Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 99
Jaar: 2013
Maand: November
Auteurs: Ghislain De Roeck

Ook fungiciden doden bijen

De voorbije zomer meldden de nieuwsmedia dat wetenschappers de oorzaak van de bijensterfte hadden gevonden. Ze hadden namelijk vastgesteld dat een cocktail van fungiciden en pesticiden de weerstand van de bijen tegen nosema zodanig verzwakt dat ze er tenslotte aan bezwijken. Is dit nu hét schot in de roos of de zoveelste valse piste? De toekomst zal het uitwijzen, intussen blijf je best de varroa tijdig en efficiënt bestrijden. We brengen je hierbij de belangrijkste resultaten van dat wetenschappelijk onderzoek.

niet aan hun proefstuk

54 1Het onderzoek liep aan de universiteit van Maryland en het Bee Research Laboratory van het Amerikaanse ministerie van Landbouw, te Beltsville gelegen in dezelfde Amerikaanse staat. Jef Pettis en Denis vanEngelsdorp, mannen met een stevige reputatie als bijenonderzoekers voerden er de leiding over. Ze zochten een antwoord op twee vragen:

1. aan welke pesticiden zijn bijen blootgesteld als ze stuifmeel verzamelen op grote teelten?

2. in welke mate beïnvloeden deze pesticidencocktails hun weerstand tegen nosema?

Aanpak

De onderzoekers verzamelden stuifmeelklompjes bij negen volken op de zeven volgende gewassen: amandel, appel, blauwe bes, komkommer, pompoen, veenbes en watermeloen. Deze gewassen werden geteeld op velden die minstens 3 km van elkaar verwijderd lagen. Ze onderzochten de verkregen stuifmeelstalen op de aanwezigheid van nosema en pesticiden, met inbegrip van de varroaciden amitraz (Apivar) en fluvalinaat (Apistan).

Analisten van het ministerie van Landbouw identificeerden de soorten en hoeveelheden pesticiden in de verzamelde stuifmeelstalen (behalve voor de stalen van de amandel die te laat bloeide). De onderzoekers namen lukraak 210 ziektevrije bijen uit drie gezonde volken die het Bee Research Laboratory hen ter beschikking stelde. Elke bij werd bij haar geboorte ingedeeld in één van 21 groepen van tien bijen. Alle bijen van een groep behoorden tot hetzelfde volk en werden in een houten kooitje gehuisvest. Elke groep kreeg 1 gram stuifmeel te eten gemengd met 0.5 ml siroop 1:1.

Het stuifmeel kwam van één van de gewassen of van één van twee controlediëten: het ene bestond uit pesticidenvrij stuifmeel, het andere was een stuifmeelvervanger (Megabee). Het nosemavaccin werd geprepareerd door nosemasporen uit een besmet volk te mengen met suikersiroop 1:1 waardoor een concentratie van ca 2 miljoen sporen per 5 ml vloeistof werd verkregen. Elk groepje bijen had toegang tot 5 ml nosemavaccin gedurende hun eerste twee levensdagen. Daarna kregen ze vrije toegang tot onbesmette suikersiroop 1:1. Twaalf dagen later werden de bijen onderzocht op de aanwezigheid van nosemasporen.

Om de effecten te kunnen bepalen van de individuele bestrijdingsmiddelen op de gevoeligheid voor nosemainfectie berekenden de onderzoekers de zogenaamde risicoratio (‘relative risk ratio’). Een ratio gelijk aan ‘1’ betekent dat er geen verschil in risico is tussen de blootgestelde proefbijen, die hier met besmet stuifmeel werden geconfronteerd, en de niet-blootgestelde. Een ratio kleiner dan ‘1’ wil zeggen dat de blootgestelde bijen minder gevaar lopen dan de niet-blootgestelde en een ratio groter dan ’1’ drukt uit dat de blootgestelde bijen meer risico lopen dan de niet-blootgestelde.

Resultaten

De volken verzamelden verschillende hoeveelheden stuifmuil op de onderscheiden gewassen. De diversiteit van het stuifmeel, geschat op basis van de kleur van de klompjes, varieerde volgens het gewas. De proportie stuifmeel die de bijen verzamelden op de bloemen van de teelt waarin ze werden opgesteld, was ronduit laag met uitzondering voor amandel en appel.

De stuifmeelstalen bevatten 35 pesticiden met een gemiddelde van negen soorten per staal (minimum drie, maximum 21). De hoeveelheden liepen op van 23,6 tot 51,3 ppb (‘parts per billion’ of microgram per liter). De maximale concentratie in elk staal oversteeg de gemiddelde dodelijke dosis voor de fungiciden esfenvaleraat (o.a. in Sumi alpha van BASF) en fosmet (in o.a. Imidan van Gowan). Een gemiddelde dodelijke dosis, of LD50, is de dosis waarbij de helft van een populatie sterft binnen de 24 u.

Insecticiden en fungiciden kwamen voor in alle stalen, herbiciden in toch ook 24% ervan. De insecticiden behoorden tot zeven categorieën: oxadiazines zaten in 11% van de stalen, neonicotinoïden in 16%, carbamaten in 32%, cyclodines in 53%, formadines ook in 53%, organofosfaten in 63% en pyrethroïden in 100%.

Neonicotinoïden en oxadiazines kwamen enkel voor in stalen van appels.

147 van de 630 proefbijen geraakten uiteindelijk besmet met nosema. 22van de 35 aangetroffen pesticiden hadden een risicoratio beduidend verschillend van ‘1’. Acht ervan konden geassocieerd worden met een toenemende nosemaprevalentie, de andere 14 met een afnemende.

Bij twee van de drie door imkers toegepaste antivarroamiddelen (Apivar en Apistan) liep de risicoratio op tot meer dan ‘2’. Dat betekent dat de nosemaprevalentie bij bijen die stuifmeel met die bestrijdingsmiddelen aten dubbel zo hoog was als bij bijen die dat niet deden.

Overigens leidden meer dan de helft van de aangetroffen pesticiden tot hogere nosemaprevalentie.

Bespreking

De resultaten van dit onderzoek belichten een aantal problemen die verdere aandacht vergen:

1. hoewel gehuurd voor de bestuiving van de genoemde teelten, haalden bijen in meerdere ervan vooral stuifmeel op wilde planten. Dat lijkt te bevestigen dat solitaire bijen voor die teelten betere bestuivers zijn.

2. stuifmeel verzameld op de geselecteerde teelten en de planten er rond bevatten hoge hoeveelheden fungiciden.

3. twee fungiciden chlorothalonil (o.a. in Bravo van Bayer) en pyraclostrobin (o.a. in Insignia van BASF) en twee acariciden (Apivar en Apistan) hadden een negatief effect op de weerstand van bijen tegen nosema.

4. verschillende stuifmeelstalen bevatten hoeveelheden pesticiden die hoger lagen dan hun LD50.

Deze studie toont overduidelijk aan dat imkers niet enkel aandacht moeten hebben voor pesticidenbehandelingen op de teelten waar ze naar toe reizen, maar ook voor de bespuiting van naburige teelten en wilde planten in hun buurt vanwege steeds mogelijke pesticidendrift.

De onderzoekers vonden dat blootstelling aan fungiciden de bijen gevoeliger maakt voor acariciden en nosema en wijten dat aan de aanwezigheid van chlorothalonil. Het pesticide met de hoogste risicoratio was pyraclostrobin. Bijen die stuifmeel met die actieve stof aten, liepen bijna drie keer meer risico op besmetting met nosema.

Een gelijkaardig risico lopen ze trouwens ook op met Apivar en Apistan.

Het aantal aangetroffen pesticiden per stuifmeelstaal en de hoge concentraties ervan zijn zorgwekkend:

1. twee stuifmeelstalen bevatten een pesticide in een hogere concentratie dan de letale dosis.

Voor esfenvaleraat (LD50=8,83 ppm – ‘parts per million’ of milligram per liter) werd tot 14,7 ppm gemeten in een komkommerveld en in een appelboomgaard steeg de concentratie fosmet (LD50=8,83 ppm) tot 14,7 ppm.

2. deze studie suggereert dat de blootstelling aan meerdere pesticiden de letale dosiswaarde van elke individuele pesticide verlaagt en stille moerwisseling bevordert.

3. de onderzoekers herinneren er ons verder aan dat pesticiden subletale effecten kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en reproductie van de bijen evenals op hun leer- en geheugenvermogen en foerageergedrag.

Niet nieuw

De waarheid gebied ons te zeggen dat dit lang niet het eerste alarmsignaal is dat een deel van de wetenschappelijke wereld ons geeft. Vooral de synergetische werking van pesticiden met varroaciden werd meermaals belicht. Zo meldt vanEngelsdorp in een andere studie dat piperonylbutoxide de werking van fluvalinaat (Apistan) 980 maal versterkt.

De stof is overigens een synergist van vele andere insecticiden. Het valt te betreuren maar het is gewoon niet anders: we beschikken over onvoldoende kennis van de onderlinge werking tussen pesticiden – daarin begrepen de varroaciden die we als imker in de kast brengen - en hun metabolieten. vanEngelsdorp vond in 2007 121 verschillende pesticiden in 887 stalen van was, pollen en bijen, 98% van alle wasstalen waren besmet.

Eén wasstaal telde zelfs 39 pesticiden. Dat leidt ongetwijfeld tot een overbelasting van de detoxificatieprocessen in de bijen.

Referentie

• ‘Crop pollination exposes honey bees to pesticides which alter their susceptibility to the gut pathogen Nosema ceranae’. JS Pettis, D. vanEngelsdorp et al., PLoS ONE 8(7).

• ‘Parasite-insecticide interactions: a case study of N. ceranae and fipronil synergie on honey bee’, J. Aufauvre, L. Belzunces et al., Scientific reports, 22 maart 2012.

• ‘Gut Pathologie and responses to the microsporidium Nosema ceranae in the honey bee Apis mellifera’, C. Dussaubat et al., (2012) PLoS ONE 7(5).

• ‘Pesticide exposure in honey bees results in increased levels of the gut pathogen Nosema’, Jef Pettis, Dennis vanEngelsdorp et al., Springer Open Choice, 31 december, 2011.

• ‘High Levels of Miticides and Agrochemicals in North American Apiaries: Implications for Honey Bee Health’, CA. Mullin et al. (2010) PLoS ONE 5(3)

• ‘Wetenschappers ontdekken oorzaak massale bijensterfte’, De Morgen, 29 juli 2013.