Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 97
Jaar: 2011
Maand: Oktober
Auteurs: Dr. Michel Asperges

Varroa eens anders bekeken

Inleiding

In 1983 werd de varroaparasiet voor het eerst waargenomen in Sint-Truiden en Zonhoven. Later, in 1984 kwam ze inheel het land voor. Enerzijds waren we verrast en anderzijds opgelucht dat we het beestje eindelijk te pakken kregen. De toenmalige inspecteur-dierenarts, dr. Ectors, verantwoordelijk voor Limburg, moest nu optreden en de hele rompslomp in verband met ‘besmettelijke ziekte’ ging van start.

Op dat moment hadden de inspecteurs-dierenartsen nog nooit van de varroa gehoord en tot onze verbazing bleken de imkers uiteindelijk over veel meer informatie omtrent deze parasiet te beschikken dan de dierenartsen. Er moest een schutkring opgetrokken worden, en de assistenten voor de bijenteelt werden opgetrommeld om stalen te nemen die dan verzonden werden naar het CODA in Ukkel ter bevestiging van wat we al wisten. Vermits de dierenartsen deze mijt niet kenden, hadden ze er ook geen idee van hoe het beestje te bestrijden.

Uiteindelijk werd er Folbex VA gebruikt, naast tabak. De mijt was bekend onder de naam Varroa jacobsoni. Later bleek dat deze soort alleen op de Oosterse honingbij (Apis cerana) leeft en niet kan leven van het bloed van de larven van onze honingbij (Apis mellifera). Ondertussen weten we, dankzij DNA-onderzoek, dat de varroa die wij kennen de soort Varroa destructor type Korea is die zich in het broed van de honingbij ontwikkelt maar ook op de volwassen bijen kan voorkomen. De soortnaam geeft goed weer welke gevolgen een varroabesmetting kan hebben.

31_1

Deze ovale, roodbruine ectoparasiet is 1,6 mm lang en 1,1 mm breed. Het diertje verpest nog altijd het leven van de honingbijen en geeft menig imker behoorlijk veel kopzorgen. Door het verzenden van koninginnen en hun begeleidende werksters of het verplaatsen van volken over vele duizenden kilometers is de verspreiding zeer snel gegaan.

Het Aziatische diertje is nu over de hele wereld, met uitzondering van Australië, terug te vinden. Een goede oplossing31_2 om de parasiet te bestrijden is er voorlopig nog niet. Over de varroa verschenen al veel publicaties, ook in het Nederlands, zie Jacobs F. e.a. (2002) en recent Cornelissen B. e.a. (2010).

Er werd al heel wat legale en illegale medicatie gebruikt - en ook verschillende natuurlijke middelen - om van deze parasiet verlost te geraken maar tot op heden lukt het niet. Varroa heeft zoals vele mijten een zeer groot vermogen om immuun te worden voor bestrijdingsmiddelen. Op de koop toe is het een overbrenger van een aantal virussen wat de hele zaak nog ingewikkelder maakt.

Wij hebben het diertje eens vanuit een ander standpunt bekeken. Als bioloog wilden we wat meer weten over de uitwendige bouw of morfologie, en de inwendige bouw of anatomie van dit diertje. In de literatuur vindt men zeer veel beelden van de varroa, gemaakt met raster- en transmissie-elektronenmicroscoop, alsook gegevens over de biologie en het gedrag van het beestje, maar met een gewone lichtmicroscoop werd er tot nu toe niet veel aandacht aan besteed. 31_3

Dit is goed te begrijpen want bestrijding is nu eenmaal belangrijker. Wij hebben met een gewone lichtmicroscoop de zaak eens bekeken zodat we voldoende gegevens hebben om aan de meer geïnteresseerde imker wat aanwijzingen te geven om in de winterperiode zelf eens te kijken naar dit toch wel erg lastig te bestrijden dier. Wij gebruikten een Olympus CH2 binoculaire microscoop met objectieven 4x, 10x, 40x en 60x en een oculair 10x.
Het fototoestel was een Nicon Coolpix.

1. Voorbereiding

Na de winterbehandeling met oxaalzuur werden enkele exemplaren van de varroa gevangen, en opgeklaard in een 10% KOH-oplossing in water (kaliumhydroxyde). Dit opklaren vergt wel enkele weken tijd. Je moet de oplossing ook regelmatig vervangen.

Wees voorzichtig want KOH irriteert de huid en ogen. Gezien de beestjes voornamelijk uit chitine bestaan, duurde het enkele weken vooraleer ze min of meer transparant en lichtbruin van kleur werden. Daarna werden ze bewaard in 95° ethanol. Men kan er dan een waterig preparaat van maken voor microscopische studie.31_4

2. Algemene waarnemingen

De volwassen vrouwtjes zijn ovaal van vorm wat bij mijten niet zo dikwijls voorkomt. Ze zijn 1,5 mm lang en 1 mm breed.

Als ze levend gevangen worden zijn ze bruinrood van kleur maar op de bodemplaat vinden we eveneens levende witte en bruinwitte varroamijten die eigenlijk nog niet volgroeid zijn.

De volwassen mannetjes zien we meestal niet want zij zijn al dood als de jonge besmette bijen geboren worden. In darrenbroed vindt men ze zeker als kleine witte mijten. Wij hebben alleen met vrouwelijke mijten gewerkt.

31_5

Op bovenstaande foto’s zien we links een varroa met vier paar uitgestrekte poten en rechts een varroa met drie paar ingetrokken poten en dicht tegen de mond één paar uitgestrekte poten.

Ook de twee kaaktasters, gelegen tussen het eerste paar poten, zijn te zien. De buikzijde van de varroa bestaat uit chitineuze platen ook wel ‘sclerieten’ genoemd. De meest opvallende is de grote middenplaat die de genitale opening verbergt. Aan de bovenzijde komen geen chitineuze platen voor en is het lijf glad.

3. Detailstudie

3.1 Kaaktasters

De twee stiften van het steekapparaat zijn omgeven door één paar gelede kaaktasters, voorzien van stijve, korte dikke haren die een mechanoreceptorische functie hebben. Bij het verdampen van oxaalzuur zullen de mechanoreceptoren verbranden waardoor ze hun zeer belangrijke functie verliezen.

31_6

3.2 Steekapparaat

Eén paar steeknaalden is vooraan voorzien van zeer dunne, scherpe pinnen die gemakkelijk doorheen de dunne chitinehuid van de larven kunnen steken. We kunnen dus spreken van een steek-zuigapparaat. Bij de volwassen31_7 honingbij zoekt de varroa de dunne verbindingsplooien tussen de achterlijfringen op die eveneens uit een zeer dunne chitinelaag bestaan.

De twee steekpinnen vormen in het midden een capillaire buis waarlangs de hemolymfe van de larve of de volwassen bij naar binnen gezogen wordt. De capillaire buis eindigt in de mondopening en de zuigslokdarm (pharynx) die via de slokdarm naar de eigenlijke middendarm loopt.

Volgens Grobov O. (1977) zorgen vijf plooien in de slokdarm en middendarm voor een aanzienlijke oppervlaktevergroting.

3.3 Poten

Het 1ste paar poten is duidelijk anders van bouw dan het 2de, 3de en 4de paar.

31_8Het 1ste paar speelt een belangrijke rol bij het zoeken naar de juiste ‘steekplaats’ om de hemolymfe van de larve of de volwassen bij te kunnen opzuigen.

Dit paar poten fungeert ook als tast- en reukorgaan zoals de voelsprieten of antennes bij insecten en is voorzien van zeer veel dunne haren die een chemoreceptorische en een sensorische functie hebben. Ook hier zal het gebruik van oxaalzuurdampen de functie van deze gevoelige haren verbreken.

De andere drie paar poten zijn geleed en bestaan uit korte ongeveer even grote delen. De poten eindigen steeds in voetlidjes (tarsen). Alle delen zijn rijkelijk voorzien van haren. Op het laatste voetlid van iedere poot, in de vorm van een driehoek met erg brede basis, staan drie lange, dunne, stijve haren. In boven- en zijaanzicht bekeken is duidelijk te zien dat het voetlid dienst kan doen als zuignap, het vormt als het ware een lepeltje.

31_9

3.4 Eierstokken

Een volwassen vrouwelijke varroa beschikt langs beide zijden over eierstokken die, zoals de foto laat zien, vele honderden eicellen bevatten. Iedere eicel is omgeven door een chitineschaal die niet oplost in KOH, de inhoud van de cellen lost wel op.

 31_10

Een dikke afdekplaat in het midden van de buikzijde beschermt de opening van het voortplantingsstelsel. De eigenlijke eileider met de opening hebben we niet kunnen vinden, gezien ook deze opgelost werd in de KOH.

31_11 

3.5 Ademhalingsstelsel

Ook de varroa ademt door een tracheeënstelsel maar het is niet zo uitgebreid als bij de honingbij. De uitwendige opening van de twee stigmata bevindt zich links en rechts van het lijf ter hoogte van het derde en vierde paar poten. De eigenlijke trachee is s-vormig gekromd met een lang en een kort been en wordt omgeven door bloed. Goede figuren zijn te vinden bij Grobov O. (1977), Robaux P. (1986) en Wongsiri S. (1994). Deze laatste beschrijft gelijkaardige tracheeën bij Euvarroa wongsirii, een nieuwe parasiet van de Thaise honingbij.

31_12

Aan de buitenzijde van het lichaam zien we duidelijk een rond stigma. Dit vinden we terug bij de meeste spinachtigen en ook bij insecten. Oxaalzuur, toegediend door druppelen en nog beter door verdampen, kan uitkristalliseren op en rond de stigmaopening. Hierdoor zal de varroa letterlijk verbranden maar ook zwakkere bijen zullen zo sterven.

3.6 Haren

Op de buitenrand van het lijf bevinden zich 19 tot 25 dikke, stijve, naaldvormige haren die ongeveer 25 μm lang zijn.

31_13

De buikzijde is voorzien van dunne, kortere, min of meer rechte haren en meer in het midden erg kromme, dunne haren. Ze zijn 12 tot 15 μm lang. We vermoeden dat deze haren een mechanoreceptorische functie hebben.

31_14 

Op het 2de, 3de en 4de paar poten vinden we zowel op de dij, het bovenbeen als op de scheen en de voetlidjes verschillende soorten meestal stijve haren van 30 tot 60 μm lang.

 31_16
3.7 Aarsopening
Het eenvoudige spijsverteringsstelsel eindigt in de aarsopening. Door de preparatietechniek die we gebruikten, kregen we geen goed beeld van het darmstelsel. Ook rond de aarsopening komen weer stijve, naar buiten gerichte haren voor.

31_17

Dankwoord

Bij deze willen we mevrouw M. Van den Wijngaert en mevrouw J. Brems danken voor het nalezen van de tekst en hun commentaar over de inhoud. Dank ook aan de heer R. Vaes voor het bewerken van enkele microscopische opnamen zodat ze behoorlijk aan scherptediepte wonnen.

Tekst en foto’s: © dr. Michel Asperges

Literatuur

• Aumeier P., Bienenfeld K., Jungels P., Jacobs P., Liebig G., Ramon W., Van Laere O. e.a., 2011. Dossier Varroa controle, De Vlaamse Imker, jaargang 15 nr. 1, pp. 10 - 31;

• Aumeier P., Blacquière T., Ellis J., Liebig G., Ratnieks F., Spiewok S. en Toothman J., 2011. Dossier Dode bijenvolken, De Vlaamse Imker, jaargang 15 nr. 2, pp. 10 - 31;

• Cornelissen B., Blancquière T. en van der Steen S., 2010. Effectieve bestrijding van varroa. Plant Research International Wageningen UR, 2010, p. 50;

• Grobov O. F., 1977, La Varroase des Abeilles. Apimondia Bucarest, 1977, pp. 52 -98;

• Harnaj V., 1979. La Varroase, maladie de l’abeille mellifère. Apimondia Bucarest, 1979, p. 99;

• Harnaj V. en Rousseua M., 1979, Prophylaxie et lutte contre la Varroase. (séminaire OIE/APIMONDIA) Apimondia Bucarest, 1979, p. 120;

• Jacobs F.J., Van Laere O., Simoens C. en de Graaf D.C., 2002. Varroa destructor, beheersing in de bijenteeltpraktijk. Informatiecentrum voor bijenteelt Gent, 2002, p. 76;

• Matheson A., 1994,New perspectives on varroa. IBRA Cardiff United Kingdom, p.163;

• Robaux P., 1986, Varroa et Varroatose. Opida,1986, p. 238;

• Wongsiri S., Tangg P., Lekprayoon C. Rinderer T. E., Sylvester H.A. en Baker D. M., 1994. Biodiversity of Bee Mites and Honey Bees in Thailand. Publications of Bee Biology Research Unit Chulalongkorn University, 1994, p.133.