Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

Carolus Linnaeus

Carolus Linnaeus (1707-1776) grondvestte in 1735 zijn systeem betreffende het aantal en de rangschikking van de meeldraden en de stamper in de bloemen. Hij ging ervan uit dat de bevruchting bestaat in het versmelten van de inhoud van een stuifmeelkorrel met een eitje. Zo wilde hij ook aantonen dat de bijen meehelpen aan de bevruchting van de bloemen door het stuifmeel over te brengen op de stamper. Hij overtuigde de wetenschap dat de bijen aan de bloe­men meer goed doen dan kwaad. Dit was nog in het begin van de bloemenbiologie en het zou nog zeer lang duren voor de theorie van de kruisbestuiving aanhangers zou vinden. Linnaeus sprak immers van zelfbestuiving.
Hij deelde het dierenrijk in verschillende hoofdafdelingen in, een ervan was die der insecten. Een onderafdeling van deze laatste vormde de Hvmenoptera , gekenmerkt door vier vliezige vleugels. een angel aan het achterlijf (niet bij de mannetjes). Het 218e geslacht is dit der insecten en de zeventiende plaats daarin wordt ingenomen door de Apis Mellifera. Deze naam werd door Linnaeus gegeven aan de honingbij die hij als volgt beschreef: «een behaarde bij met grij­sachtig borststuk. bruin achterlijf. gladde achterpoten aan de rand van beide zijden. intrekbare snuit en een angel bij de wijfjes en de werksters».
In de tiende druk van «Systema Naturae» van 1758 gaf Linnaeus zelf de naam Apis Mellifera (honingdraagster) terwijl hij in zijn twaalfde druk haar de naam geeft van Apis Mellifica (honingmaakster). Alhoe­wel deze laatste benaming nog veelvuldig wordt gebruikt, is deze, volgens de regels van de nomenclatuur, ongeldig. Alhoewel niet ge­specialiseerd inzake bijenteelt. toch heeft Linnaeus haar grote dien­sten bewezen door zijn levenswerk in het algemeen, waardoor hij één van de hoofdfiguren zal blijven in de ontwikkeling van alles wat met planten en dieren, alsook met insecten, te maken heeft.

Uittreksel uit het boek "Geschiedenis van de Bijenteelt" door O. Goens en J. Maes. Een uitgave verzorgd door de Koninklijke heemkundige Kring Maurits Van Coppenolle, Brugge.