Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 94
Jaar: 2008
Maand: Themanummer
Auteurs: Janine Kievits, Gh. De Roeck
Themanummer : Bijengezondheid en Ziektebestrijding

Systemische insecticiden, risico voor bijen?

Vandaag de dag kunt u de systemische insecticiden Gaucho en Regent nog vrijwel overal in Europa in de handel aantreffen. Hoe komt het dat enkel Frankrijk het gebruik ervan aan banden legde? Houden ze risico's in voor de bijen en zo ja, overwegen de autoriteiten dan maatregelen?

Bijen zijn specifiek

De honingbij is een sociaal insect en daarom kunnen we haar op toxicologisch vlak niet zo maar met andere insecten vergelijken. Honingbijen leven in kolonies. Dat is heel belangrijk want als we over 'toxiciteit' spreken, slaat dat niet enkel op het individuele insect, maar ook op het volk als geheel.

Nemen we de nectaroogst als voorbeeld. Op zijn sterkst telt een kolonie, dag in, dag uit, tien tot vijftienduizend haalsters die onge­veer 150 kg nectar moeten inza­melen om haar door de winter te helpen.

De bijen vervoeren dat volume in hun honingmaag, 'pot­jes' van amper 60 mg. Onnodig te zeggen dat ze er belang bij hebben om dit werk te rationaliseren.

En ze doen dat dan ook, o.a. via hun bekende 'dansen', een com­plex, aangeboren gedragsschema dat ook een leerproces bevat. De bijen moeten bekwaam zijn om een bepaalde richting te 'lezen' en te onthouden, zoals ze ook het tijdstip van de nectarafscheiding van een plant moeten onthouden of de plaats waar hun kast staat.

Ze vervullen nog andere complexe taken:

• de raatbouw met zijn volmaakt hexagonale cellen;

• de zorg voor het broed;

• de instandhouding van de temperatuur- en vochtwaarden nodig om de ontwikkeling van het broed te verzekeren;

• de bewaring van de honing- en stuifineelvoorraden;

• het zwermgedrag en de bijhorende zoektocht naar een nieuwe woonst;

• de verdedigingstactieken tegen diverse vijanden, ...

De bijen voeren al deze taken uit via aangeboren gedrag en het ver­mogen om heel precieze details te memoriseren.

Het voortbestaan van een volk is afhankelijk van de integriteit van deze gedragingen, en dus van de integriteit van het zenuwstelsel van elk insect (1,5 tot 2 mg zenuwsubstantie) waarin elke synaps belangrijk is (zie tekstkader ).

Het is essentieel dat te begrijpen om de potentiële gevolgen van het gebruik van systemische insectici­den te kunnen inschatten.

Risicofactoren en LD50

Er is de jongste tijd veel gesproken over Imidacloprid en Fipronil, maar we moeten er ons van bewust zijn dat we op korte termijn te maken zullen krijgen met andere actieve stoffen van hetzelfde type.

Zo zijn Thiamethoxam en Clothianidin ook neonicotinoïden, zoals Imidacloprid. We noemen dat 'agonisten' van acetylcholine. Fipronil is dan weer een fenylpyra­zol, een agonist van het zuur 'GABA' (zie tekstkader, ). Al deze substanties zijn in staat om de neuroreceptoren van de bijen te blokkeren met al de gevolgen die dat kan hebben voor het individuele insect of de kolonie waartoe het behoort.

52.1-1Het is een gewoonte om de toxi­citeit van pesticiden te evalueren op basis van hun agronomische doeltreffendheid. Dat is hun ver­mogen om een maximaal aantal schadeverwekkers te doden in een minimum van tijd.

Om dat te bepalen, bestudeert men de 'dodelijke dosis 50' of LD50 (van lethal dose) die overeenstemt met de hoeveelheid actieve stof die er nodig is om 50% van de schadelijke individuen te doden binnen een tijdsbestek van 24 of 48 uur. Deze dosis wordt ofwel uitgestreken op de huid van het insect (contact LD50), ofwel in een vloeistof gemengd en opgezogen (orale LD50).

In het toepasselijke classificatie­systeem, in 1973 opgesteld door Atkins, bepaalt een proefondervin­delijke regel dat er bijkomende testen nodig zijn als de verhouding tussen deze LD50 en de in het veld gebruikte hoeveel­heid groter is dan 50.

We noemen deze verhouding de 'risicocoëfficiënt' van de actieve stof, ook bekend als het Hazard Quotient. Dat is het geval voor alle hiervoor vernoemde stoffen.

Voor maïs behandeld met Gaucho bedraagt de verhouding 18.900 voor oraal contact en 11.283 voor huidcontact. Zelfs als deze verhoudingen geen echte klinische betekenis hebben, dan moeten ze toch onze aandacht vestigen op de potentiële toxiciteit van dit systemische insecticide.

Neurotransmissie, een essentieel mechanisme

Een prent bekijken, een geur identificeren, een beweging in gang zetten, een beslissing nemen, al deze mechanismen, en vele andere, verlopen via het zenuwstelsel.

Dat functioneert een beetje zoals een computer, op basis van elektrische impulsen. Deze impulsen, ook zenuwontladingen genoemd, planten zich voort doorheen de zenuwbanen en gaan van de ene zenuwcel over naar de andere door over de microruimte tussen twee cellen te 'springen'.

Deze microruimte noemen we een 'synaps' en de 'sprong' van de elektrische impuls is een 'neuro­transmissie'. Aangekomen aan de buitenkant van een cel, doet de impuls blaasjes springen waarin zich de moleculen van een bepaalde substantie - de neurotransmitter -bevinden.

Deze moleculen steken de synaps over en schuiven in bij de neuroreceptor die zich aan de buitenkant van de volgende zenuwcel bevindt. De koppeling van de neurotransmitter en de neuroreceptor genereert in 52.2_1de tweede cel een nieuwe impuls die zich doorheen deze cel voortplant tot aan de volgende, enz. Dat mechanisme regelt het impulsenproces.

Het lichaam scheidt de verschillende neurotransmitters af in kleine of grote hoeveelheden en hiervan hangt bijvoorbeeld ons humeur af, maar ook onze slaap, het feit dat we ons gestrest voelen of niet, de preciesheid van onze gebaren, ... Alcohol, antidepressiva, drugs, ...beïnvloeden de neurotransmissie.

Alcohol remt de functie af van het aminozuur GABA (Gamma-aminoboterzuur) dat een rol speelt in ons bewustzijn. Als het GABA-metabolisme verstoord is, kunnen we maar moeilijk onze weg naar huis vinden. Dat is, volgens wat onderzoekers denken, wat onze bijen overkomt als gevolg van het gebruik van systemische insecticiden.

Dronken zijn maakt niet dood! Het verandert enkel ons gedrag, voor een tijdje, maar het kan fataal zijn, als we in die staat een auto besturen.

Iets dergelijks overkomt wellicht ook onze bijen. Ze sterven niet van de zwakke dosissen gif die hun neuro­transmissie verstoren, maar ze worden onbekwaam om bepaalde taken uit te voeren, bijvoorbeeld de weg naar hun kast terugvinden.

Voor een korte tijd? Wellicht ... maar toch is dat fataal. De werking van stoffen, die de vermogens van de bijen aantasten zonder ze te doden, noemen we een 'subletaal effect'.

Fataal chronisch contact

Toxische stoffen kunnen de bijen rechtstreeks treffen via bespuiting of ze kunnen er in aanraking mee komen nadat de stoffen op de gewassen werden aangebracht. Ook het opgehaalde water kan besmet zijn. Het contact met de stof is hier hoe dan ook beperkt in de tijd. We spreken dan over een acute vergiftiging (eenmalig con­tact).

Het gaat er helemaal anders aan toe bij vergiftiging door systemi- sche insecticiden. In het geval van zaden behandeld met een neuro­toxische stof, verspreidt deze zich in de plant waardoor het risico ontstaat dat ook de nectar en het stuifmeel besmet geraken.

De werksters zuigen de nectar op en brengen hem naar hun kast. Als de afstand tot de hal klein is, ver­bruiken de haalsters de honing die ze uit de raat namen alvorens te vertrekken. Bij langere afstanden, gebruiken ze ook een (klein) deel van de geoogste nectar.

Stuifmeel is een ander verhaal. De haalsters zijn in contact met de buitenkant van de pollenkorrels en niet met de toxische stof, want die zit binnen in de korrels.

Maar ze verbruiken het stuifmeel niet, ze vliegen ermee naar hun kast. Daar wordt het niet onmiddellijk ver­bruikt: het verblijft er gedurende enkele dagen in de raat en onder­gaat er een melkzuurfermentatie zodat de voedsterbijen het kunnen eten en verteren.

Deze consume­ren het stuifmeel om er koningin­nenbrij mee te produceren. De lar­ven krijgen deze brij toegediend en ook het stuifmeel. De koningin van haar kant ontvangt enkel koninginnenbrij. De bewaarduur van het stuifmeel bedraagt meerdere maanden.

Dat is vooral zo tijdens de winter, gelet op het feit dat de eerste larven, vanaf ongeveer februari, gevoed worden met het stuifmeel dat de bijen aan het einde van de vorige zomer verzamelden en opsloegen.

Indien systemische insecticiden het stuifmeel en de nectar besmet­ten, zijn de contacten tijdens de dracht dus repetitief. De risicope­riode duurt tot vijftien dagen, al naar gelang de drachtbron.

De contacten met het gif bestendigen zich gedurende de periode dat de larven het voedsel ontvangen en, verder, als de bijen honing eten uit een besmet deel van hun voorraad. In dat geval spreken we over chro­nische intoxicatie (zich herhalende contacten over een min of meer lange periode).

Pertinentie officieel onderzoek

Alvorens pesticiden op de markt komen, ondergaan ze een aantal testen die peilen naar hun giftig­heid voor mens en dier. Ook hun ecotoxiciteit wordt gemeten (effecten op vogels, waterorganis­men, bijen, ...).

We kregen de kans om enkele Europese dossiers in te kiiken van ondernemingen die solliciteerden naar een erkenning voor hun product. Bij de lezing ervan rezen onze haren meer dan eens ten berge!

Enkele voorbeelden:

• zoals onlangs nog beklemtoond in Apidologie bewijzen de testen m.b.t. acute vergiftiging een grote gevoeligheid van de bijen voor systemische insecticiden. Dus zagen we in de recente dossiers dat er in verband hiermee meerdere experimenten uitgevoerd werden in geïsoleerde omgevingen en, als dat nodig was, ook te velde.

Echter, ondanks de kennis van het risico dat de systemische insecticiden veroorzaken, was er in geen enkel dossier een spoor te vinden van testen gericht op chronisch contact van de bijen met het gif. Ook de subletale effecten kwamen er niet in aan bod.

• in de dossiers over Clothianidin zagen we dat de meeste testen doorgingen in kooien (4mx4mx2m). De onderzoekers vulden hiervoor kastjes met vijf­honderd bijen en plaatsten deze een dag later in de kooien. In elke kooi bloeide een dracht-veldje met koolzaad of een andere teelt, met behandelde (=test) of niet-behandelde (=controle) zaden.

De test duurde vier dagen. Als er geen beduidende bijensterfte vastge­steld werd, besloten de onderzoekers dat het product geen negatief effect had op de bijen. Op zonnebloemen zijn er in de praktijk drie tot vier dagen nodig om de eerste effecten van ver­giftiging bij de productievolken te zien optreden.

52.3_1
Op zonnebloemen zijn er in de praktijk drie tot vier dagen nodig om de eerste effecten van vergiftiging bij de productievolken te zien optreden (foto: Dietrich Carlé)

Zelfs als de ingekooide bijen intens foera­geerden, zou enkel vergiftiging door contact met het stuifmeel een effect kunnen gehad hebben.

De test was in feite een kopie van de testen georganiseerd voor de pesticiden die via besproeiing in het milieu terecht komen. Als dusdanig toegepast op producten voor zaadbehande­ling, is de test volkomen zinloos (nota: de test was enkel in het dossier van Clothianidin terug tee, vinden).

• het dossier 'Thiametoxam' beschreef kooitesten waarbij de stof als sproeimiddel werd gebruikt. Resultaat: alle bijen gingen dood. Het is echter voor­barig te concluderen dat dit ook zou gebeuren bij gebruik van het product voor zaadbehandeling.

Dat is overigens een ander kenmerk van de dossiers over zaadbehandeling: geen twee waren op dezelfde manier opgesteld. Dat kan ook niet anders: het evaluatieschema leek nergens op, iedereen maakte ervan wat hem goed uitkwam of#4 toch ongeveer ...

• andere testen vonden plaats in tunnels met een lengte van 10 m. Op die afstand laten de bijen zich leiden door hun geur- en zichtvermogen.

Hun vermogen om een richting te onthouden - een mechanisme waarvan men veronderstelt dat systemische insecticiden het verstoren - werd niet onderzocht. En toch steunen deze verslagen zich op dat soort testen om te stellen dat de actieve stof geen invloed heeft op het gedrag en de gezondheid van de bijen.

• in het dossier 'Clothianidin werd de legcapaciteit van de koningin onderzocht op basis van een test met volkjes die slechts vijfhon­derd bijen tellen. Dat is maar het honderdste deel van een normaal volk.

Hoe kan men op deze manier vaststellen dat het legvermogen intact blijft? Bovendien zou de test over meerdere maanden moeten lopen om tot een geldig besluit te kunnen komen.

• in het dossier 'Fipronil' werd de coëfficiënt van blootstelling aan toxische stof (Toxicity Exposure Ratio) gebaseerd op een bereke­ning die de hoeveelheid nectar aangeeft waaraan een bij is blootgesteld. De weerhouden hoeveelheid bedroeg 20 microliter.

In feite stemt deze waarde overeen met de hoeveelheid die de procedures (Guidelines) voorzien om de LD50 te berekenen. Maar dat is helemaal niet de hoeveelheid gif waarmee een bij te velde in contact komt.
Volgens Apidologie schommelt deze in een periode van vijf dagen van 100 tot 900 milli­gram, al naar gelang ze binnen­werk verricht of haalster is. Als we de berekening opnieuw maken met deze cijfers, is het niet verwonderlijk dat de volken in elkaar storten na vier dagen 'zonnebloem': in die tijdspanne hebben de bijen de LD50-waarde zo goed als bereikt.

• we moeten soms ook een vraagteken plaatsen bij de ernst van de onderzoeken. In het dossier 'Clothianidin' vonden we de beschrijving van een tunnel-proef waarbij het aantal bijen in drie weken tijd zo goed als verdubbelde hoewel de volkjes zonder broed in de tunnel werden geplaatst! Dat kan natuurlijk niet, maar als de lezer van een dergelijk dossier geen imker is, valt dat niet op.

• hetzelfde dossier beschrijft een veldproef met een perceel koolzaad van 1 ha waarbij de zaadopkomst slechts 10% bedroeg.

De onderzoekers stelden zich geen vragen over de aantrekkelijkheid van dergelijk drachtveld voor de bijen dat nochtans in een streek lag met diverse andere drachtbronnen.

De waarnemingen in het koolzaadveld leverden geen betekenisvolle vaststellingen op en dus werd besloten dat Clothianidin geen beduidend negatief effect had op de volken!

• algemener: geen enkele test bewees dat de proefbijen het behandelde stuifmeel verbruik­ten en niet het stuifmeel dat ze in reserve hadden (voor tunnel-proeven gebruikt men volken die over voedselreserves beschik­ken).

Zoals al aangehaald wordt stuifmeel door de bijen 'uit­gesteld' verbruikt. Een belangrijk element m.b.t. de betrouwbaar­heid van de controleschema's wordt zodoende verwaarloosd, zonder compensatie.

Het enige wat we hieruit kunnen concluderen is dat de testen, zoals ze nu zijn opgesteld, het op geen enkele wijze mogelijk maken om over de giftigheid van deze producten te oordelen.

Gezaghebbend vonnis

De basis voor de machtigingen m.b.t. gewasbeschermingsmiddelen is de Europese richtlijn 91/414/EG, een bindende tekst waarop de wetgeving van de Europese landen steunt.

In Frankrijk, zoals elders in Europa, is de bevoegde minister er toe gehouden een machtiging te weigeren of in te trekken als blijkt dat de voorwaarden waaraan het product moet voldoen niet of niet meer aanwezig zijn.

Volgens de Franse Raad van State was (en is) dat het geval voor Gaucho. Zoals UNAF, het eisende imkerssyndi­caat, opmerkte, werden bepaalde door de richtlijn verplichte testen niet uitgevoerd.

Dat was het geval voor de testen op larven die ver­plicht zijn als het risicocoëfficiënt (Hazard Quotient - HO) meer dan 50 bedraagt. Herinner u dat deze waarden voor Gaucho 'maïs', het product waarover het in dit geval ging, opliepen tot 18.900 bij inname en 11.283 bij contact via de huid.

BAYER Cropscience stelde hier­tegenover dat de HQ-waarde in deze geen zin had omdat het ging over zaadbehandeling en niet over besproeiing. Echter, behalve het feit dat deze bewering niet met afdoende redenen omkleed werd (ter herinnering, het product is aanwezig in de nectar en stuif­meel, substanties die de bijen verbruiken), kon de Raad van State een wettelijke beslissing, waarop geen afwijking mogelijk is, niet zo maar naast zich neerleggen.

De Raad bestempelde de toelatings­voorwaarden dan ook als niet ver­vuld en verplichtte de minister de toelating op te schorten tot wan­neer de Europese autoriteit zich zal uitgesproken hebben over de actieve stof. Goed om weten is dat deze substantie niet voorkomt in Bijlage 1 van de Richtlijn omdat de eerste toelatingen dateren van vóór het in voege treden ervan.

Wetenschappers onderzochten nochtans de hypothese van een subletale gedragsverstoring door neurotoxische insecticiden. Ze gingen de invloed na van moleculen als Imidacloprid en Fipronil op bepaalde gedragingen van de bijen.

Ze toonden aan dat deze stoffen wel degelijk aanwezig zijn in de nectar en het stuifmeel van de behandelde planten en dit in hoeveelheden die potentieel giftig zijn voor de bijen. U moet weten dat de betrokken ondernemingen in 1995, toen de problemen opdoken, zelfs ontkenden dat de actieve stoffen in contact konden komen met de bijen, een feit dat ze intussen aanvaard hebben.

Franse onderzoekers hebben inmiddels ook aangetoond dat de genoemde moleculen, zelfs in heel kleine dosissen, bepaalde reflexen van de bijen drastisch verzwakken, hun leervermogen verstoren en, nadien, beletten dat ze hun kast terugvinden als ze van de dracht terugkeren. Deze bevindingen hebben uiteraard een grote rol gespeeld bij de rechtzaken die de Franse imkers voerden bij het gerecht.

Andere testen nodig!

Het oorspronkelijke arrest van de Franse Raad van State, bevestigd in een vonnis in 2006, fungeert als jurisprudentie voor alle Europese Landen. Het verplichtte de imkers zich te buigen over de wijze waarop de Europese erkenning-procedure voor Fipronil en Imidacloprid, die intussen het gezelschap kregen van zuster­moleculen als Thiamethoxam en Clothianidine, verliep.

De analyse van de voorlopige evaluatieverslagen (Draft Assessment Reports), raadpleeg-baar via de site van het EFSA (European Food Safety Authority www.efsa.europa.eu) levert dezelfde tekortkomingen op als de Franse procedure: weinig of geen testen op larven en veronachtzaming van het Hazard Quotient van zodra de actieve stof bestemd is voor de zaadbehande­ling.

52.5_1
Voor maïs behandeld met Gaucho bedraagt het 'Hazard Quotiënt' 18.900 voor oraal contact en 11.283 voor huidcontact terwijl 50 de risicogrens is.(foto: Gh. De Roeck)

Er is dus wel degelijk een pro­bleem dat moeilijke vormen heeft aangenomen. Het evaluatieschema moet integraal worden nageleefd en als blijkt dat dit voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen niet kan, moet het worden herzien, voorafgaandelijk aan de instructie van de erkenningprocedure.

Evaluatieprocedure herzien?

Dat is wat in deze zou moeten gebeuren. Zoals blijkt uit de studie van de dossiers is het analysesche­ma ontoereikend om met goed gevolg de mogelijke toxiciteit van insecticiden voor zaadbehandeling te testen. Het huidige schema houdt inderdaad geen rekening met de chronische toxiciteit van deze stoffen die tijdens de hele bloeiperiode in de plant aanwezig zijn.

En dat gedurende ongeveer een maand voor bijvoorbeeld zonnebloemen en koolzaad. Dat gegeven creëert een heel nieuwe situatie die zich zelfs niet voor­doet bij het gebruik van insectici­den - zelfs systemische - via besproeiing! Bovendien worden enkel de letale risico's gemeten terwijl in deze gevallen vooral de subletale gevolgen dodelijk kunnen zijn voor de bijen.

Subletale testen maken het mogelijk te controleren of een volk al dan niet gedesorganiseerd is ten gevolge van gedragsver­storing door systemische insec­ticiden, zelfs als de vergiftigde bijen na 24 of 48 u. nog in leven zijn.

Gelet op de vermelde lacunes in de erkenningsprocedure richtten een twintigtal Europese imkersvereni­gingen, waaronder de Kon.VIB, een schrijven aan de bevoegde Commissarissen.

Ze vroegen de herziening van de erkenningproce­dure en de niet-inschrijving van de betwiste stoffen in Bijlage 1 van de Richtlijn zolang er geen ernstig evaluatieplan bestaat. Een afvaardiging van deze verenigin­gen sprak hierover met de Commissie (Directoraten Gezondheid en Omgeving).

De procedure voor de erkenning van nieuwe actieve stoffen gaat niettemin door. De Commissie is verplicht deze dossiers te onder­zoeken binnen de tijdslimieten vastgelegd in de werkprogramma's.

Als ze de procedures vanaf nul zou herbeginnen, kan ze de dossiers niet binnen de vooropgestelde termijnen afwerken. Ze zou dan tekortschieten ten overstaan van de producenten, een toestand die de Commissie tot elke prijs wil ver­mijden. De Commissie telt in haar rangen, helaas, geen specialist 'bijen'; ze is belast met de risicoanalyse en doet beroep opf het EFSA (European Food Safety Authority) voor wat betreft de evaluatie ervan.

Tekortkomingen

De vraag blijft natuurlijk waarom het EFSA en de lidstaten-rappor­teurs dossiers met dergelijke tekortkomingen lieten doorgaan? Wellicht heeft dit te maken met de te geringe middelen van de betrokken diensten ten aanzien van de omvang van de taken die hen worden opgelegd.

Zo telt de dienst PPPR (Plant Production Products and their Residues) bij het EFSA slechts zes personeels­leden. De PRAPeR (Pesticide Risk Assessment Peer Review) heeft meer personeel, maar moet het dan weer stellen met slechts drie ecotoxicologen.

Dat is niet veel, gelet op het werkvolume. Om zich hiervan te vergewissen, volstaat het de evaluatiefiches (Technical Review Reports) te raadplegen op de website van de Europese Unie.

Op het vlak van de Europese staten zelf is de situatie vergelijkbaar. Het is helaas ondenkbaar dat een specialist voor elke actieve stof, en zeker voor erg specifieke materies als de bijen, de dossiers zou onderzoeken op hun wetenschappelijke pertinentie.

Er wordt wel geverifieerd of de vereiste onderzoeken uitgevoerd werden, maar eventuele afwijkingen worden niet opgemerkt, zoals bijvoorbeeld het feit dat het onmogelijk is om courante gedragingen van een kolonie te testen in volkjes van slechts vijfhonderd bijen.

Onze 'duik in de realiteit van de erkenningsprocedure bracht twee belangrijke tekortkomingen in de huidige procedures aan het licht.

De eerste is dat alle testen uitgevoerd en beoordeeld worden door de aanvrager van de erkenning en door hem alleen. Er zijn geen contra-expertisen, noch verwijzingen naar eventueel bestaande, mogelijkerwijs tegensprekelijke, wetenschappelijke literatuur.

Zo wordt in het dossier 'Fipronil', bijvoorbeeld, geen gewag gemaakt van de verslagen van het CST (het Franse Comité Scientifique et Technique), waar­van de besluiten sterk afwijken van de geruststellende studies die BASE, de aanvragende partij in deze, voorhoudt. Dit terwijl Frankrijk lidstaat-rapporteur was voor deze actieve stof!

De tweede ernstige tekortkoming is dat de erkenningprocedure zich afspeelt zonder dat de publieke opinie er weet van heeft. Dat belangstellenden de dossiers kunnen inzien op de website van het EFSA is een lovenswaardige nieuwigheid.

De procedu­re echter voorziet niet in de raad­pleging van stakeholders - mensen uit de praktijk - zoals dat vaak gebruikelijk is voor sociale aange­legenheden of aspecten die betrekking hebben op het milieu. Hierdoor is er op dit belangrijke niveau geen verweer tegen het lobbywerk van de fytofarmaceuti­sche ondernemingen.

Economische belangen

En dat lobbywerk is reëel, natuur­lijk. Begrijpelijk ook, als we de economische belangen van de betrokken ondernemingen in overweging nemen.

Deze realise­ren immers een belangrijk deel van hun zakencijfer op een beperkt aantal moleculen. In het geval van BAYER Cropscience bijvoorbeeld vertegenwoordigen de 'top 10-moleculen' meer dan een derde van het jaarlijkse verkoopcijfer!

Twee van deze moleculen zijn geviseerd door deze bijdrage: Imidacloprid (587 miljoen euro) en Clothianidine (110 miljoen euro) op een totaal van 5.896 mil­joen euro. Fabelachtige getallen, maar de kosten voor het ontwikke­len en op de markt brengen van elk van deze producten belopen onge­veer honderd miljoen euro. Welke onderneming zou deze moleculen opgeven in de gegeven omstandigheden?                      

Voorafgaandelijke evaluaties kunnen de onzekerheid aangaande de eventuele schadelijkheid van een stof weliswaar beperken, maar niet opheffen.

Het is logischerwijs immers niet mogelijk iets te bewijzen dat (nog) niet gekend is. Het algemeen belang vereist dus dat de autoriteiten een product van de markt kunnen halen als blijkt dat het een probleem veroorzaakt.

Zo ook is het in het algemeen belang dat de wetgever het gebruik van pesticiden tot een strikt minimum beperkt (al was het maar om geen resistentie in de hand te werken). Dat houdt in dat markt van de betrokken onderne­mingen drastisch inperkt.

Maar hieruit zouden dan weer economi­sche nadelen voortvloeien die deze ondernemingen als ondraaglijk beschouwen. Een dergelijke situatie mondt meestal uit in een conflict tussen het algemeen belang (de Staat en, als deze tekort schiet, de burgers) en de ondernemingen van de betrokken sector.

Dat is nadelig voor iedereen. In de eerste plaats voor de ondernemingen waarvan het imago beschadigd wordt. Vandaag de dag is dat een enorm taboe dat in de kortste keren moet worden doorbroken.

Hoe moet het nu verder met de 'zaak van de bijen'? Gezien de omvang van het fenomeen is het wenselijk dat er snel een oplossing komt.

In de Verenigde Staten zorgt de economische druk ervoor dat onderzoekers koortsachtig naar een oplossing streven. In Europa lijkt dat minder het geval. De vraag is dan of Europa zijn lot in eigen handen gaat nemen of zal wachten op een Amerikaanse oplossing.

We moeten hopen dat het eerste gebeurt. Inderdaad, mocht Amerikaans onderzoek de Commissie verplichten om actieve stoffen te schrappen die ze op Bijlage I van de Richtlijn geplaatst heeft, dan zou aan de Europeanen het bewijs geleverd zijn dat hun overheid niet in staat is om een hoog niveau van milieubescher­ming te waarborgen.

Iets waarmee de Commissie nochtans pronkt. Laat ons dus hopen dat Europa voorziet in een geloofwaardig evaluatieproces, gebaseerd op een onafhankelijke en tegensprekelijke expertise en op transparante procedures. Pas dan kan het zijn burgers de zekerheid geven dat ze kunnen betrouwen op de competentie en onafhankelijkheid van de instellingen die over hun leefmilieu en gezondheid waken.

(vertaling Gh. De Roeck).