan de mijten kunt toewijzen, is ontsmetten niet nodig. Het probleem is echter dat je dit vrijwel niet kunt weten en je het materiaal dus steeds moet ontsmetten, tenzij ... virussen snel doodgaan, natuurlijk. Is dat zo?

Hoe lang leeft een virus?

Enkele jaren geleden beantwoorde Ludo De Clercq deze vraag op 'Bijen', het Vlaamse imkerforum. Met dank aan Ludo citeren we hieruit overvloedig:

'Virussen kunnen enkel in een functionerende gastcel leven en/of er zich vermeerderen. Voor een beperkte tijd lukt dit ook in droge vorm of in een vochtig milieu waarin geen verteringsenzymen zitten. Dat verklaart waarom een mijt een virus kan overdragen door besmet bloed van een bij te zuigen. Het deel van het bloed dat naar de maag gaat, wordt verteerd, een proces dat het virus volledig vernietigt. Dat is dus geen bron van overdracht. Een klein deel van het bloed dat aan de scharen en de zuigslurf van de mijt kleeft, bevat echter levende bloedcellen, waarin het virus wel overleeft.

Dat is het reservoir dat beschikbaar is voor de overdracht van een besmetting. Moeilijk om zeggen hoe lang een levend virus hierin kan verblijven, maar ik schat dat op meerdere uren tot zelfs dagen. In de praktijk betekent dit, dat de mijt zeker een nieuw slachtoffer zal vinden terwijl ze nog besmettelijk is. Het is dus niet zo dat er na een uur geen virussen meer zijn, maar hun aantal zakt wel zeer snel. De meettechnieken voor virussen zijn niet zeer gevoelig. Als we dus na enkele uren slechts 10%, en nog wat uren later slechts 1% overhouden, dan meten we daarna helaas niets meer. Wat niet betekent dat dit lichaamsvocht niet meer besmettelijk is, want daarvoor moeten we verder zakken tot 0,00000001% of lager, wat enkele dagen kan duren.

Kunnen we nu het materiaal uit een kast die het jaar voordien gesneuveld is, opnieuw gebruiken? Als de doodsoorzaak vast staat, en het ging enkel om varroa en virussen, dan is het risico, denk ik, klein, mits je er zeker van bent dat er geen levende mijt op aanwezig is. Virussen op voedselramen zijn theoretisch mogelijk (men kan een oplossing van virussen vriesdrogen, en dat poeder bewaart in steriele omstandigheden zeer lang), maar in de praktijk zijn er veel bacteriën in de lucht en op de raat aanwezig en eten graag een verloren gelopen virus graag op waardoor dit geen echte bron van overdracht is. Ook moet een bij van bijvoorbeeld het verlamde vleugelvirus zo'n tien miljard virusdeeltjes via de mond opnemen om een 50% risico op besmetting te hebben, terwijl één enkel virusdeeltje via het bloed, door de beet van een mijt bijvoorbeeld, hetzelfde gevaar inhoudt.'

Ludo besluit ietwat voorzichtig: 'Ik zou geneigd zijn mogelijk besmette voedselramen niet te hergebruiken. Even in de diepvries steken, doodt geen ziektekiemen, maar zal misschien ook het voer doen kristalliseren, wat maakt dat de bijen toch de helft zullen buitengooien als ze dat terugkrijgen. Het sop lijkt me de kool niet waard, zelfs als het gaat om honderden ramen. Een kilo suiker recupereren spaart nog geen euro, maar een gezond volk erdoor besmetten kost er honderden. Het verder betoog van Ludo kun je hier lezen: goo.gl/ev9g1V.

Andere meningen

Hoe logisch de redenering van Ludo ons ook lijkt, sommige Amerikaanse imkers denken er anders over. Dat blijkt althans uit een discussie op het Amerikaanse forum BEE-L waar een deelneemster met dezelfde vraag worstelde: 'Hoe lang moet ik wachten vooraleer het materiaal te hergebruiken van een aan varroa en virussen doodgegaan volk?'

Peter Borst, van de Cornell University, tevens voormalig bijenteeltinspecteur en beroepsimker, antwoordde haar dat het weinig zin heeft daar lang mee te wachten of, bijvoorbeeld, aan bestraling te denken, zoals in Amerika courant gebeurt. Om dat te staven, haalde hij een ernstig geval van kalkbroed aan op de bijenstand van de universiteit. Vierhonderd kasten en materiaal werden bestraald om de zware besmetting weg te werken. De moeite en kost waren tevergeefs, want het probleem dook kort nadien opnieuw op.

Om ziekte te voorkomen moet je gezonde volken hebben en een gunstige omgeving, argumenteert hij. Als slechte omstandigheden, overbevolking en varroamijten, de volken verzwakken, zullen ze uiteindelijk aan ziekte ten onder gaan. Hij herinnert ook aan een oude imkerwijsheid: 'een goede dracht lost alle ziekteproblemen op', behalve, helaas, de varroase.

Brenda Ball, wereldexperte op het vlak van bijenvirussen, onderschrijft deze stelling in recent werk van haar: Honey bee viruses: a cause for concern?

Ook Randy Oliver, bioloog en beroepsimker, deelt de mening van Peter Borst. 'Bijen dragen zelf zoveel virussen dat het vrij onbelangrijk is dat er ook nog op het materiaal aanwezig zouden zijn', redeneert hij, daarbij ondermeer verwijzend naar Parasites in bloom: flowers aid dispersal and transmission of pollinator parasites within and between bee species, een onderzoek van Dave Goulson en medewerkers. Dat experiment toont aan hoe ongelofelijk snel en efficiënt ziekteverwekkers via bloemenbezoek overgaan van bij tot bij, en dus van volk naar volk. Oliver getuigt verder over zijn eigen ervaring op dat vlak. Zelfs het toevoegen van kasten van volken die het jaar voordien doodgingen aan nosema, hinderden zijn sterk ontwikkelende kolonies niet.

Klinken er dan geen andere stemmen in dat Amerikaans koor? Jawel hoor, James Fischer, fysicus en grootimker, merkte op: 'Ondanks de wijd verspreide mening dat oude raat vrij is van virussen, zijn er harde bewijzen dat lege raten er toch kunnen herbergen'. Maar Peter Borst kreeg hij daarmee niet aan het twijfelen, die riposteerde aldus: 'Bijen zelf dragen alle mogelijke ziekteverwekkers. Er is immers niet zoiets als bijen die vrij zijn van ziektekiemen. Waarom zou je dan per se cleane ramen willen hebben of er kosten willen voor maken?' Materiaal regelmatig ontsmetten met de goedkope ijsazijn vindt hij altijd een goed idee.

Bestraling?

Wat is bestralen en kan het bij ons? Tijdens een bestralingsproces worden voorwerpen gedurende een bepaalde tijd blootgesteld aan een beperkte dosis radioactieve of ioniserende gamma- of bètastralen met het doel ziektemakende micro-organismen te doden.

Het Waalse Sterigenics is tot nu het enige Belgische bedrijf dat hiervoor toelating kreeg van het Agentschap voor Nuclaire Controle (FANC). De activiteiten daar worden strikt gecontroleerd en zijn aan Europese regels onderworpen. Het gaat meestal over voedsel of producten die gebruikt worden in de geneeskunde. Het bestralen van bijenmateriaal is alsnog niet toelaten. Dat zou, volgens onze zegsvrouw, wel bespreekbaar zijn. Over eventuele kosten beschikken we alsnog over geen informatie.

Samengevat

Al naargelang de oorzaak van de sterfte onderscheiden we drie mogelijkheden. Materiaal voortkomend uit een besmetting met:

  • vuilbroed: nooit hergebruiken.
  • nosema, kalk- en steenbroed: desinfecteren met ijsazijn.
  • virussen: na de winter teruggeven aan sterke volken tijdens een goede drachtperiode.

De wijze raad van Ludo De Clercq opvolgen blijft uiteraard eveneens een optie.

Op de website www.gezondheid.be kun je lezen dat bestraald voedsel perfect veilig is en helemaal niet radioactief belast.