Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond
Jaargang: 102
Jaar: 2016
Maand: November
Auteur : Luc Pintens

Angst is een slechte raadgever

Het varroabestrijdingsadvies dat in het voorjaar via de imkersorganisaties verspreid werd, kwam tot stand door samenwerking met Koninklijke Vlaamse Imkersbond, Belgische Bijenteeltfederatie, Union des Fédérations d’apiculture de Wallonie et de Bruxelles, Centre Apicole de Recherche et d’Information, Informatiecentrum voor de Bijenteelt, Faculteit Gembloux Agro-Bio Tech, Union Professionnelle Vétérinaire, Vlaamse Dierenartsen Vereniging, CODA, FAGG, FOD Volksgezondheid en FAVV. De apicentrische visie werd echter niet opgenomen in deze overlegstructuur. We hopen dat overwogen wordt om uitgenodigd te worden voor een 'verkennend gesprek'. Wij zijn alvast bereid om constructief mee te werken.

44 1

Duurzame oplossing

Natuurlijk twijfelen we niet aan de deskundigheid waarmee het varroabestrijdingsadvies werd opgesteld. We zouden echter graag hebben dat een varroabestrijdingsadvies niet enkel gericht is op overleving van de bijen op korte termijn. Het is toch onze bedoeling om een duurzame oplossing te realiseren? Na 30 jaar noodoplossingen is het dringend tijd daarvoor.

Niet aan varroabestrijding doen is eveneens niet duurzaam. Momenteel blijkt nog steeds in de praktijk dat er dan niet veel volken overleven. Net daarom bekijken we met welke ingrepen de natuurlijke evolutie naar cao-adaptatie kan worden ondersteund. Iedere imker is tevens door de wetgever verplicht om varroa te bestrijden, maar voor zover ik weet is het niet verboden om de eigen inzichten en de conclusies van gericht wetenschappelijk onderzoek toe te passen. We kunnen dus zelf invullen op welke manier dat het best gebeurt bij onze bijen.

Laten we eerst bekijken wat er wordt geadviseerd en waar er ruimte voor verbetering is.

Gelijktijdig behandelen?

Er wordt van uitgegaan dat een gelijke aanpak in heel België de basis is van een succesvolle bestrijdingsactie. Maar is dat wel zo? Het is voor zover ik weet al eens getest; een bepaalde regio in Duitsland had afgesproken om allemaal tegelijk dezelfde varroabehandeling te doen, en in het gebied errond werd dat niet gedaan. Er werd wel behandeld, maar niet per se op dezelfde manier en ook niet op hetzelfde moment; de meesten deden het daar later.

Het gaf een verrassend resultaat: waar er gelijktijdig behandeld werd, was de stijging in het aantal mijten in de periode nadien (sept. – okt.) sterker dan waar dat niet gebeurde. Roverij en vervliegen is de oorzaak van die herbesmetting, maar blijkbaar weten we daar niet echt veel van. Hoe komt het dat waar gelijktijdig behandeld werd, de herbesmetting hoger was? En daardoor is het zo vreemd dat er in het advies wordt gesteld dat tegelijkertijd behandelen nodig is voor een maximale efficiëntie.

Het enige dat wel min of meer duidelijk is, is dat bijen veel vervliegen op standen met de kasten op een rijtje of in blok, en dat het daarom aangewezen is om alle volken in een stand tegelijkertijd te behandelen.

Niemand weet wat er zal gebeuren als een heel land tegelijk en met hetzelfde product de gevreesde mijt zou gaan aanpakken. Succes gegarandeerd? Op basis van welke gegevens kunnen we daarop vertrouwen? Daar komt bij wat vele imkers weten: dat dit plan in de praktijk compleet onhaalbaar is.

44 2

Daarom begrijpen we niet dat dit de basis is van een varroabestrijdingsadvies, terwijl er toch ook andere haalbare mogelijkheden zijn. De gelijktijdige behandeling verandert niets aan het vervliegen.

Vervliegen en herbesmetting beperken 

We kunnen het vervliegen en de herbesmetting beperken op enkele eenvoudige manieren.

  • Kasten niet samen zetten. Hoe groter de afstand tussen de kasten is, des te minder vervliegen er is.
  • Denk ook eens na over de honingoogst. Het is een ingrijpende verandering en ernstige verstoring van allerlei evenwichten. In deze complexe materie is het niet duidelijk in hoeverre een honingoogst, waarbij het grootste gedeelte van de honing vervangen wordt door suiker, bijdraagt aan roofgedrag tussen naburige bijenstanden. Op een ander tijdstip oogsten en/of voldoende honing over laten lijkt aangewezen.

En verder?

Op dezelfde manier kunnen we vragen stellen bij de andere onderdelen van het plan.

  • 10 jaar geleden was één zomerbehandeling genoeg. Dat was dus het varroabestrijdingsadvies toen. Hoe komt het dat het nu een hele geïntegreerde methode is met winterbehandeling, darrenraat snijden, broedloze periode, zomerbehandeling en eventueel nog een najaarsbehandeling bij hoge herbesmetting? Is dit enkel te wijten aan verhoogde resistentie voor de gebruikte producten? We kunnen en moeten ons hier ernstig vragen bij stellen, in plaats van ons vast te houden aan de ingeslagen weg. Want voor wie goed observeert is het wel duidelijk dat de strategie die al meer dan 30 jaar gevolgd wordt, het bestrijden dus, enkel leidt tot zwakkere bijen en sterkere mijten.
  • Waarom wordt in de praktische uitwerking niet gewezen op het verschil in efficiëntie tussen de verschillende mogelijkheden voor de winterbehandeling? Het geadviseerde oxaalzuur (dat officieel via het cascadesysteem moet aangekocht worden) heeft een efficiëntie van 90% als het gedruppeld wordt en 95-97% bij vernevelen of verdampen (tot zelfs 98,8% als de wintertros voor het verdampen verwarmd wordt zodat die open komt). Het verschil tussen 10 en 1,2% mijten die overblijven is toch belangrijk genoeg om zoiets in een advies aan bod te laten komen. Of niet soms?
  • Darrenbroed verwijderen is ook niet erg aangewezen. Het is duidelijk dat volken met meer verschillende vaderlijnen meer kansen hebben om zich aan te passen en te overleven. Het is tevens goed mogelijk dat door darrenbroed te snijden geselecteerd wordt voor mijten die zich voortplanten in de werkstercellen, (wat sterkere gevolgen heeft voor de conditie van het volk), maar hier zijn geen harde gegevens voor.
  • In de varroabestrijdingsmiddelen kunnen stoffen zitten die nadelige gevolgen hebben voor de bijen. Het fermentatieproces van het stuifmeel wordt gestopt, de communicatie met geurstoffen en het microbieel evenwicht worden ernstig verstoord en de immuniteit van de bijen vermindert. Dat er in het varroabestrijdingsadvies hierover niets staat, doet vermoeden dat deze gevolgen geminimaliseerd worden. Te weinig rekening houden met de bijen zelf, is geen goed idee als we ze willen 'helpen'.

Hoe dan wel?

Wat zou een goede apicentrische varroastrategie zijn? In elk geval zal het er een moeten zijn die sterkere bijen en zwakkere of minder virulente mijten voor gevolg heeft.

Omdat we de varroamijt nooit helemaal zullen kunnen uitschakelen, dienen we te streven naar een situatie die optimaal is voor wederzijdse aanpassing tussen bijen en mijten. Het streven naar een varroatolerante bij is goed, maar het tegelijkertijd streven naar een bijtolerante mijt is even belangrijk om een stabiele co-existentie te bekomen!

Een aantal apicentrische imkers opteren voor deze strategie. Maar al we de varroa bestrijden op de geadviseerde manier, wordt de hogere virulentie behouden, en door vervliegen komen deze ook weer bij onze volken terecht. Hierdoor is het momenteel niet mogelijk om op kleine schaal stabiele positieve resultaten te bekomen.

Het is in de meeste gevallen nodig om op geregelde tijdstippen toch iets te doen om het aantal hoogvirulente mijten naar beneden te krijgen. Voorlopig geeft het gebruik van een andere mijt, Stratiolaelaps scimitus, bevredigende resultaten, maar het is duidelijk dat dit slechts een hulp kan zijn in de overgang naar 'niet meer behandelen'. Door dit toe te passen en reeds enkele jaren verder te telen met de overlevers, merk ik toch al een verbetering.

Enkele suggesties

We zijn er ons terdege van bewust dat het uitwerken van de transitie naar co-existentie geen eenvoudige zaak is en niet zonder risico. Maar het is wel mogelijk om deze visie op te nemen in toekomstige varroabestrijdingsadviezen. Vanuit de werkgroep Apicentrische Bijenteelt zijn mensen bereid hieraan mee te werken. We doen alvast enige suggesties:

  • Het is mogelijk het te verwachten hogere winterverlies van de eerste twee jaren in te calculeren door het aantal volken te verhogen vooraleer men het behandelen stopt.
  • Door zoveel mogelijk rechtstreeks contact toe te laten tussen bijen en mijten in zo lang mogelijke periodes en zonder in te grijpen, passen ze zich aan elkaar aan. Op een geschikt moment qua dracht en volksontwikkeling afkloppen in een lege kast (schudzwerm), of behandelen met Stratiolaelaps scimitus, behoren tot de mogelijkheden als er toch ingegrepen dient te worden.
  • Men kan ook de keuze maken om nu al te stoppen met varroa te bestrijden op de oude manier, waardoor varroatolerante bijen en minder virulente mijten zullen bekomen worden. Volgens de virulentietheorie zal de vruchtbaarheid van ziekteverwekkers die van gastheer zijn overgestapt, zich vanzelf normaliseren. Drie zaken zijn hierbij van belang:

 - Een hoge mate van genetische diversiteit. (Deze wordt over het algemeen niet bereikt door het aankopen van koninginnen bij telers en teeltinstituten.)

 -Selectiedruk de nodige tijd geven (geen mijten bestrijden dus).

 - Horizontale overdracht minimaliseren en de relatie van een bepaalde mijtenfamilie met hun gastvolk handhaven.

  • Opteren voor meer variatie en biodiversiteit in landbouw en natuurbeheer, zal niet alleen een betere voeding voor de bijen (en de mensen) voor gevolg hebben. Het zorgt er eveneens voor dat bijenkasten meer verspreid kunnen opgesteld worden (minder vervliegen) en heel het jaar door op dezelfde plek zouden kunnen blijven staan (minder migratie).
  • Lokaal aangepaste bijen telen was vroeger de ware kunst van het imkeren. Toen selecteerde iedereen zelf door afleggers te maken van de beste volken. Of wat nog beter is, omdat het resulteert in hogere diversiteit: de slechtste volken van voortplanting uitsluiten. De huidige selectieteelt heeft in vergelijking hiermee vele nadelen. We zijn blijkbaar even vergeten dat het ook mogelijk is zelf op zachtaardigheid en dergelijke te selecteren met plaatselijk aangepaste bijen.

En verder?

We doen er verder ook goed aan om kleine afleggers te maken in mei en juni (en/of iets grotere zomerafleggers). Als we er goed op letten bij het overplaatsen van raten bijen en mijten samen te houden en geen raten uit verschillende kasten te mengen, dan hebben deze volkjes een redelijke kans om zonder varroabestrijding de eerste winter door te komen. Dat is omdat het kleine volkjes zijn met kleine broednesten, maar ook omdat de mijten die je mee overbrengt al wat minder virulent zijn. Best elders plaatsen en ingang verkleinen om roverij en vervliegen te vermijden.

Wat natuurlijk ook helpt is beginnen met enigszins mijttolerante bijen, alsook het maximaliseren van de genetische diversiteit van onze koninginnen. Constant bijen verplaatsen, koninginnen en bijen invoeren e.d. is zoals gekend nadelig voor het bereiken van een stabiele situatie.

Er werd in het verleden een celvergroting doorgevoerd (naar max. 5,4 mm) en uit onderzoek en ervaringen blijkt nu dat bijen uit kleinere cellen met een natuurlijke grootte van 4,9 mm minder last hebben van de varroa. Het werk dat hier reeds gebeurde en de opgedane ervaringen worden o.a. gedeeld op de website van ResistantBees. Hun algemene strategie is anders dan wat wij hier voorstellen. Bij hen draait het om de celgrootte en hier om de verlaging van de varroa-vruchtbaarheid, maar er zijn verder wel interessante overeenkomsten en er zijn verschillende combinaties mogelijk.

Besluit

Al de verschillende organisaties, instituten en imkergroepen die tijd noch moeite sparen om VSH-bijen (VSH = Varroa sensitieve hygiëne) te bekomen door selectie op meetbare eigenschappen, leveren prachtig werk. We zouden met alle Vlaamse imkers kunnen samenwerken om hun resultaten, als het binnenkort zover is, te ontvangen en te bestendigen indien we ons goed voorbereiden. De werkgroep Apicentrische Bijenteelt is bereid om mee te denken en toekomstgerichte oplossingen uit te werken, in het belang van het voortbestaan van de bijen en de imkerij.

Duurzame oplossing

Natuurlijk twijfelen we niet aan de deskundigheid waarmee het varroabestrijdingsadvies werd opgesteld. We zouden echter graag hebben dat een varroabestrijdingsadvies niet enkel gericht is op overleving van de bijen op korte termijn. Het is toch onze bedoeling om een duurzame oplossing te realiseren? Na 30 jaar noodoplossingen is het dringend tijd daarvoor.

Niet aan varroabestrijding doen is eveneens niet duurzaam. Momenteel blijkt nog steeds in de praktijk dat er dan niet veel volken overleven. Net daarom bekijken we met welke ingrepen de natuurlijke evolutie naar cao-adaptatie kan worden ondersteund. Iedere imker is tevens door de wetgever verplicht om varroa te bestrijden, maar voor zover ik weet is het niet verboden om de eigen inzichten en de conclusies van gericht wetenschappelijk onderzoek toe te passen. We kunnen dus zelf invullen op welke manier dat het best gebeurt bij onze bijen.

Laten we eerst bekijken wat er wordt geadviseerd en waar er ruimte voor verbetering is.

Gelijktijdig behandelen?

Er wordt van uitgegaan dat een gelijke aanpak in heel België de basis is van een succesvolle bestrijdingsactie. Maar is dat wel zo? Het is voor zover ik weet al eens getest; een bepaalde regio in Duitsland had afgesproken om allemaal tegelijk dezelfde varroabehandeling te doen, en in het gebied errond werd dat niet gedaan. Er werd wel behandeld, maar niet per se op dezelfde manier en ook niet op hetzelfde moment; de meesten deden het daar later.

Het gaf een verrassend resultaat: waar er gelijktijdig behandeld werd, was de stijging in het aantal mijten in de periode nadien (sept. – okt.) sterker dan waar dat niet gebeurde. Roverij en vervliegen is de oorzaak van die herbesmetting, maar blijkbaar weten we daar niet echt veel van. Hoe komt het dat waar gelijktijdig behandeld werd, de herbesmetting hoger was? En daardoor is het zo vreemd dat er in het advies wordt gesteld dat tegelijkertijd behandelen nodig is voor een maximale efficiëntie.

Het enige dat wel min of meer duidelijk is, is dat bijen veel vervliegen op standen met de kasten op een rijtje of in blok, en dat het daarom aangewezen is om alle volken in een stand tegelijkertijd te behandelen.

Niemand weet wat er zal gebeuren als een heel land tegelijk en met hetzelfde product de gevreesde mijt zou gaan aanpakken. Succes gegarandeerd? Op basis van welke gegevens kunnen we daarop vertrouwen? Daar komt bij wat vele imkers weten: dat dit plan in de praktijk compleet onhaalbaar is.

Daarom begrijpen we niet dat dit de basis is van een varroabestrijdingsadvies, terwijl er toch ook andere haalbare mogelijkheden zijn. De gelijktijdige behandeling verandert niets aan het vervliegen.

Vervliegen en herbesmetting beperken 

We kunnen het vervliegen en de herbesmetting beperken op enkele eenvoudige manieren.

  • Kasten niet samen zetten. Hoe groter de afstand tussen de kasten is, des te minder vervliegen er is.
  • Denk ook eens na over de honingoogst. Het is een ingrijpende verandering en ernstige verstoring van allerlei evenwichten. In deze complexe materie is het niet duidelijk in hoeverre een honingoogst, waarbij het grootste gedeelte van de honing vervangen wordt door suiker, bijdraagt aan roofgedrag tussen naburige bijenstanden. Op een ander tijdstip oogsten en/of voldoende honing over laten lijkt aangewezen.

En verder?

Op dezelfde manier kunnen we vragen stellen bij de andere onderdelen van het plan.

  • 10 jaar geleden was één zomerbehandeling genoeg. Dat was dus het varroabestrijdingsadvies toen. Hoe komt het dat het nu een hele geïntegreerde methode is met winterbehandeling, darrenraat snijden, broedloze periode, zomerbehandeling en eventueel nog een najaarsbehandeling bij hoge herbesmetting? Is dit enkel te wijten aan verhoogde resistentie voor de gebruikte producten? We kunnen en moeten ons hier ernstig vragen bij stellen, in plaats van ons vast te houden aan de ingeslagen weg. Want voor wie goed observeert is het wel duidelijk dat de strategie die al meer dan 30 jaar gevolgd wordt, het bestrijden dus, enkel leidt tot zwakkere bijen en sterkere mijten.
  • Waarom wordt in de praktische uitwerking niet gewezen op het verschil in efficiëntie tussen de verschillende mogelijkheden voor de winterbehandeling? Het geadviseerde oxaalzuur (dat officieel via het cascadesysteem moet aangekocht worden) heeft een efficiëntie van 90% als het gedruppeld wordt en 95-97% bij vernevelen of verdampen (tot zelfs 98,8% als de wintertros voor het verdampen verwarmd wordt zodat die open komt). Het verschil tussen 10 en 1,2% mijten die overblijven is toch belangrijk genoeg om zoiets in een advies aan bod te laten komen. Of niet soms?
  • Darrenbroed verwijderen is ook niet erg aangewezen. Het is duidelijk dat volken met meer verschillende vaderlijnen meer kansen hebben om zich aan te passen en te overleven. Het is tevens goed mogelijk dat door darrenbroed te snijden geselecteerd wordt voor mijten die zich voortplanten in de werkstercellen, (wat sterkere gevolgen heeft voor de conditie van het volk), maar hier zijn geen harde gegevens voor.
  • In de varroabestrijdingsmiddelen kunnen stoffen zitten die nadelige gevolgen hebben voor de bijen. Het fermentatieproces van het stuifmeel wordt gestopt, de communicatie met geurstoffen en het microbieel evenwicht worden ernstig verstoord en de immuniteit van de bijen vermindert. Dat er in het varroabestrijdingsadvies hierover niets staat, doet vermoeden dat deze gevolgen geminimaliseerd worden. Te weinig rekening houden met de bijen zelf, is geen goed idee als we ze willen 'helpen'.

Hoe dan wel?

Wat zou een goede apicentrische varroastrategie zijn? In elk geval zal het er een moeten zijn die sterkere bijen en zwakkere of minder virulente mijten voor gevolg heeft.

Omdat we de varroamijt nooit helemaal zullen kunnen uitschakelen, dienen we te streven naar een situatie die optimaal is voor wederzijdse aanpassing tussen bijen en mijten. Het streven naar een varroatolerante bij is goed, maar het tegelijkertijd streven naar een bijtolerante mijt is even belangrijk om een stabiele co-existentie te bekomen!

Een aantal apicentrische imkers opteren voor deze strategie. Maar al we de varroa bestrijden op de geadviseerde manier, wordt de hogere virulentie behouden, en door vervliegen komen deze ook weer bij onze volken terecht. Hierdoor is het momenteel niet mogelijk om op kleine schaal stabiele positieve resultaten te bekomen.

Het is in de meeste gevallen nodig om op geregelde tijdstippen toch iets te doen om het aantal hoogvirulente mijten naar beneden te krijgen. Voorlopig geeft het gebruik van een andere mijt, Stratiolaelaps scimitus, bevredigende resultaten, maar het is duidelijk dat dit slechts een hulp kan zijn in de overgang naar 'niet meer behandelen'. Door dit toe te passen en reeds enkele jaren verder te telen met de overlevers, merk ik toch al een verbetering.

44 3

Enkele suggesties

We zijn er ons terdege van bewust dat het uitwerken van de transitie naar co-existentie geen eenvoudige zaak is en niet zonder risico. Maar het is wel mogelijk om deze visie op te nemen in toekomstige varroabestrijdingsadviezen. Vanuit de werkgroep Apicentrische Bijenteelt zijn mensen bereid hieraan mee te werken. We doen alvast enige suggesties:

  • Het is mogelijk het te verwachten hogere winterverlies van de eerste twee jaren in te calculeren door het aantal volken te verhogen vooraleer men het behandelen stopt.
  • Door zoveel mogelijk rechtstreeks contact toe te laten tussen bijen en mijten in zo lang mogelijke periodes en zonder in te grijpen, passen ze zich aan elkaar aan. Op een geschikt moment qua dracht en volksontwikkeling afkloppen in een lege kast (schudzwerm), of behandelen met Stratiolaelaps scimitus, behoren tot de mogelijkheden als er toch ingegrepen dient te worden.
  • Men kan ook de keuze maken om nu al te stoppen met varroa te bestrijden op de oude manier, waardoor varroatolerante bijen en minder virulente mijten zullen bekomen worden. Volgens de virulentietheorie zal de vruchtbaarheid van ziekteverwekkers die van gastheer zijn overgestapt, zich vanzelf normaliseren. Drie zaken zijn hierbij van belang:

 - Een hoge mate van genetische diversiteit. (Deze wordt over het algemeen niet bereikt door het aankopen van koninginnen bij telers en teeltinstituten.)

 -Selectiedruk de nodige tijd geven (geen mijten bestrijden dus).

 - Horizontale overdracht minimaliseren en de relatie van een bepaalde mijtenfamilie met hun gastvolk handhaven.

  • Opteren voor meer variatie en biodiversiteit in landbouw en natuurbeheer, zal niet alleen een betere voeding voor de bijen (en de mensen) voor gevolg hebben. Het zorgt er eveneens voor dat bijenkasten meer verspreid kunnen opgesteld worden (minder vervliegen) en heel het jaar door op dezelfde plek zouden kunnen blijven staan (minder migratie).
  • Lokaal aangepaste bijen telen was vroeger de ware kunst van het imkeren. Toen selecteerde iedereen zelf door afleggers te maken van de beste volken. Of wat nog beter is, omdat het resulteert in hogere diversiteit: de slechtste volken van voortplanting uitsluiten. De huidige selectieteelt heeft in vergelijking hiermee vele nadelen. We zijn blijkbaar even vergeten dat het ook mogelijk is zelf op zachtaardigheid en dergelijke te selecteren met plaatselijk aangepaste bijen.

En verder?

We doen er verder ook goed aan om kleine afleggers te maken in mei en juni (en/of iets grotere zomerafleggers). Als we er goed op letten bij het overplaatsen van raten bijen en mijten samen te houden en geen raten uit verschillende kasten te mengen, dan hebben deze volkjes een redelijke kans om zonder varroabestrijding de eerste winter door te komen. Dat is omdat het kleine volkjes zijn met kleine broednesten, maar ook omdat de mijten die je mee overbrengt al wat minder virulent zijn. Best elders plaatsen en ingang verkleinen om roverij en vervliegen te vermijden.

Wat natuurlijk ook helpt is beginnen met enigszins mijttolerante bijen, alsook het maximaliseren van de genetische diversiteit van onze koninginnen. Constant bijen verplaatsen, koninginnen en bijen invoeren e.d. is zoals gekend nadelig voor het bereiken van een stabiele situatie.

Er werd in het verleden een celvergroting doorgevoerd (naar max. 5,4 mm) en uit onderzoek en ervaringen blijkt nu dat bijen uit kleinere cellen met een natuurlijke grootte van 4,9 mm minder last hebben van de varroa. Het werk dat hier reeds gebeurde en de opgedane ervaringen worden o.a. gedeeld op de website van ResistantBees. Hun algemene strategie is anders dan wat wij hier voorstellen. Bij hen draait het om de celgrootte en hier om de verlaging van de varroa-vruchtbaarheid, maar er zijn verder wel interessante overeenkomsten en er zijn verschillende combinaties mogelijk.

Besluit

Al de verschillende organisaties, instituten en imkergroepen die tijd noch moeite sparen om VSH-bijen (VSH = Varroa sensitieve hygiëne) te bekomen door selectie op meetbare eigenschappen, leveren prachtig werk. We zouden met alle Vlaamse imkers kunnen samenwerken om hun resultaten, als het binnenkort zover is, te ontvangen en te bestendigen indien we ons goed voorbereiden. De werkgroep Apicentrische Bijenteelt is bereid om mee te denken en toekomstgerichte oplossingen uit te werken, in het belang van het voortbestaan van de bijen en de imkerij.