Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

ANATOMIE

Het lichaam van de bij is opgebouwd uit drie grote delen:

  • kop
  • borststuk
  • achterlijf

Deze delen zijn met elkaar verbonden door spieren en bewegen ten opzichte van elkaar. Elk deel is opgebouwd uit segmenten of ringen. Zoals bij alle geleedpotigen heeft een bij geen inwendig geraamte maar een uitwendig harnas: een chitinehuid (term uit het Grieks, chitine = gewaad, harnas). Deze chitinehuid is taai en vast, opgebouwd in dunne lagen, buigzaam en veerkrachtig.
Aan de chitinehuid kunnen de spieren zich bijzonder goed schikken en hechten, waardoor de bijen in verhouding tot hun lichaamsgrootte en -gewicht enorme krachtinspanningen kunnen leveren. Een nadeel is echter dat de lichaamsgrootte beperkt blijft. Vandaar dat een bij in het groeistadium vervelt en zich verpopt. Na de geboorte kunnen ze niet meer groeien.

14_anatomie

 

1. DE KOP

15_kopVan voren gezien heeft de kop een driehoekige vorm, bij de dar is hij meer rond.
Op de kop bevinden zich de ogen, voelsprieten en monddelen. In de kop zijn belangrijke klieren gelegen en het voornaamste centrum van het zenuwstelsel: een zenuwknop die dienst doet als hersenen.

1.1. Ogen

Bijen hebben twee samengestelde ogen (koningin: 4000, werkster: 5000, dar: 8000 facetten). Die facetogen zijn gevoelig voor bewegende voorwerpen, maar omtrekken worden niet scherp waargenomen (scherpte 1/100 van de mens). De bijen nemen een ander kleurenspectrum waar dan de mens: bijen kunnen best wit, geel en blauw onderscheiden, rood zien ze als zwart, de mens kan geen ultraviolet waarnemen. Naast twee facetogen bezitten de bijen ook drie puntogen (ocellen) op het voorhoofd. Daarmee meten ze het licht en kunnen zo tijdens het vliegen de stand van de zon waarnemen, om zich te oriënteren.

1.2. Voelsprieten

16_voelsprietenDe twee voelsprieten of antennes zijn opgebouwd uit zeer beweeglijke ringen. Op deze ringen komen gevoelige puntjes voor waardoor de bijen met hun voelsprieten kunnen voelen, ruiken, smaken en horen. Het gehoor is gelegen in het scharnier van de antennes. Met de voelsprieten kunnen bijen de temperatuur tot op ¼ °C nauwkeurig meten.

21.3. Monddelen en tong

De monddelen bestaan uit sterke kaken die dienen om de helmknoppen open te bijten, was tot raat te verwerken en voorwerpen te verplaatsen.
De tong is eigenlijk een sterk ontwikkelde buisvormige onderlip. De tong in rust is naar binnen geklapt en is dan niet zichtbaar. De tong is, naargelang het ras, 5,6 tot 7,1 mm lang. Bij de koningin en de dar is de tong veel korter. Bij het zuigen en likken wordt de uitgeklapte tong in de vloeibare voeding gestoken. Het puntje is lepelvormig en daarmee neemt de bij de kleinste hoeveelheden vloeibaar voedsel op.
Met de monddelen kunnen bijen ook smaakverschillen waarnemen.

1.4. Klieren

Er bevinden zich speekselklieren achter de hersenen (kopspeekselklieren) en in de borst (borstspeekselklieren). Ze scheiden speeksel af om de vertering van stuifmeel te bevorderen, bevatten stoffen voor de voeding van larven en produceren ook de stof waarmee de larve zijn cocon spint.
De voedselsapklieren in de kop zijn vooral ontwikkeld in de eerste levensdagen van de bijen, als ze voedsterbijen zijn. Dan moeten ze de larven en de koningin voederen. De voedselsapklieren maken een melkachtige substantie aan, de beroemde koninginnenbrij. Deze klieren verschrompelen tussen de twaalfde en de twintigste dag. Bij de koningin zijn ze nauwelijks waar te nemen en bij de darren ontbreken ze.

2.2. HET BORSTSTUK

Het borststuk bestaat uit drie versmolten segmenten. Aan ieder segment is een paar poten gehecht, de bij heeft dus zes poten. Aan het tweede segment zitten de voorvleugels en aan het derde segment de achtervleugels, de bij heeft vier vleugels. De inhoud van het borststuk bestaat hoofdzakelijk uit de vliegspieren.

2.1. Poten

17_potenDe poten bestaan uit zes afzonderlijke segmenten, die in verschillende richtingen en onder allerlei hoeken kunnen bewegen. Bij het lopen worden steeds drie poten tegelijk verplaatst, één aan de ene, twee aan de ander zijde. Alle pootjes hebben twee klauwtjes en een zuignapje. Met deze klauwtjes kan de bij zich langs ruwe voorwerpen bewegen, terwijl het zuignapje dient om over gladde vlakken te lopen.
De poten dienen niet alleen om te lopen, ze bewijzen ook nog andere diensten aan de bijen.
Op de voorpoten zitten de sprietenreinigers. Bijen poetsen hun voelsprieten voortdurend. De voelsprieten zitten immers vol met zintuigen.
Met de middenpoten strijken de bijen het stuifmeel af dat aan hun lichaam kleeft, brengen het in de korfjes van de achterpoten en bergen het op in de cellen.
Aan de achterpoten van de werksters zijn korfjes of pollenschuiven waarin ze het verzamelde stuifmeel en ook propolis vervoeren.

2.2. Vleugels

De voor- en achtervleugels zijn tijdens het vliegen door haakjes met elkaar verbonden en vormen één draagvlak. De vleugels hebben een huidachtige structuur en zijn doortrokken met fijne adertjes die tot versteviging dienen. De voorvleugels zijn groter dan de achtervleugels.
Men kan de verschillende rassen herkennen aan de tekening van de nerven. De vleugels halen tot 250 slagen per seconde. De vleugelpunt maakt in de lucht een achtvorm. De bij haalt een snelheid van 30 km per uur, dat is ongeveer 10 m per seconde. In rust worden de vleugels ontkoppeld en afzonderlijk losjes samengevouwen op de rug.

.3. HET ACHTERLIJF OF ABDOMEN

Het achterlijf is samengesteld uit zes segmenten. Het bevat belangrijke organen voor spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling, zenuwstelsel en voortplanting. Verder bevinden er zich nog wasklieren, geurklieren, angel, gifblaas en vetlichaam.

 

3.1. Spijsvertering

18_spijsverteringsorganenDe spijsverteringsorganen bestaan uit: de monddelen, de slokdarm, de honingmaag, het ventiel, de maag, de dunne darm, de dikke darm of endeldarm en de anus.
De bij zuigt het voedsel, nectar en water, op met de tong. In de mondholte scheiden de klieren van de kop en de borst speeksel af om de vertering te bevorderen. Via de slokdarm komt het voedsel terecht in de honingmaag waar het tijdelijk in bewaard wordt. Bij het thuiskomen in de kast wordt de nectar afgegeven aan het bijenvolk om bewerkt te worden tot honing. Wanneer de bij honger heeft, gaat het ventiel tussen de honingmaag 19_ventielen de eigenlijke maag open. Het nodige voedsel gaat naar de maag, waar het verteerd wordt. De dunne darm haalt de voedingsstoffen uit de voedselbrij en geeft die aan het bloed af. De endeldarm vangt de onverteerbare resten op en daar worden ze bewaard tot de bij de gelegenheid krijgt zich buiten de kast te ontlasten.

3.2. Bloedsomloop

De bijen hebben geen gesloten maar een open bloedvatensysteem met slechts een enkel bloedvat, het hart. Het hart is een dunne buisvormige spier waarin achter elkaar vijf hartkamers liggen. De hartkamers zuigen het kleurloze bloed, hemolymfe genoemd, uit hun omgeving op, en pompen die dan van het achterlijf naar de kop. Verder stroomt het bloed vrij in het lichaam. Zo brengt het bloed de bouwstoffen bij de organen en voert de afvalstoffen af via de Malpighische vaten. De Malpighische vaten zijn als het ware de nieren van de bij en ze bevinden zich tussen de maag en de dunne darm.

3.3. Ademhaling

Bijen hebben ook geen longen. De ademhaling geschiedt niet via de mond of via de neus, maar via talrijke gaten in het bijenlichaam die men de stigmata noemt. Ze staan in verbinding met een haarfijn buizenstelsel, de tracheeën, die de zuurstof via de kleinste vertakkingen naar alle weefsels pompen. Door harmonicabewegingen wordt de lucht beurtelings ingezogen en weer uitgeperst.

3.4. Zenuwstelsel

Het zenuwstelsel bestaat uit zenuwknopen die verbonden zijn door zenuwstrengen, een soort touwladdersysteem dat loopt van de hersenen in de kop tot achteraan het lichaam. Elke zenuwknoop is een zelfstandige eenheid. Zo is er bijvoorbeeld een zenuwknoop die de angel en gifblaas bestuurt: deze blijft werken als de angel uit het bijenlichaam gescheurd is.

3.5. Angel en gifblaas

20_angelAchteraan in het lichaam hebben de bijen twee gifklieren, een gifblaasje en een angel, waarmee ze zich kunnen verdedigen. In rust ligt de angel in de angelkamer, in het achterlijf verzonken. De angel is voorzien van weerhaakjes. Tijdens het steken wordt het lichaam naar beneden gebogen. De angel schiet uit de angelkamer en boort zich in de huid van de tegenstander. De bij vliegt terug op, maar de angel blijft door de weerhaakjes vastzitten en het hele steekapparaat - angel, gifblaas, gifklieren en zenuwknoop - scheuren uit haar lichaam. Weinig later sterft de bij aan haar verwondingen. Als de angel in de huid zit, blijft de gifblaas doorpompen en daarom is een snelle verwijdering van de angel gewenst. Neem de angel niet tussen twee vingers, dan pers je alle gif uit het gifblaasje. Beter is de angel met de vingernagel uit te schrapen.
Als een bij een ander insect steekt kan ze wel haar angel terugtrekken uit de chitinehuid omdat deze niet elastisch is, en bijgevolg blijft ze in leven.
De angel van een koningin heeft geen weerhaken, maar ze gebruikt die uiterst zelden om de mens aan te vallen. Darren hebben geen angel.

3.6. Wasklieren

21_wasklierenDe werksters hebben tussen de vier laatste ringen aan de buikzijde, vier paar lichtgekleurde vlekken. Het zijn de wasspiegels die boven de wasklieren liggen. Uit die klieren zweten de bijen vloeibaar was die hard wordt en tussen de segmenteringen naar buiten schuift. De wasplaatjes worden met de achterpoten beetgepakt, naar de kaken doorgegeven en er gekauwd om er wasraten mee te vormen.

3.7. Geurklier

Onderaan het lichaam hebben de bijen een geurklier, de Nassanovklier, ontdekt door Nassanov in 1883. De bijen verspreiden de nestgeur door te stertselen: op de vliegplank staan ze met het achterlijf omhoog, te waaieren met de vleugels om zo de nestgeur te verspreiden. Ieder bijenvolk heeft zijn eigen specifieke geur.

3.8. Vetlichaam

Bijen hebben in hun achterlichaam een bijzonder weefsel waarin ze vet en eiwitten opslaan. In de eerste weken van hun bestaan bouwen de jonge bijen een vet- en eiwitlichaam op. Hiervoor moeten ze heel veel stuifmeel eten. In het voorjaar gebruiken ze dit vet- en eiwitlichaam om het eerste broed te voederen.

3.9. Geslachtsorganen

Bij de koningin vullen de twee eierstokken het grootste deel van het achterlijf. Ze zijn peervormig en bestaan uit ongeveer 180 eibuisjes die sterk op parelsnoeren lijken. Hier ontwikkelen de eitjes zich, tot 2000 per dag. Via de eileiders komen de eitjes in de schede.
Boven de schede zit het ronde zaadblaasje met de mannelijke zaadcellen die de koningin tijdens de paring in zich heeft opgenomen. Het afvoerbuisje van het zaadblaasje mondt ook uit in de schede. Telkens wanneer de koningin een eitje in een cel legt, wordt er een zaadcelletje aan toegevoegd.
De werksters hebben ook voortplantingsorganen, maar ze zijn enkel in aanleg. Wanneer er echter lange tijd geen koningin meer aanwezig is in een volk, kunnen de eierstokken toch actief worden en beginnen sommige werksters onbevruchte eitjes te leggen.
Bij de darren bestaan de geslachtsorganen uit een paar testikels die gelegen zijn aan beide zijden in het achterlijf. De geslachtsorganen zijn verbonden met de muskusklieren die uitmonden in een lange, dunne buis die naar de penis leidt. Bij de paring verliezen de darren hun geslachtsorganen, waardoor ze kort erna sterven.

22_dar_koningin

 

 

Uittreksel uit "Bijenhouden in de 21ste eeuw" door Dirk Desmadryl