Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 98
Jaar: 2012
Maand: Juli-Aug
Auteurs: Dr. Von der Ohe, Dr. Dieter Martens

Duits bijenmonitoringproject deel2

Het vorige artikel over Gegevens, feiten en achtergronden van het DeBiMo-project wordt vervolgd door de bijdrage van dr. Werner von der Ohe en dr. Dieter Martens over de resultaten van de analyse van de residu’s van plantbeschermingsmiddelen in bijenbrood.
 
De door imkers veel besproken hypothese dat residu’s van plantbeschermingsmiddelen gedurende massadrachten de oorzaak zijn van winterverliezen was de aanleiding tot deze onderzoekingen. Hierbij gaat23 1 het niet over directe, gemakkelijk herkenbare vergiftigingen van bijen door het ondeskundig gebruik van plantbeschermingsmiddelen, maar over de omvang van de belasting van het binnengebrachte voedsel met plantbeschermingsmiddelen en de mogelijke invloed hiervan op de overlevingskansen van de bijenvolken. De focus wordt vooral gericht op zaadbehandeling en het gebruik van sproeistoffen bij koolzaad.

Verzamelen van gegevens voor residuanalyse

Ieder jaar werden van deelnemende bijenstanden honingstalen (doorgaans twee verschillende honingoogsten per jaar) en indien mogelijk twee bijenbroodstalen van de monitoringvolken genomen (na de koolzaadbloei en in de zomer gedurende de maïsbloei). Stuifmeelanalyse van honing en bijenbrood geven een relatief goed beeld van de bijenweide die door de bijen werden bezocht.

Het onderzoek van residu’s werd om twee redenen uitgevoerd op het bijenbrood in plaats van op honing: in de eerste plaats kleven de actieve stoffen van plantbeschermingsmiddelen door hun eerder lipophiele (vetminnend) karakter beter aan stuifmeel dan aan hydrophiele (waterminnende) honing. Ten tweede wordt het bijenbrood over langere tijd gebruikt als voedsel voor de voedsterbijen en larven. Effecten op middellange en lange termijn zijn eerder hier te verwachten dan door de opgeslagen honing.

Detectie- en meetgrenzen

Door de projectraad werd beslist dr. Dieter Martens (Landwirtschaftliche Untersuchungs- und Forschungsanstalt (LUFA) Speyer) met de onderzoekingen te belasten. In het betrokken instituut werd vervolgens een aan de matrix bijenbrood aangepaste modulaire multi-analysemethode (LC-MS/MS, GC-MS) ontwikkeld en gevalideerd, voor alle relevante actieve stoffen van plantbeschermingsmiddelen. In het begin werden 258 stoffen gedetecteerd en gemeten, nu zijn het er 368. De meetgrens ligt, naargelang de stof, tussen 3 en 15 μg/kg bijenbrood.

De detectiegrens ligt daar iets onder, bijvoorbeeld voor neonicotinoïden bij 1 μg/kg. Vanaf de meetgrens is het mogelijk de exacte hoeveelheid van een stof te bepalen. De detectiegrens, die altijd lager is dan de meetgrens, is de waarde waarop een stof kan gevonden worden, maar de exacte hoeveelheid niet kan bepaald worden. De op residu’s onderzochte bijenbroodstalen werden in de bijeninstituten door stuifmeelanalyse, volgens DIN 10760, naar hun botanische afkomst onderzocht.

De resultaten van de onderzoeksjaren 2005 tot 2010 zijn samengevat in onderstaande tabel.

Meest voorkomende actieve stoffen23 2

2005-2006: Bijenbroodstalen van 105 bijenstanden werden onderzocht en in het totaal werden 42 actieve stoffen gevonden. De meest voorkomende waren: coumaphos (46 maal, varroabehandeling), boscalid (35 maal, fungicide) en terbuthylazin (32 maal, herbicide). Het meest voorkomende insecticide was thiacloprid (9 maal, Max. 199 μg/kg).

Tussen de overwinteringsquotiënten was geen significant verschil tussen de bijenstanden waar geen pesticiden in het bijenbrood werd gevonden en bijenstanden met hoge residuwaarden.

2007: De resultaten van de 110 bijenbroodstalen (met een bijenbroodstaal van bijna alle bijenstanden) verschilden, met betrekking tot het aantal positieve stalen en het aantal gevonden actieve stoffen, niet veel van deze van 2005 en 2006, zoals uit de tabel blijkt.

2008: 88 bijenbroodstalen, met een groot aandeel van stalen uit de zomer, werden onderzocht en 48 actieve stoffen werden gevonden. Slechts 10 bijenbroodstalen (11,4%) waren volledig vrij van actieve stoffen. De gevonden actieve stoffen lagen meestal onder de meetgrens.

2010: per monitoringstand werden zoveel mogelijk een voorjaars- en een zomerstaal (n=209) onderzocht. In 189 stalen (90,4%) werden residu’s van plantbeschermingsmiddelen gevonden, 30,2% lag onder de 10μg/kg en 15,3% lag boven de 100μg/kg, alle actieve stoffen in rekening gebracht.

Gevonden actieve stoffen

De frequentie van de gevonden actieve stoffen in de bijenbroodstalen lag tussen 1 en 124 (deze laatste waarde is voor boscalid aangetroffen in 59,3% van de stalen). Gemiddeld zijn de gecontamineerde stalen met 6 actieve stoffen belast (van 1 tot 16). Bij de insecticiden in 2010 was de actieve stof met de hoogste frequentie thiacloprid, dat gevonden werd in 119 stalen (max. 236μg/kg). De oorzaak hiervan is het bespuiten van koolzaad. Het gehalte aan thiacloprid en de eveneens voor koolzaad gebruikte fungicide boscalid correleren telkens met het relatief hoge aandeel van koolzaadstuifmeel in de stalen. Deze vaststelling is in lijn met de vorige onderzoeksjaren. In een staal werd 450μg/kg chlorpyriphos (gebruikt in de teelt van sierplanten) gevonden. De betrokken bijenvolken van deze stalen vertoonden een opvallende zwakke volksontwikkeling.

 

Bij de andere bijenvolken, waar eveneens in de bijenbroodstalen hoge concentraties van plantbeschermingsmiddelen werden gevonden, vertoonden geen bijzonderheden in hun ontwikkeling. De hoogste belastingen (fungiciden iprodion 12.800 μg/kg, fludioxonil 1510μg/kg, cyprodinil 568 μg/kg, difenoconazol 465 μg/kg, boscalid 161 μg/kg en insecticide thiacloprid 236 μg/kg) werden in een stuifmeelstaal gemeten. Deze combinatie van actieve stoffen duidt het gebruik van plantbeschermingsmiddelen bij asperges-, aardbeien- evenals groententeelt. Dit is in overeenstemming met de ligging van de monitoringstanden en het stuifmeelbeeld. Deze volken hebben zich normaal ontwikkeld, bijensterfte werd niet waargenomen.

Neonicotinoïden in focus

Er werd veel aandacht besteed aan de neonicotinoïden, door hun hoge toxiciteit voor bijen. Eerst een verklarende opmerking: de toxiciteit van een actieve stof is afhankelijk van de stof zelf en van de dosering ervan. Zo worden plantbeschermingsmiddelen met actieve stoffen uit de groep van de neonicotinoïden ook beschouwd als niet gevaarlijk voor bijen, zoals de actieve stof thiacloprid of acetamiprid. Actieve stoffen zoals clothianidin of thiamethoxam zijn niet alleen toegestaan voor zaadbehandeling, maar ook in B-1 bijengevaarlijke bespuitingsmiddelen. In de onderzoekingen tot nu toe uitgevoerd werden imidacloprid in één (3μg/kg) en clothianidin in twee (max. 2,8μg/kg) van de in totaal 512 bijenbroodstalen gevonden. Het neonicotinoïde thiamethoxam, evenals het fel besproken fipronil, werden in geen enkel staal gevonden.

Open vragen

De in het kader van het DeBiMo-project uitgevoerde analysen van residu’s van plantbeschermingsmiddelen in stuifmeel (bijenbrood) was het eerste onderzoek van deze aard in Duitsland. De gemeten waarden zijn aannemelijk en weerspiegelen de huidige landbouwpraktijken en eveneens de noodzakelijke varroabehandelingen met acaraciden.

Er kon echter geen relatie gevonden worden tussen de contaminatie van het stuifmeel en de volksontwikkeling, meer in het bijzonder de winterverliezen. Relatief veel stalen zijn besmet, maar slechts in kleine hoeveelheden en veel lager dan de op dat ogenblik geldende LD50-waarde (waarde waarop 50% van een volk wordt gedood). Weliswaar werden geen direct bijengiftige concentraties gemeten, nochtans geeft het bewijs van de aanwezigheid van een cocktail van plantbeschermingsmiddelen in stuifmeel aanleiding de combinatorische en chronische werking van deze stoffen op bijenvolken verder te onderzoeken. Hiervoor zijn echter gerichte experimenten nodig.

Verdere details van de resultaten kan men vinden op www.ag-bienenforchung.de

Auteurs: Dr. Werner von der Ohe en Dr. Dieter Martens, in naam van de aan het DeBiMo-project deelnemende bijeninstituten.