Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: Januari - Februari
Auteurs: Anton Van Derbeken

Succes of ondergang van een bijenvolk

Een multifactorieel probleem

Het voorkomen van bijensterfte is een duidelijk multifactorieel gebeuren. Het is niet enkel een combinatie van parasitaire spinachtigen, virussen en bacteriën maar heeft zeer sterke aanwijzingen op de interferentie van deze parasieten met fenotypische omstandigheden zoals pesticidendruk, genetische selectie, voedselaanbod in de vorm van eiwitten in stuifmeel en het metabolisme van de bijen. Met fenotypisch bedoel ik de som van alle milieu-invloeden (van buitenaf) en de genetische kenmerken (van binnenuit).

Yin en yang

Er zijn een aantal fundamentele verschillen tussen ziektebeelden bij honingbijen en andere nutsdieren. De relatie die een bijenvolk heeft met haar milieu is de belangrijkste reden hiervoor. Bij een ziek zoogdier (varken, koe, paard, mens) kan men ook bij multifactoriële aandoeningen nog steeds de verschillende factoren van elkaar scheiden en ingrijpen waar nodig. De behandelende (dieren)arts kan meestal het milieu van het zieke zoogdier zodanig bepalen dat het risico vanuit die hoek wordt uitgesloten. Bij een ziek bijenvolk is dit een stuk moeilijker omdat we soms eerst de omgeving moeten ‘genezen’ om het organisme terug gezond te krijgen.

We kunnen een bijenvolk moeilijk behandelen in een gesteriliseerde afdeling met intensieve zorgen. Bijen blijven op dit vlak nog steeds ‘wilde dieren’. Ze zijn zo sterk verbonden met hun vliegweide als een foetus met de baarmoeder. Een bijenvolk kan je niet los van haar vliegweide bestuderen. Het is een symbiotisch geheel. Yin en yang.

De bijen hebben in hun tientallen miljoenen jaren co-evolutie de planten in hun omgeving morfologisch bepaald en omgekeerd. Ze zijn het verlengstuk van de bloemdelen. Een bijenvolk is een superorganisme, een geheel dat pas kan functioneren binnen de grenzen van een ruimer geheel. Met andere woorden, op langere termijn kunnen bijen niet overleven zonder vliegweide met natuurlijke plantengroei en omgekeerd. Als er wereldwijd een ernstige sterfte optreedt dan moeten we eerst die vliegweide heel goed bestuderen en genezen.

Het fenotype van honingbijen omvat dus veel factoren die op elkaar ingrijpen en terugkoppelen dat het zeer moeilijk wordt om ze van elkaar te scheiden.

Wetenschappelijk onderzoek naar bijensterfte2014 2 1

Het is van het grootste belang dat degelijk observationeel onderzoek rekening houdt met alle mogelijke stressfactoren die kunnen leiden naar bijensterfte. Screening is dus zeer moeilijk omdat we nog steeds niet weten wat de krachtverhouding is van de stressfactoren die tot incidentie (ziekte en/of sterfte) leiden. Zowel toegepast onderzoek als fundamenteel onderzoek richt zich vaak op één bepaalde factor. De resultaten van dergelijk onderzoek worden vaak als waarheden verkondigd alhoewel het steeds onduidelijk is hoe de krachtverhoudingen liggen van al deze resultaten onderling.

De laatste jaren is het mysterie van ‘de verdwijnziekte’ dan ook al talloze keren opgelost. Het zijn telkens andere onderzoekers die steeds nieuwe relaties aantonen tussen het door hen onderzochte onderwerp en de verdwijnziekte. De oorzaak van abnormale bijensterfte wordt door één groep quasi volledig op de activiteiten van de varroamijt geschoven en door de andere groep op het gebruik van pesticiden, de derde groep wijst virale, bacteriële of nog andere parasieten met de vinger en een vierde groep de doorgedreven menselijke selectie, een vijfde groep wijst dan weer de monoculturen met de vinger en de urbanisatie.

De waarheid ligt natuurlijk ergens tussenin maar het bepalen van die krachtverhoudingen is geen eenvoudige klus. We weten met zekerheid dat neurotoxinen zoals neonicotinoïden de werking van het hart, de ademhaling, de voortplanting, de communicatiemogelijkheden en de oriëntatiemogelijkheden sterk beïnvloeden. De labotesten van al deze stoffen wijzen uit dat de schadelijkheid van deze stoffen een stuk onder de LD50 waarde ligt.

Toch zijn dit subletale effecten die in het veld een zeer grote invloed uitoefenen op een bijenvolk vanwege de interactie met andere stressfactoren. We weten met zekerheid dat de graad van besmetting met Varroa destructor een sterke associatie vertoont met de infectiegraad van virussen en bacteriën in een bijenvolk. Zowel de Varroa destructor als de virussen en bacteriën kunnen we op zichzelf bekeken moeilijk als direct dodelijk beschouwen maar het cocktail is dit wel.

We weten met zekerheid dat een eenzijdige voeding met stuifmeel van monoculturen met maïs of andere bloemen een belemmering betekent in de aanvoer van een variatie aan eiwitten en aminozuren. Toch is deze beperking op zichzelf geen dodelijke factor. Het is bekend dat fungiciden de werking van insecticiden en andere pesticiden kunnen versterken. Het is bekend dat varroa de injectie van virussen in een bijenlichaam versnelt. Het is bekend dat eenzijdige voeding de voedingsbodem voor nosema versterkt. Het ingrijpen van al deze factoren op elkaar bepaalt het lot van een bijenvolk.

Gecoördineerd onderzoek

In dit artikel wens ik een woordje te doen namens onze bijen aan al die wetenschappers en veldwerkers om hun onderzoek aan te moedigen, te coördineren, correct te interpreteren en te vertalen naar maatregelen en concrete initiatieven om de kwaliteit van onze omgeving te verbeteren. Gecoördineerd onderzoek betekent evenzeer dat de wetenschappers van diverse universiteiten en instituten elkaars resultaten kunnen gebruiken voor diverse doelstellingen.

Ik loop al een paar jaar met een ei over dit onderwerp en heb sinds enkele jaren een concreet voorstel. Ik ga er immers van uit dat onze honingbij een uniek insect is die we continu kunnen screenen als bio-indicator of natuurindicator. Het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) is het Vlaams onderzoek- en kenniscentrum voor natuur en het duurzame beheer en gebruik ervan. INBO werkt met natuurindicatoren om de kwaliteit van ons milieu objectief te meten.

Verder verlies van biodiversiteit in 2013

Op de website van INBO vinden we volgende verontrustende mededeling voor 2013:

2014 2 2‘De 33 gerapporteerde natuurindicatoren geven aan dat het verlies van biodiversiteit in 2013 niet gestopt is. Het is van belang om enerzijds de bronnen van de verschillende verstoringen nog grondiger aan te pakken (ruimtegebruik, emissies van stikstof, fosfor en broeikasgassen, in- en uitvoer van soorten) en om anderzijds voldoende grote natuurgebieden doelgericht te beheren en daarbuiten een basisnatuurkwaliteit te garanderen. Dit laatste dient onder andere om – waar mogelijk – verschuivingen van populaties toe te laten wanneer de huidige leefgebieden ongeschikt worden.’

Beste collega-imkers, het ongeschikt worden van leefgebieden slaat evenzeer op de vliegweide van onze honingbij, er is werk aan de winkel 2014 2 3want sommige leefgebieden zijn werkelijk ongeschikt geworden voor honingbijen. Zoals eerder opgemerkt is het prioritair om de kwaliteit van de vliegweide aan te pakken om de honingbijen terug gezond te krijgen.

Meten is weten

Het is niet zo makkelijk om van vlinders, zweefvliegen en solitaire soorten edm. bio-indicatoren te maken. Hun aantallen kunnen op natuurlijke basis sterk schommelen en ze zijn niet het ganse jaar te vinden. Bijenvolken hebben op dit vlak grote voordelen.

Ze zijn het ganse jaar actief en gemakkelijk te vinden en te meten. Bovendien is er geen enkel insect waarover meer studiemateriaal ter beschikking is. Het observationeel onderzoek waarover ik eerder sprak dient zich dan ook te baseren op systematische geplande analyses van honingbijen, honing, bijenwas en pollen.

Die analyses kunnen ons het jaar rond heel veel vertellen over die omgeving in cijfers. Als we over die cijfers kunnen beschikken gedurende opeenvolgende jaren is dit een zeer machtig instrument naar politieke overheid en landbouw.

Via bijenwas kunnen we perfect de vetoplosbare fractie meten van vervuiling die een bijenvolk binnenbrengt. Via honing doen we hetzelfde voor de wateroplosbare fractie en via het aangebrachte stuifmeel weten we heel veel over de kwaliteit van de vliegweide zowel op vlak van vervuiling als op vlak van voedselkwaliteit en natuurlijke biodiversiteit.

Het is essentieel om onderzoek te voeren naar virussen, parasieten en bacteriën maar het interpreteren van die resultaten zal slechts correct zijn als we relaties kunnen blootleggen tussen deze onderzoeken en de aanwezige milieufactoren. Conclusies om de aanwezigheid van virussen en/of varroa in een bijenkolonie als destructief te beschouwen zijn voorbarig als de bijenkolonie zodanig verzwakt is door pollutie van het kastmilieu of de vliegweide.

Mogelijke uitgangspunten

• Een gespreide cohortenstudie op testlocaties in gans België, zowel in uitgestrekte natuurgebieden, landbouwgebieden, dorpen en steden.

• Een uniform systeem van indicatorvolken gevolgd en behandeld op een gestandaardiseerde wijze via afspraken gemaakt met imkers overal te lande.

• Chemische analyse van honingbijen en larven, was, pollen, honing en andere mogelijke indicatoren van die indicatorvolken op geregelde tijdstippen op pesticiden, zware metalen, sporenelementen, virussen, parasieten, radioactiviteit, ...)

Voorbeelden van stressfactoren die kunnen onderzocht worden met een grootschalig onderzoek

• Impact van landbouw- tuinbouwgebieden versus natuurgebieden, industriezones en urbanisatie.

• Impact van varroa en andere parasieten in niet gecontamineerde bijenvolken versus gecontamineerde bijenvolken in combinatie met verschillende bronnen van contaminatie. (insecticiden, fungiciden, fijn stof, …)

• Impact van commerciële vervuilde bijenwas (historische contaminatie) versus verse natuurlijke bijenwas.

• Impact van stress bij reizende bijen versus bijenvolken met een vaste standplaats.

• Impact van genetische afkomst en KI versus standbevruchte ‘natuurlijke’ bijenvolken. Met een risicoanalyse van al deze gegevens kunnen we volk per volk vast een stuk beter hun hartslag meten.

Besluiten

Bijensterfte is een complex multifactorieel probleem. Door de onlosmakelijke verbondenheid van een bijenvolk en zijn omgeving is de gezondheid van een bijenvolk de weerspiegeling van de gezondheid van zijn fenotype. Het is pas als we de gegevens van het genotype én de milieuomstandigheden zoals milieuvervuiling, kastvervuiling en parasieten naast elkaar gaan leggen dat we een meer volledig plaatje zullen bekomen. Pas dan kan er een krachtverhouding worden bepaald tussen al deze parameters die onze bijenvolken belagen.

Honingbijen zijn perfecte natuurindicatoren die passen in de lijn van de milieurapportering van INBO. Om tot resultaten te komen is een gecoördineerde aanpak noodzakelijk tussen de verschillende wetenschappelijke onderzoekscentra.

Bronnen

• Wikipedia.

• Observationele studies en risicofactorenanalyse, (J. Dewulf, D. Maes, K. Mintiens, H. Laevens, F. Boelaert, D. Verloo), Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift, 2005.