Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 98
Jaar: 2012
Maand: Mei
Auteurs: Herwig Ramon, Octaaf Van Laere

Biotechnische populatiebeheersing van de varroamijt

Inleiding

14 1De wetenschappelijke grondslag om over te gaan tot warmtebehandeling in het streven naar een oordeelkundige beheersing van de bijenparasiet Varroa destructor, ligt in voorafgaand wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot de weerstand van enerzijds de varroamijt en anderzijds de verschillende stadia van de honingbij tegen verhoogde temperaturen.

De warmtetolerantie van varroamijten en bijenbroed ligt dicht bij elkaar. Varroamijten verdragen tot 42-43°C, broedstadia verdragen 44-45°C gedurende 5 minuten. De verhoogde luchttemperatuur in de warmtekast zal daarom beperkt worden in tijd en nooit boven 47°C liggen. Ook bij bijen zal de verhoogde temperatuur beperkt worden in tijd en steeds onder de 50°C blijven. Dit is zeker het geval wanneer de warmtebehandeling bij totale bijenvolken toegepast wordt, aangezien een ongecontroleerde warmtebehandeling het ‘warmlopen’ van de kolonie en/of het ‘inballen’ van de koningin in de hand kan werken.

Naar gegevens uit de wetenschappelijke literatuur en uit eigen ervaring zijn er twee systemen die voor praktische toepassing van warmtebehandeling in 14 2aanmerking komen:

- met de thermobox wordt een volledige bijenkolonie, d.w.z. met bijen, behandeld.

Zoals geweten, plant de varroamijt zich voort in het gesloten bijenbroed. De ontwikkeling van de jonge mijten gebeurt dan ook ten koste van de ontwikkeling van de bijenpop. De schade die de bij hierbij oploopt, kan geëvalueerd worden bij de volwassen bij: misvormde en minder levenskrachtige bijen. Bij een ernstige besmetting zal de bijenpopulatie zienderogen afnemen: de ontvolking kan zich in enkele weken of zelfs enkele dagen voltrekken. De instorting van het bijenvolk kan ook het gevolg zijn van secundaire infecties (vnl. virussen).

Volgens de wetenschappelijke literatuur en uit eigen ervaring blijkt dat de mijtenpopulatie zich min of meer verdubbelt per maand. Dit zou overeenkomen met een toename van de mijtenpopulatie van 200/ jaar. Dit blijkt eveneens uit figuur 1, waarbij de natuurlijke mijtenval gedurende drie opeenvolgende maanden gevolgd werd.14 3

Een efficiënte varroabehandeling vereist dan ook dat minstens 99,5% van de mijten gedood wordt. Momenteel voldoet geen enkele methode of behandeling aan deze voorwaarde. Het is dan ook noodzakelijk meerdere methoden of behandelingen te combineren om de mijtenpopulatie binnen aanvaardbare perken te houden.

Chemische behandelingen kunnen ongewenste residu’s nalaten of de bijenpopulatie extra belasten. Een warmtebehandeling is dan ook een waardig alternatief om dit te verhinderen of enigszins te beperken.

Verworven knowhow

Reeds rond de jaren ’90 zijn enkele praktijkimkers gestart met het aanwenden van warmtebehandeling van bijenkolonies tegen de varroamijt. Dit gebeurde in samenwerking met gerenommeerde instituten in Duitsland en Griekenland. Andere behandelingen en methoden kenden echter prioriteit, zodat de warmtebehandeling op de achtergrond belandde. De knowhow die gedurende de laatste jaren bereikt werd, mag zeker niet onderschat worden en dient, mede door het falen van de behandelingen die eerder prioritair waren, meer en meer aandacht.

Het is dan ook aangewezen om terug extra aandacht te besteden aan de warmtebehandeling van zowel bijenbroed als van totale bijenvolken.

Zowel te Edegem als te Gent hebben we gedurende enkele jaren warmtebehandelingen uitgevoerd met de apithermkast op basis van de richtlijnen, die gedetailleerd weergegeven zijn in het gepubliceerd boekje over biotechnische beheersing van de varroase. Met de apithermkast wordt echter enkel gesloten broed behandeld en wordt de mijtenpopulatie onvoldoende teruggedrongen.

In 2006 werd de toepassing van de thermobox ontwikkeld. Hiermee kan het totale bijenvolk een warmtebehandeling ondergaan. Experimenten hebben aangetoond dat de thermobox voldoende perspectieven biedt om ook in het midden van het broednest een voldoende hoge temperatuur te bereiken om de varroamijt te doden.

In de praktijk valt dit echter niet mee, wanneer ook bijen aanwezig zijn bij de warmtebehandeling. Hieruit blijkt dat de vooropgestelde temperatuur (42-43°C) na 30’

behandeling niet bereikt wordt in het midden van het broednest. Dit blijkt duidelijk uit figuur 2. Hierbij werd een inkomende temperatuur van 50°C ingesteld en betrof het een vrij goed geïsoleerde kast (Segeberger kunstoffbeute) met open bodem.14 4

Tot 2006 werd enkel gesloten broed behandeld door gebruik te maken van de apithermkast. Het resultaat werd gecontroleerd door drie weken voor en drie weken na de hyperthermiebehandeling, om de vier dagen, de mijtenval op een bodemwindel te tellen en te noteren. De nimfstadia werden afzonderlijk genoteerd.

Bij een warmtebehandeling van (enkel gesloten) bijenbroed zijn de gegevens van de tweede en de derde week na behandeling heel belangrijk, immers twee weken na de behandeling is al het behandelde broed uitgelopen, waardoor het aantal gevallen dode mijten in de daarop volgende dagen drastisch zou moeten dalen. Dit blijkt eveneens uit figuur 3.

Met de thermobox werd vanaf 2006 geëxperimenteerd: nu werd de volledige bijenkolonie (bijen – open en gesloten broed) thermisch behandeld. Ook hier werd zowel voor als na de behandeling de mijtenval geteld en genoteerd.

14 5

Bij een warmtebehandeling met de thermobox valt op dat enkele dagen na de behandeling de mijtenval lichtjes toeneemt, maar dat deze vrij vlug terug daalt naar de oorspronkelijke waarde (figuur 4).

Blijkbaar zijn hier vooral (of enkel) de mijten die zich op de volwassen bijen bevonden, met een verhoogde temperatuur geconfronteerd geworden.

Verder praktijkonderzoek

Onder enig voorbehoud zou men, rekening houdend met figuren 3 en 4, kunnen afleiden dat, bij een behandeling met:

— de apithermkast :
• er mijtensterfte in het behandelde broed optreedt,
• de mijtenpopulatie in het bijenvolk minder snel toeneemt en
• de mijtenpopulatie na één behandeling onvoldoende afgenomen is;

— de thermobox

• de verhoogde mijtenval te wijten is aan de mijten die op de bijen vertoeven,

• de mijten in het broed amper of niet geraakt worden en

• een warmtebehandeling van bijen met gesloten broed minder wenselijk is.

Het voordeel echter dat de thermobox ten opzichte van de apithermkast biedt, is dat die:

• overal inzetbaar is,

• vrij eenvoudig is in gebruik en

• mits een minimale aanpassing op elk kasttype kan toegepast worden, zowel voor de behandeling van bijen als voor de behandeling van gesloten broed.

Verdere praktijkbehandelingen i.v.m. de mogelijkheden van de thermobox om de varroapopulatie binnen aanvaardbare grenzen te houden, weliswaar voor de kleine imker, biedt alsnog voldoende perspectieven. In dit geval moet de verdere ontwikkeling zich eerder toespitsen op de efficiëntie die de thermobox biedt bij een warmtebehandeling op bijen zonder broed én op gesloten broed zonder bijen.

(*) Deelproject in uitvoering van het EU-bijenteeltprogramma van de bijenteeltfederaties VNIF vzw en AVI vzw, in samenwerking met KonVIB vzw.