Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 95
Jaar: 2009
Maand: Juli
Auteurs: Erwin Hoebrechts

Waarom Bijenkolonies masaal verdwijnen

De laatste stand van zaken in verband met CCD

Colony Collaps Disorder (CCD), het syndroom waarbij een ganse bijenkolonie gedurende de wintermaanden totaal 'verdwijnt', vaak met achterlaten van voer en zonder dat één dode bij gevonden wordt, is vanaf 2005 op grote schaal gerapporteerd door imkers bij ons, maar bijv. ook in de VS, Mexico en Canada.

Terwijl er op Europees niveau weinig coordinatie lijkt te bestaan tussen de lidstaten i.v.m. fundamenteel onderzoek naar de oorzaak van het fenomeen, hebben de drie hierboven genoemde landen aan de andere kant van de grote plas, vrij snel de handen in elkaar geslagen om het probleem gecoordineerd te onderzoeken. De belangen in de desbetreffende landen maar ook wereldwijd, zijn niet gering.

Deze werden kernachtig samengevat in een rapport dat opgesteld werd door Prof. M.R. Berenbaum voor een subcomité van het US Congres op 29 maart 2007:

• Ongeveer 3/4 van alle bloeiende planten op de planeet doen beroep op 'mobiele partners' om in hun bestuiving te voorzien.

• Wereldwijd wordt een vermindering vastgesteld in het aantal en de variëteit van de diersoorten die instaan voor deze bestuiving.

• Tijdens de laatste 50 jaar is het aantal bijenkolonies afgenomen van bijna 6 mio tot 2.4 mio in de Verenigde Staten. Varroa is vanaf 1980 aanzien als de hoofdschuldige.

Prof. Berenbaum gaf ook aan dat, indien het aantal bijenkolonies verder afneemt in de US aan dezelfde cadans als tussen 1989 en 1996, ertegen 2035 geen bijenteelt meer zou voorkomen op Amerikaans grondgebied. De gevolgen ervan op de Amerikaanse maatschappij, die hij aangaf in hetzelfde rapport, vat ik als volgt samen:

• Weinig impact op de directe voedingsproductie voor menselijk gebruik, vermits de grootste bron van energievoeding in de US afkomstig is van graangewassen; en deze zijn windbestuivers.

• Zeer dramatische impact op de productie van fruit, groenten en gewassen die gebruikt worden in de diervoedingsindustrie.

• Op korte termijn verhoging van prijzen van deze vruchten, omdat ze meer inspanningen vragen om te verbouwen onder meer via hogere huurprijzen voor bestuivingsvolken.

• Op langere termijn een verdere verenging van het pallet aan eetbare gewassen op het Amerikaanse bord.

Zijn rapport moet gezien worden als een oproep om de nodige fondsen los te maken om fundamenteel onderzoek te doen. Uiteindelijk haalde hij zijn slag thuis: Een 'CCD working team' werd opgericht; fondsen werden ter beschikking gesteld aan talloze onderzoeksinstituten om verschillende aspecten van het probleem nader te bekijken.

Een registratiesysteem werd in het leven geroepen om het verschijnsel en de randfactoren beter in kaart te brengen. We zijn nu twee jaar verder, en ik probeer hieronder samen te vatten waar we vandaag staan in het CCD onderzoek.

De gegevens verkregen uit de registratie brachten aan het licht dat er geen verband is met gebruikte bedrijfsmethoden of de schaal van de imkerij: zowel grote als kleine imkers worden geconfronteerd met CCD. Er blijkt ook geen verband met klimaatgordels. We wisten ook al eerder dat CCD toeslaat op mondiaal niveau: van Amerika over Europa tot in China werden er gevallen geregistreerd.

Onderzoek van zieke kolonies bracht aan het licht dat inwendige organen van de werksterbijen littekenweefsel bevatte. Dit wijst op een beschadiging die typisch is voor een infectie. Uiteindelijk werd ontdekt dat een eencellige, Nosema ceranae, hieraan te gronde lag. Nosema ceranae is een eencellige schimmel die verwant is met de ons beter bekende Nosema apis. Echter, de ceranae-versie is van nature parasitair op de Indische honingbij, Apis cerana.

Ook Spaans onderzoek toonde aan dat deze parasiet een Europese honingbij dodelijk ziek kan maken, zonder dat de kolonie de typische nosema­ziekteverschijnselen vertoont. Even was er een 'opdracht volbracht'-sfeer onder de onderzoekers. Maar bijkomend onderzoek toonde aan dat deze Nosema ceranae parasiet al minstenssinds 1993 en waarschijnlijk al langer in bijenvolken in Europa en in de US vertoeft. Hij kan dus niet alleen de veel recentere CCD uitbraken verklaren.

Verder hebben we de genetisch gemanipuleerde voedingsgewassen, die al langerin de US geteeld worden, en nu recent ook in Europa. Deze voedingsgewassen bevatten in regel een gen van de bacterie Bacillus thuringiensis.

Daardoor maken ze een toxine aan dat bijv. rupsen vergiftigt die de plant belagen en dus hebben deze planten daardoor een 'natuurlijke' afweer tegen deze plagen. Tot op heden kon men echter niet aantonen dat deze toxine via nectar of stuifmeel in honingbijen terechtkomt.

Omstreeks dezelfde periode dat de eerste CCD-uitbraken zich manifesteerden, werd een nieuwe generatie van pesticiden geIntroduceerd. Het gaat om de zogenaamde neonicotinoIden die om de zaden van het gewas aangebracht worden en die de plant beschermen tegen bepaalde ziekten zoals nicotine dat doet in de tabaksplant.

Men verdenkt deze insecticiden ervan dat ze het coördinatievermogen van de bijen aantast en als dusdanig de kolonie ontdoet van de fouragebijen, doordat ze hun weg naar de kolonie niet of moeilijker terugvinden.

Ook in Europa worden deze producten gebruikt. In Frankrijk bijv. werden ze als eerste verdacht in de zonnebloemteelt. Het Amerikaanse onderzoek kon geen residuen van deze producten in bijenkasten detecteren, maar stelde wel vast dat niet minder dan 170 molecuien die ontstaan uit de afbraak van insecticiden, voorkomen in bijenkasten die CCD symptomen vertonen. Helaas komen velen ervan ook voor in gezonde kolonies

Andere onderzoekers waren al jaren bezig met het in kaart brengen van virussen die via varroamijten honingbijen belagen. Ze gebruikten daarbij een techniek die metagenomisch onderzoek genoemd wordt.

Kort gezegd, komt het erop neer dat alle DNA dat in een bijenkast voorkomt, op een hoopje gegooid wordt en geIdentificeerd wordt. Vermits ondertussen het genoom van de honingbij in kaart is gebracht, kan men gemakkelijk bijenvreemd DNA uit dit hoopje isoleren.

Dit onderzoek bracht aan het Licht dat verschillende bacterien en virussen voorkomen in een bijenkast. Sommigen ervan gebruiken de varroa als gastheer. In aangetaste CCD-volken werd het Israel Acute Paralysis virus (IAPV) gedetecteerd. Sommige volken die kunstmatig geinfecteerd werden met dit IAPV-virus vertoonden inderdaad ziekteverschijnselen die vergelijkbaar zijn met CCD.

Wat hetonderzoek niet kon verklaren, was waarom sommige geInfecteerde volken echter gezond bleven.

Als besluit kan men stellen dat CCD volken ziek zijn, maar dat er niet een parasiet aan de grondslag ligt van de ziekte. Onder de onderzoekers groeit echter de consensus dat de bijen ten onder gaan aan een secundaire ziekte in de vorm van bijv. een virus of schimmel, maar dat dit beestje enkeL kan toeslaan omdat het immuunsysteem van de honingbij verzwakt of gestresseerd is. De focus van de onderzoekers richt zich dus logischerwijze nu op het identificeren van deze onderliggende oorzaak.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.....

Bronnen:

1.   'Colony Collaps Disorder and pollinator decline'; Prof May R Berenbaum. Horticulture and organic agriculture subcommittee US Congres — House of Representatives March 29th, 2007.

2.   Scientific American Magazine April 2009. 'Solving the mystery of the vanishing bees' (Diana Cox-Foster en Dennis van Engelsdorp).