Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: December
Auteurs: Dirk de Graaf

Het ontrafelen van de oorzaak van de bijensterfte

52 1In deze lezing gaan we dieper in op de oorzaken van de bijensterfte. Ik zeg ‘oorzaken’, maar eigenlijk zijn alle onderzoekers het er over eens dat alles terug te brengen is tot de daden van de mens: hoe de mens omgaat met zijn leefmilieu, zijn activiteiten en de vervuiling die hier het gevolg van zijn, tot en met de klimatologische veranderingen die deze heeft uitgelokt. Laten we dit eens van nabij bekijken. Eigenlijk wordt de honingbij onderworpen aan meerdere vormen van stress die kunnen worden onderverdeeld in stress van de omgeving en stress op de bijenstand.

Stress van de omgeving

• Verschraling van het drachtgebied

Bijen zijn voor hun eiwitnoden volledig afhankelijk van stuifmeel. Het probleem dat zich stelt is vooral de discontinuïteit van het aanbod. Monoculturen zorgen soms voor een weelde aan bloesems, maar als de plant is uitgebloeid is zelfs een agrarisch landschap een woestijn voor de bij. Veldbloesems als klaproos en korenbloem zijn amper te bespeuren.

De weinige velden die door knotwilgen worden afgeboord, krijgen vaak gezamenlijk een snoeibeurt waardoor armoe troef is. De moderne tuintjes zijn kort gemaaide grasperken waar klavers en paardenbloemen uit worden geweerd. Wie in de tuin een hoogstamboom zet wordt al gauw door de buren op de vingers getikt omdat deze ‘hun zon wegneemt’.

De natuurverenigingen hebben het gemunt op de exoten als valse acacia, kastanje en zilverlinde. Het kappen van lanen kan onmogelijk snel vervangen worden waardoor ook hier een lange periode van schraalte ontstaat. Sommige van deze voorbeelden zijn misschien anekdotisch, doch het typeert het tijdsbeeld. Voeding is een bepalende factor voor groei en ontwikkeling van de bijenkolonie. We onderscheiden hierin drie niveau’s:

1) voeding op kolonieniveau;

2) voeding van de werkster en

3) voeding van de larve.

Verstoring op een bepaald niveau zal ook het daarop volgende niveau beïnvloeden en vice versa, waardoor er een toenemende complexiteit ontstaat van niveau 1) naar 3).

Stuifmeel vormt de enige bron van proteïnen voor de honingbij. Tekorten van pollenopslag op kolonieniveau zal een negatief effect hebben op het voeden van de larven door de werksters en het opkweken van het broed tot volwassenen. Dit kan leiden tot zwakkere en minder talrijke adulten in de volgende generatie; wat dan weer inwerkt op de voeding op kolonieniveau en het daaropvolgende broedaanzet.

Wat zijn volgens de recente literatuur de effecten van stuifmeelarmoede? Di Pasquale (2013) kon aantonen dat de diversiteit en de kwaliteit van het stuifmeel invloed heeft op de ontwikkeling van de hypofaryngeale klieren (voedersapklieren) en het vitellogenineniveau bij de werksters. Schmickl (2001) bestudeerde het effect op larven en zag dat het stuifmeelaanbod de ontwikkelingsduur en overleving stuurt.

• Residuen van pesticiden

52 2

Residuen van pesticiden zijn een andere belangrijke stressor van de omgeving. We hebben het hier vooral over de zgn. subletale vergiftiging; de dosis die het organisme niet onmiddellijk doodt. De wintersterfte is immers subtiel en niet onmiddellijk te associëren met pesticidengebruik.

Er zijn uiteraard gevallen waarbij honingbijen een dodelijk dosis krijgen. Deze gevallen van acute vergiftiging zijn gelukkig niet zo talrijk in Vlaanderen en manifesteren zich ook anders dan de wintersterfte. Momenteel staan de neonicotinoïden in de schijnwerpers; het betreft een groep van insecticiden die de overdracht van zenuwimpulsen bij het insect blokkeren en zo leiden tot verlammingsverschijnselen. Beschikken bijen over een ontgiftingsmechanisme? Het antwoord is ja, doch uit het genoomproject van de honingbij leren we dat bijen veel minder enzymen hebben dan andere insecten om dit te doen.

Deze beperkte ‘flexibiliteit’ in ontgiftingsmechanisme kan deels verklaard worden door de sterk georganiseerde eusocialiteit van de honingbij. Met andere woorden: bijen gaan vooral collectief reageren tegenover deze vorm van omgevingsstress. Zo zal bijvoorbeeld de koningin – het reproductieve individu – minder worden blootgesteld aan vergiftiging dan de werksters.

Wat zijn de effecten op de honingbij? Wel, deze zijn nogal divers: verschillende studies wijzen op een mechanisme via het leervermogen (Ciarlo 2012), geheugen, immuniteit, virusreplicatie (Di Prisco 2013) en inwintering (Lu 2014). Ook zou de grootte van de hypofaryngeale klieren lijden onder blootstelling aan pesticiden (Skerl 2010).

Stress op de bijenstand

• Ziekten

Ziekten hebben ongetwijfeld een grote impact op de bijensterfte. Vooral de varroamijt is de bron van veel ellende. Inderdaad, het is vanaf de introductie van deze mijt in onze contreien dat de problemen begonnen zijn.52 3 En landen die momenteel nog vrij zijn van deze ectoparasiet, zoals Australië, kennen geen grote verliezen (tenzij dan in de gedeelten van het land waar de kleine kastkever voorkomt).

Virussen die geassocieerd worden met bijensterfte zijn Acute Bee Paralysis Virus (ABPV), Deformed Wing Virus (DWV) en Israeli Acute Paralysis Virus (IAPV). In totaal zijn er momenteel meer dan 20 bijenvirussen beschreven en de lijst wordt alsmaar langer; doch niet alle soorten hebben hetzelfde ziekteverwekkend vermogen. De pathologie van DWV is duidelijk herkenbaar met ontluikende bijen met misvormde vleugels.

Alle paralyse-virussen (acuut/chronisch of Israeli acuut) lokken verlammingsverschijnselen uit. Li (2013) kon aantonen dat IAPV ervoor zorgt dat fourageerbijen de weg huiswaarts niet meer vinden tijdens de dracht. Nosemasoorten zijn sinds mensenheugenis ziekteverwekkers van de honingbij. Sinds 2007 is het duidelijk dat naast de Nosema apis nog een tweede soort voorkomt: Nosema ceranae.

Deze laatste vormt vooral in Spanje een ernstig probleem. Goblirsch (2013) kon aantonen dat nosemainfectie de vitellogenin en juveniel hormoon titers verstoort, en zo ook de levensverwachting terugdraait en de aanzet tot fourageren vervroegt. Crithidia mellificae, een nieuwe parasiet van de honingbij werd onlangs geassocieerd met sterfte in Vlaanderen (Ravoet 2013). Studies naar de achterliggende mechanismen komen er weldra aan.

• Mobiliteit

52 4De mobiliteit van de bijenteeltsector is bijzonder groot. Onderzoekingen over de precieze gevolgen hiervan zijn momenteel lopende. Maar met 937 afgeleverde importcertificaten in 2013 alleen al, is de vloed aan vreemde bijen gewoonweg te groot. Het merendeel kwam vorig jaar vanuit Sicilië. Bovendien worden deze volken enkel gescreend op Amerikaans vuilbroed, en is de kans dat we via import nieuwe ziekten binnenhalen zeer reëel. Dan nog te zwijgen over de vraag of de Siciliaanse bij hier wel goed aardt.

• Genetische diversiteit

Genetische diversiteit is een aspect dat alsmaar meer aandacht krijgt. De honingbij is polyandrisch: de koningin paart met twaalf tot zeventien darren en een volk is dan ook een verzameling van zusters en halfzusters. In een publicatie in het gerenommeerd tijdschrift Science kon Matilla (2007) aantonen dat het aantal vaderlijnen van een zwerm de productiviteit en vitaliteit van het volk zal bepalen.

Het zou een aandachtpunt moeten zijn bij het selectiewerk, vooral nu kunstmatige inseminatie van moeren verder ingeburgerd geraakt. Op dezelfde manier kan de ongebreidelde propagatie van zusterkoninginnen de genenpoel van onze bijenvolken aanzienlijk verengen.

Veelheid aan stressoren

Het probleem van de bijensterfte is duidelijk multifactorieel. Er zijn tal van onderzoekingen die zich bovendien gebogen hebben op de synergie tussen verschillende stressoren. In mijn eigen onderzoeksgroep heeft 52 6Jorgen Ravoet het effect van simultane infectieziekten bekeken (Ravoet 2013). Bijen kunnen vrij goed omgaan met tot drie simultane infecties; vanaf de vierde infectie wordt de wintersterfte tot 40% geduwd; vanaf de zesde infectie zitten we al gauw boven de 60% sterfte.

Onafgezien van de stressor waaraan de honingbij is blootgesteld blijkt uit het voorgaande vooral dat vaak zelfde moleculaire mechanismen terugkomen. Vitellogenine wordt vernoemd in de context van stuifmeeltekort en ook bij nosema-infecties, en wordt meer en meer naar voor geschoven als voorspellende merker voor koloniesterfte (Dainat 2012). Verder is een steeds wederkerend probleem de onderdrukking van de immuniteit en de hiermee gepaard gaande replicatie van virale agentia; we hebben het besproken in de context van de drie belangrijkste stressoren: stuifmeeltekort, pesticidenblootstelling en ziekten.

Dus helaas, de problematiek van de bijensterfte is bijzonder complex en in tegenstelling tot wat de media, de politici en bepaalde drukkingsgroepen ons proberen te doen geloven niet terug te brengen tot één stressor. De oplossing zal dus vanuit verscheidene hoeken dienen te komen.