Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 98
Jaar: 2012
Maand: April
Auteurs: Mari van Iersel


Mijten tellen, bijen sparen

De voorjaarsontwikkeling bereikt in mei zijn top en eindigt met een grote zwerm als de bijen het voor het zeggen hebben. De imker laat het gewoonlijk niet zover komen met het oog op de zomerdracht en om overlast voor onze medeburgers te voorkomen. Sommigen van ons maken een veger en laten het aan de bijen over om een jonge koningin op te kweken. Anderen proberen daar invloed op uit te oefenen door het bijenvolk larfjes te geven uit een volk waarvan we verder willen kweken of voeren een jonge koningin in uit een teeltprogramma.

Grote verschillen tussen volken

Dat bijenvolken onderling flink van elkaar verschillen weet elke imker. Die verschillen worden deels veroorzaakt door erfelijke en deels door niet-erfelijke factoren, waaronder de omgeving waarin de bijen staan. Bij verschillen tussen bijenvolken op dezelfde stand zou je kunnen denken aan verschillen in erfelijke aanleg, als een van de oorzaken van die verschillen.
Bijenvolken verschillen ook in de manier waarop ze met de varroamijt omgaan. Voor de varroamijt lijkt het ene volk een gespreid bedje waarin de mijten zich ongebreideld kunnen vermenigvuldigen en blijkt het andere volk een minder aangename gastheer die op een of andere manier weerstand biedt. De varroamijt vormt een serieuze bedreiging voor de gezondheid van het bijenvolk.
Het is daarom belangrijk te weten in welke volken meer of minder mijten aanwezig zijn. Als je een pleegvolk nodig hebt, kun je een betere keuze maken als je weet hoe het gesteld is met de aanwezigheid van mijten in een volk. Hoe kunnen we de volken vinden die het de mijten lastig maken?

Volken met veel of weinig mijten?

In ons land zijn er geen bijenvolken zonder varroamijten. Er zijn alleen bijenvolken met meer of met minder mijten en bijenvolken die een imker hebben met slechte ogen. Gelukkig is dat met een goede loep of leesbril aardig te compenseren.

Er zijn twee betrekkelijk eenvoudige manieren om vast te stellen tot welke categorie een volk hoort. Je kunt tellen hoeveel mijten er op de onderlegger vallen of vaststellen hoeveel mijten er op de bijen zitten, of allebei doen.

 

Mijten op de onderlegger7 1

Dagelijks vallen er levende en dode mijten uit het bijenvolk. Het aantal mijten dat valt, zegt iets over de grootte van de varroapopulatie.
Varroamijten tellen gaat het best als de imker op zijn onderlegger een vel wit papier legt en dagelijks telt.
Hoe minder wasmul, hoe beter de mijten te zien zijn.
Hoe minder tijd tussen de opeenvolgende tellingen, hoe minder kans dat er mijten verdwijnen omdat mieren, pissebedden en andere afvaleters er met gevallen mijten vandoor gaan.
De ervaring leert dat er niet vaak geteld hoeft te worden om een indruk te hebben van de verschillen tussen de volken. Na twee, drie dagen zie je al waar veel en waar weinig mijten uit vallen. Natuurlijk geldt dat de waarneming nauwkeuriger wordt als de imker vaker telt.

Mijten op de bijen

Een andere manier om vast te stellen hoe het staat met de varroapopulatie is om na te gaan hoeveel mijten er op de bijen zitten. Een gebruikelijke methode daarvoor was om een monster bijen te nemen, die bijen te doden met alcohol en vervolgens met water uit te spoelen.
Deze manier stuit veel imkers tegen de borst. Het kan echter ook met poedersuiker. Daarbij blijven de bijen in leven en weet de imker toch hoeveel mijten er op de bijen zitten.

Met kuipje en gaas en veel suiker

De poedersuikermethode werkt als volgt: neem een boterkuipje met een deksel waarin een stukje gaas is vastgelijmd. Bepaal het gewicht van kuipje met deksel. Veeg bijen van een raam uit de honingkamer in het boterkuipje en sluit het kuipje. Weeg het kuipje om vast te stellen hoeveel bijen er in het kuipje zitten. Strooi ruim poedersuiker door het gaas heen over de bijen. Door het kuipje enige tijd (bijvoorbeeld twee minuten) voorzichtig te schudden raken alle bijen bepoederd. De varroamijten komen daarbij los van de bijen. 7 2Zet nu een leeg kuipje van dezelfde maat hier boven op en keer het geheel om. Door het lopen van de bijen, vallen mijten en poedersuiker door het gaas heen in het lege kuipje. Laat het geheel enkele minuten staan. Dan het kuipje met de bijen wegnemen en de bijen weer in het volk terug laten lopen. Werk rustig en neem er de tijd voor.
Tot besluit een beetje water in het kuipje met de poedersuiker doen en de mijten komen boven drijven. Om volken te kunnen vergelijken rekenen we nu uit hoeveel mijten er zijn per 100 bijen. 
Bij 16 gram bijen in het kuipje en 5 mijten in de poedersuiker wordt de rekensom als volgt: 16 gram : 0,13 = 123 bijen in het kuipje en 5 mijten : 1,23 = 4,06 mijten per 100 bijen.

Onderzoek heeft aangetoond dat deze werkwijze het nauwkeurigst is als men bijen neemt uit de honingkamer. En een monster van 300 bijen levert een nauwkeuriger resultaat dan een monster van 50. Ook herhaalde waarnemingen leiden tot een nauwkeuriger resultaat. Als de bijen in de honingkamer boven een rooster zitten, is de koningin in elk geval veilig.

Wat heb je als imker aan deze informatie?

Het helpt om te kiezen. Als de imker een pleegvolk zoekt om een koninginnenteelt uit te voeren, doet hij dat liever in een volk met minder mijten. Als de imker zijn aantal volken wil uitbreiden en dat wil doen met het maken van afleggers is de kans op succes groter bij afleggers uit volken met een lage varroabesmetting.

Als ik een koningin moet kiezen waarvan ik verder wil kweken, wordt die keuze naast honingopbrengst en zachtaardigheid mede bepaald door de aanwezigheid van meer of minder mijten. Ik hoop dat er een overerfbare factor is waardoor er minder mijten zijn; in elk geval is het hoogst waarschijnlijk beter gesteld met de gezondheid van een dergelijk volk.

In de brochure "Effectieve bestrijding van varroa" van bijen@wur 2010 wordt geadviseerd om het bestrijdenvan de varroamijt volgens plan te doen en niet met behulp van tellingen. Het vaststellen van een lage besmetting mag geen redenzijn van een geplande bestrijding af te wijken. Het vaststellen van een ernstige besmetting is een duidelijk signaal dat een bestrijding geen uitstel lijdt.