Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 100
Jaar: 2014
Maand: December
Auteurs: Alois Schotanus

Darren, het zwakke geslacht

Hypothese

Mannelijke honingbijen, de darren, zijn heel wat gevoeliger voor de besmetting van een wijd verspreide parasiet, Nosema ceranae, dan hun vrouwelijke soortgenoten. En dat heeft zo zijn gevolgen. Verzwakte darren zijn namelijk niet meer bekwaam om de koningin adequaat te bevruchten. Dat zou blijken uit een studie van de Vetssuisse Faculteit van de Universiteit Bern.

Betoog

54 1Onderscheid tussen de geslachten op verschillende vlakken zijn allesbehalve een zeldzaamheid. Dat is zo voor mens en dier. Dat geldt ook voor de bijen en voor hun weerstand tegen ziekten. Inzake ziektegevoeligheid stelden de onderzoekers van de Universiteit Bern een onderscheid vast tussen de darren en de werksters in het bijenvolk.

Mannelijke honingbijen, de darren, zijn voor de exotische darmparasiet Nosema ceranae wezenlijk vatbaarder dan hun vrouwelijke soortgenoten, de werksters. Deze darmparasiet stamt oorspronkelijk uit Azië, Maar in de laatste jaren heeft hij zich wereldwijd sterk verspreid en zou hij een rol kunnen spelen bij de grote verliezen aan bijenvolken, iets wat zich in vele regionen van het noordelijk halfrond heeft voorgedaan.

Omwille van de vrij recente ontdekking van de aanwezigheid van Nosema ceranae buiten Azië, is thans een groot aantal wetenschappers deze parasiet nauwkeurig gaan bestuderen. De bevindingen ter zake die op het PloS ONE- Journal gepubliceerd werden, toonden de grotere gevoeligheid aan van de mannelijke honingbijen, de darren, die een centrale rol spelen bij de vermenigvuldiging van de bijenvolken.

Honingbijen zijn complexe sociale organismen met een haplo-diploïd stelsel, die m.a.w. over zowel een enkelvoudig als over een dubbel chromosomenstel beschikken. De beide vrouwelijke kasten, werksters en koninginnen zijn – zoals de mens – diploïd. D.w.z. zij beschikken over telkens twee kopieën van elke chromosoom. Daarentegen zijn de mannelijke bijen, de darren, haploïd: d.w.z. ze hebben slechts een enkelvoudig chromosomenstel.

De hypothese van de zogenaamde ‘haploïd-vatbaarheid’ stelt dat haploïde mannetjes op grond van dit onderscheid (haploïd versus diploïd) gevoeliger op ziekten reageren dan hun vrouwelijke soortgenoten, daar dominante 54 2genen op een chromosomenkopie, gemuteerde genen op de tweede kopie bij diploïde organismen kunnen overlappen. Het vorsersteam van de Vetsuisse Faculteit van de Universiteit Bern gaat ervan uit dat mannelijke honingbijen in slechtere lichamelijke conditie verkeren en vroeger sterven dan werksters, wanneer zij met de exotische darmparasiet Nosema ceranae besmet zijn.

Dat is, zo zeggen de onderzoekers, een verontrustend verschijnsel: ‘Alhoewel darren geen specifieke opdrachten vervullen binnen het bijenvolk, zoals werksters dat wel doen in de vorm van cellen poetsen, larven voederen, raten bouwen en dies meer, zijn de darren via de paring wel verantwoordelijk voor de bevruchting van de koningin; zij maken daardoor het ontstaan en het voortbestaan mogelijk van nieuwe bijengeneraties in de bijenvolken. Zonder sterke, kranige darren komt een succesvolle bevruchting van de koninginnen in het gedrang.’

Actuele studies, in het bijzonder in de USA, wijzen de beperkte en slechte prestaties van de koninginnen aan, als één van de belangrijkste oorzaken van de grootschalige verliezen aan bijenvolken. Een mogelijke verklaring voor het voorbarig afgaan van de koningin zou kunnen teruggevoerd worden op het kwantitatief en kwalitatief ontoereikend sperma van die deficiënte darren.

Deze studie was een onderdeel van het internationaal project BEE DOC (Bees in Europe and the Decline of Honeybee Colonies) van de EU, een samenwerking tussen vorsers van het Instituut voor Bijengezondheid van de Universiteit Bern, het Centrum voor Bijenonderzoek van Agroscope in Zwitserland evenals van het Ecologische Instituut van de Zweedse Universiteit voor Landbouwwetenschappen.

Bron:

Gina Retschnig, Geoffrey R. Williams, Marion M. Mehrman, Orlando Yanez, Joachim R. de Miranda, Peter Neumann:‘Sexs-specific Differences in Pathogen Susceptibility in Honey Bees (Apis mellifera). ’PloS ONE ht tp://dx.plos.org/10.1371/journal . pone.0085261