Logo konvib-312

Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background
Slide background

PLAATS IN HET DIERENRIJK

afdeling: ongewervelde dieren
stam: geleedpotigen
klasse: insecten
orde: vliesvleugeligen
familie: bijen
geslacht: honingbij
soort: Apis mellifera
- Apis florea (dwergbij)
- Apis dorsata (reuzenbij)
-Apis cerena (Indische bij)

De Apis florea (dwergbij), de Apis dorsata (reuzenbij), en de Apis cerena (Indische bij) komen hoofdzakelijk voor in tropisch en subtropisch Azië.
De Apis mellifera die in onze streken voorkomt heeft verschillende rassen:
Apis mellifera mellifera: de inheemse bij, ook nog de zwarte bij genoemd, steeklustig en zwermdriftig.
Apis mellifera carnica: grijsbehaarde bij afkomstig uit Oostenrijk, Hongarije en de Balkan, zachtaardige bij, snelle voorjaarsontwikkeling.
Apis mellifera ligustica: Italiaanse bij, herkenbaar aan haar gele ringen, minder winterhard.
Apis mellifera nigra Buckfast: door Broeder Adam geselecteerd uit kruisingen van een originele Engelse bij met rassen uit Europa, Midden-Oosten en Afrika, productieve en zachtaardige bij.
De inheemse bij (Apis mellifera mellifera) is niet meer zo raszuiver. Door het importeren van andere rassen waarmee ze zich gemengd heeft, is ze een zeldzaamheid geworden.
Vele imkers houden nu de Carnica- en de Buckfastbij. Ze zijn vooral geliefd omwille van hun zachtaardigheid en haaldrift. De Carnica is een raszuivere bij, terwijl de Buckfast in feite een bastaardbij is, kunstmatig geteeld door Broeder Adam (Engeland 1898 - 1996). 1_broeder_adam
Verschillen tussen bijen, wespen en hommels

  Honingbij Wesp Hommel
  2_honingbij 3_wesp 4_hommel

uitzicht

van licht tot donkerbruin strepen op het achterlijf licht donzig behaard geel met zwarte strepen wespen taille haarloos en glad zwart, donker bruin met gele of witte ringen groter en dikker dan de bij
wijze van leven
leeft het ganse jaar door in kolonie, de koningin overwintert samen met de andere bijen leeft 's zomers in kolonie, in het najaar sterft de kolonie en de nieuwe bevruchte koninginnen gaan schuilen op een beschutte plaats om in het voorjaar een nieuwe kolonie te stichten
grootte van de kolonie zomer: 30.000 - 80.000 winter: 10.000 - 20.000 zomer: 10.000 winter: 0 zomer: 100 -300 winter: 0
nestbouw zeshoekige cellen gemaakt uit was, worden meerdere malen gebruikt zeshoekige cellen gemaakt uit hout en vezels, als een soort papier rond en tonvormig, gemaakt uit was, worden slechts 1x gebruikt
voedsel stuifmeel nectar koninginnen brij suikers, vruchtensap, insecten stuifmeel en nectar
nut bestuiving van planten honing en stuifmeel eten schadelijke insecten bestuiving

5_nesten

 

ONTWIKKELING VAN EI TOT BIJ

Alle insecten, ook de honingbij, doorlopen vier levensstadia: eitje, larve, pop, imago (volwassen insect). Er zijn wel enkele verschillen tussen werksters, koninginnen en darren.

1. WERKSTERS

6_bijenkalenderIn een schoongepoetste cel legt de koningin op de celbodem een bevrucht eitje van ongeveer 1,5 mm groot. De eerste dag staat het eitje recht, de tweede dag schuin, en de derde dag ligt het op een zijkant.
De vierde dag komt uit het ei een larve. Voedsterbijen voederen de eerste drie dagen het larfje met koninginnenbrij wat een enorme groei en gewichtstoename tot gevolg heeft. Daarna krijgt het larfje bijenbrood als voedsel: een mengeling van stuifmeel, honing en water. Tijdens het groeien, vervelt de larve vier keer. De negende dag is de larve volwassen en richt ze zich op met de kop naar buiten en het achterlijf tegen de celbodem. In dit stadium wordt de cel met poreuze oude was verzegeld.
De tiende dag spint de larve zich in een cocon en ontstaat de pop. Ook de pop vervelt nog twee keer. Geleidelijk ontstaat het insect: de chitinehuid verhardt, ogen, monddelen, borststuk en achterlijf verkleuren en de haren verschijnen.
Na 12 dagen popstadium knaagt de jonge bij met haar voorkaken het midden van het wasdekseltje stuk en als de opening ruim genoeg is, komt de jonge bij, in een grijsharig kleedje gehuld, te voorschijn en loopt over de raten heen. Het hele proces van ei tot bij heeft 21 dagen geduurd.

2. DARREN

De darren ontstaan uit onbevruchte eitjes, gelegd door de koningin, maar in cellen die iets groter zijn dan werkstercellen.
De vierde dag komt uit dit eitje eveneens een larve en alles verloopt verder als bij de ontwikkeling van een werkster.
De tiende dag begin het popstadium. Maar er is een duidelijk verschil tussen darrenbroed en werksterbroed. Verzegeld werksterbroed heeft een plat deksel en darrenbroed heeft een hoog, bol deksel.
Na 15 dagen pop wordt de dar geboren. Hij knaagt het deksel rondom de celwanden open en verlaat als volwassen dar zijn cel. Na ongeveer tien dagen is hij vruchtbaar.

3. KONINGIN

7_doppenNet zoals de werksters ontstaat de koningin uit een bevrucht eitje. Maar het eitje wordt nu in een andere cel gelegd, een koninginnendop of moercel, speciaal gebouwd door de bijen om er een nieuwe koningin in te kweken. Koninginnencellen bevinden zich onderaan het raam of aan de zijkanten. Maar bij het plots verdwijnen van de moer kweken de bijen een nieuwe koningin uit een werkstercel die ze ombouwen tot moerdop. Dergelijke redcel bevindt zich dan meestal in het midden van een raam.
Na drie dagen zal ook uit dat eitje een larve komen, maar deze zal bijna uitsluitend en voortdurend gevoed worden met koninginnenbrij. De moerdop wordt verder uitgebouwd tot een lang pijpje, zoals het topje van een kleine vinger. Net zoals bij de werksters begint het popstadium op de tiende dag en wordt de koninginnencel verzegeld.
Al na zes dagen is de koningin volwassen en ze knaagt het dekseltje van haar cel rondom open, op een klein stukje na, en dit valt open als een klep. Haastig verlaat de jonge koningin haar cel en loopt over de raten heen en weer.

Ontwikkelingsduur van ei tot bij

  werkster dar koningin
ei 3 dagen 3 dagen 3 dagen
larve 6 dagen 6 dagen 6 dagen
pop 12 dagen 15 dagen 7 dagen
geboorte 21 dagen 24 dagen 16 dagen

TAAKVERDELING

1. WERKSTERS

In de zomer kunnen er tot 80.000 werksters in een kolonie zijn, een gemiddeld goed bijenvolk telt 50.000 tot 60.000 bijen. 's Winters varieert dit tussen 10.000 en 20.000 bijen.
De werksters of werkbijen zijn vrouwelijke wezens maar hun geslachtsorganen en eierstokken zijn niet goed ontwikkeld. Ze leven 6 weken in de zomer, en 6 maanden in de winter.
Afhankelijk van hun leeftijd hebben ze verschillende taken te verzorgen. De eerste 3 weken van hun bestaan zijn ze huisbij: ze voeren taken uit in hun woning, de volgende 3 weken zijn ze vliegbij of haalbij: ze verzamelen nectar, stuifmeel, propolis en water. Al deze taken staan in relatie met de specifieke klieren die zich ontwikkelen en actief worden, daarna verschrompelen die weer.

   dagen taken actieve klieren
HUISBIJ 3 weken dag 1 - 2 cellen poetsen en broed verwarmen speeksel klieren
dag 3 - 5 voederen van de oudere larven voedselsap klieren
dag 6 - 11 voederen van de jonge larven
dag 12 -17 wasproductie, ratenbouw en verwerking van nectar tot honing was klieren
dag 18 - 21 wachtdienst aan het vlieggat gif klieren
VLIEGBIJ 3 weken dag 21 - 42 verzamelen van nectar, stuifmeel, water en propolis

In noodgeval kunnen de bijen van dit schema afwijken. Vliegbijen kunnen zo nodig weer huisbijen worden en huisbijen kunnen op jonge leeftijd vliegbij worden. De specifieke klieren worden dan actief.
In een normaal volk is 2/3 huisbij en 1/3 vliegbij.
Werkbijen kunnen ook (onbevruchte!) eitjes leggen bij afwezigheid van de moer. Hieruit worden ook darren geboren.

2. DARREN

De mannelijke bijen noemen we darren. Ze worden geboren uit onbevruchte eitjes (partenogenese). Darren hebben heel grote ogen en sterke grote vleugels. Pasgeboren darren blijven enkele dagen in het broednest rondhangen, waar zij gevoed worden door de voedsterbijen met nectar/honing en pollen. Ze bedelen de werksters om voedsel. Maar naarmate ze ouder worden, moeten ze zelf de honing en pollen opzoeken in de cellen. Ze hebben geen angel maar wel een mannelijk geslachtsorgaan. Darren vliegen alleen uit bij voldoende warm weer in de namiddag. Ze maken voor de kast oriënteringsvluchten en produceren daarbij een goed herkenbaar brommend geluid. Tijdens de zomermaanden zijn er een 500 tot 1000 darren aanwezig in het bijenvolk, ze maken ongeveer 2% van de bevolking uit.
Hun taak is op de eerste plaats de jonge koningin bevruchten. Slechts enkele darren hebben die gelegenheid. In volle vlucht paart de dar met de koningin, zijn geslachtsorgaan breekt af en hij valt achterover dood naar beneden. Darren hebben de kwalijke reputatie dat ze niet veel uitrichten, maar de aanwezigheid van darren in het volk heeft ook positieve effecten: ze stimuleren de werksters tot grotere activiteit en helpen met het warm houden van het broed.
Gemiddeld leven ze 6 à 8 weken. 's Winters zijn ze overbodig en zouden ze alleen maar voedsel en energie kosten. Vanaf augustus laten de werksters de darren niet meer toe in de kasten en ze worden buiten gejaagd en gedood. Dat noemen we de darrenslacht.

3. KONINGIN

8_parenEr is slechts één koningin in een bijenvolk. De koningin of moer is het meest volwaardig vrouwelijk wezen, ze kan 5 jaar oud worden. Een jonge koningin is tussen de 6de en 28ste dag rijp voor bevruchting. Als ze ongeveer 1 week oud is, verlaat ze in de namiddag bij zonnig en warm weer (minstens 18°C) de kast en vliegt naar een darrenverzamelplaats. Dat is een open plek in het terrein waar de darren vanuit de omliggende bijenstanden verzamelen, 10-20 meter hoog in de lucht. Deze plaatsen blijven jaren achtereen in gebruik. Een koningin kan tot 5 km ver vliegen, darren vliegen tot 7 km ver. Wanneer de koningin op de darrenverzamelplaats aankomt en ze haar koninginnenstof vrijgeeft, proberen darren met haar te paren. Hier telt zeker de wet van de sterkste: alleen de fitste darren zullen paren. Na een bevruchting blijft het afgerukte geslachtsorgaan van de dar steken, het zogenaamde bevruchtingsteken. De volgende dar trekt gedurende de paring het bevruchtingsteken van zijn voorganger uit. De koningin paart met 10 tot 20 darren, daarvoor maakt ze 2 of 3 bruidsvluchten. Een bruidsvlucht duurt 20 tot 30 minuten.
Ze bewaart het sperma in het zaadblaasje (spermatheek). Eenmaal voldoende bevrucht, verlaat ze de kast niet meer en begint ze eitjes te leggen, 150.000 tot 200.000 per jaar.
9_eitjeBij ieder eitje dat de koningin legt, voegt ze wat sperma in de opening van het eitje. Onmiddellijk nadat een eitje gelegd is in een cel, sluit een werkster de opening van het eitje af met speeksel zodat het sperma niet kan opdrogen. De eitjes echter die in grote cellen (darrencellen) gelegd zijn, worden niet bezocht door de bijen, het sperma droogt op en het eitje wordt niet bevrucht. Zo krijgen we twee soorten eitjes:
• bevruchte eitjes: hieruit groeien vrouwelijke wezens: werksters en/of koninginnen
• onbevruchte eitjes: hieruit ontstaan darren.

De legfrequentie is afhankelijk van verschillende factoren:
de tijd van het jaar: vanaf januari legt de koningin enkele 10-tallen eitjes per dag, ze bereikt haar hoogtepunt rond half mei (tot 2000 per dag), daarna neemt de leg af tot eind oktober, tijdens de winter is er geen leg
de hoeveelheid voedsel (honing en stuifmeel) waarover de kolonie beschikt
de sterkte van het volk
de koningin zelf: erfelijke aanleg en leeftijd.
In het broednest is het 35° C en de koningin wordt er omringd door een "hofstaat" van een 12-tal bijen die haar verzorgen. De koningin produceert een speciale geurstof (feromonen) in haar mandibulaire klieren die zich in haar kaken bevinden. De hofstaat geeft deze koninginnenstof door aan de andere bijen. Aan deze geur herkennen de bijen elkaar als leden van dezelfde kolonie.

 10_hofstaat

  werkster dar koningin
Geslacht vrouwelijk onvruchtbaar mannelijk vrouwelijk
Kenmerken kort achterlijf angel met weerhaken breed achterlijf geen angel lang achterlijf angel
Leeftijd zomer: 6 weken winter: 6 maanden 6 à 8 weken maximum 5 jaar
Functie in de kast cellen poetsen, broed warm houden,
larven voeden, raten bouwen, nectar aannemen van haalbijen en opslaan in de cellen, kast bewaken
broed helpen verwarmen eitjes leggen: tot 2000 per dag 200.000 per jaar, feromonen afscheiden
Functie buiten de kast inzamelen van nectar, stuifmeel, water en propolis koningin bevruchten  

Aantal

zomer: 30.000 à 80.000 winter: 10.000 à 20.000 zomer: 500 à 1000
winter: geen

zomer: 1

winter: 1

 

ANATOMIE

Het lichaam van de bij is opgebouwd uit drie grote delen:

  1. kop
  2. borststuk
  3. achterlijf

Deze delen zijn met elkaar verbonden door spieren en bewegen ten opzichte van elkaar. Elk deel is opgebouwd uit segmenten of ringen. Zoals bij alle geleedpotigen heeft een bij geen inwendig geraamte maar een uitwendig harnas: een chitinehuid (term uit het Grieks, chitine = gewaad, harnas). Deze chitinehuid is taai en vast, opgebouwd in dunne lagen, buigzaam en veerkrachtig.
Aan de chitinehuid kunnen de spieren zich bijzonder goed schikken en hechten, waardoor de bijen in verhouding tot hun lichaamsgrootte en -gewicht enorme krachtinspanningen kunnen leveren. Een nadeel is echter dat de lichaamsgrootte beperkt blijft. Vandaar dat een bij in het groeistadium vervelt en zich verpopt. Na de geboorte kunnen ze niet meer groeien.

14_anatomie

 

1. DE KOP

15_kopVan voren gezien heeft de kop een driehoekige vorm, bij de dar is hij meer rond.
Op de kop bevinden zich de ogen, voelsprieten en monddelen. In de kop zijn belangrijke klieren gelegen en het voornaamste centrum van het zenuwstelsel: een zenuwknop die dienst doet als hersenen.

1.1. Ogen

Bijen hebben twee samengestelde ogen (koningin: 4000, werkster: 5000, dar: 8000 facetten). Die facetogen zijn gevoelig voor bewegende voorwerpen, maar omtrekken worden niet scherp waargenomen (scherpte 1/100 van de mens). De bijen nemen een ander kleurenspectrum waar dan de mens: bijen kunnen best wit, geel en blauw onderscheiden, rood zien ze als zwart, de mens kan geen ultraviolet waarnemen.

bijenoog  
ultraviolet     violet      blauw     blauwgroen     groen     geel     oranje       rood
  mensenoog

Naast twee facetogen bezitten de bijen ook drie puntogen (ocellen) op het voorhoofd. Daarmee meten ze het licht en kunnen zo tijdens het vliegen de stand van de zon waarnemen, om zich te oriënteren.

1.2. Voelsprieten

16_voelsprietenDe twee voelsprieten of antennes zijn opgebouwd uit zeer beweeglijke ringen. Op deze ringen komen gevoelige puntjes voor waardoor de bijen met hun voelsprieten kunnen voelen, ruiken, smaken en horen. Het gehoor is gelegen in het scharnier van de antennes. Met de voelsprieten kunnen bijen de temperatuur tot op ¼ °C nauwkeurig meten.

1.3. Monddelen en tong

De monddelen bestaan uit sterke kaken die dienen om de helmknoppen open te bijten, was tot raat te verwerken en voorwerpen te verplaatsen.
De tong is eigenlijk een sterk ontwikkelde buisvormige onderlip. De tong in rust is naar binnen geklapt en is dan niet zichtbaar. De tong is, naargelang het ras, 5,6 tot 7,1 mm lang. Bij de koningin en de dar is de tong veel korter. Bij het zuigen en likken wordt de uitgeklapte tong in de vloeibare voeding gestoken. Het puntje is lepelvormig en daarmee neemt de bij de kleinste hoeveelheden vloeibaar voedsel op.
Met de monddelen kunnen bijen ook smaakverschillen waarnemen.

1.4. Klieren

Er bevinden zich speekselklieren achter de hersenen (kopspeekselklieren) en in de borst (borstspeekselklieren). Ze scheiden speeksel af om de vertering van stuifmeel te bevorderen, bevatten stoffen voor de voeding van larven en produceren ook de stof waarmee de larve zijn cocon spint.
De voedselsapklieren in de kop zijn vooral ontwikkeld in de eerste levensdagen van de bijen, als ze voedsterbijen zijn. Dan moeten ze de larven en de koningin voederen. De voedselsapklieren maken een melkachtige substantie aan, de beroemde koninginnenbrij. Deze klieren verschrompelen tussen de twaalfde en de twintigste dag. Bij de koningin zijn ze nauwelijks waar te nemen en bij de darren ontbreken ze.

2. HET BORSTSTUK

Het borststuk bestaat uit drie versmolten segmenten. Aan ieder segment is een paar poten gehecht, de bij heeft dus zes poten. Aan het tweede segment zitten de voorvleugels en aan het derde segment de achtervleugels, de bij heeft vier vleugels. De inhoud van het borststuk bestaat hoofdzakelijk uit de vliegspieren.

2.1. Poten

17_potenDe poten bestaan uit zes afzonderlijke segmenten, die in verschillende richtingen en onder allerlei hoeken kunnen bewegen. Bij het lopen worden steeds drie poten tegelijk verplaatst, één aan de ene, twee aan de ander zijde. Alle pootjes hebben twee klauwtjes en een zuignapje. Met deze klauwtjes kan de bij zich langs ruwe voorwerpen bewegen, terwijl het zuignapje dient om over gladde vlakken te lopen.
De poten dienen niet alleen om te lopen, ze bewijzen ook nog andere diensten aan de bijen.
Op de voorpoten zitten de sprietenreinigers. Bijen poetsen hun voelsprieten voortdurend. De voelsprieten zitten immers vol met zintuigen.
Met de middenpoten strijken de bijen het stuifmeel af dat aan hun lichaam kleeft, brengen het in de korfjes van de achterpoten en bergen het op in de cellen.
Aan de achterpoten van de werksters zijn korfjes of pollenschuiven waarin ze het verzamelde stuifmeel en ook propolis vervoeren.

2.2. Vleugels

De voor- en achtervleugels zijn tijdens het vliegen door haakjes met elkaar verbonden en vormen één draagvlak. De vleugels hebben een huidachtige structuur en zijn doortrokken met fijne adertjes die tot versteviging dienen. De voorvleugels zijn groter dan de achtervleugels.
Men kan de verschillende rassen herkennen aan de tekening van de nerven. De vleugels halen tot 250 slagen per seconde. De vleugelpunt maakt in de lucht een achtvorm. De bij haalt een snelheid van 30 km per uur, dat is ongeveer 10 m per seconde. In rust worden de vleugels ontkoppeld en afzonderlijk losjes samengevouwen op de rug.

3. HET ACHTERLIJF OF ABDOMEN

Het achterlijf is samengesteld uit zes segmenten. Het bevat belangrijke organen voor spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling, zenuwstelsel en voortplanting. Verder bevinden er zich nog wasklieren, geurklieren, angel, gifblaas en vetlichaam.

3.1. Spijsvertering

18_spijsverteringsorganenDe spijsverteringsorganen bestaan uit: de monddelen, de slokdarm, de honingmaag, het ventiel, de maag, de dunne darm, de dikke darm of endeldarm en de anus.
De bij zuigt het voedsel, nectar en water, op met de tong. In de mondholte scheiden de klieren van de kop en de borst speeksel af om de vertering te bevorderen. Via de slokdarm komt het voedsel terecht in de honingmaag waar het tijdelijk in bewaard wordt. Bij het thuiskomen in de kast wordt de nectar afgegeven aan het bijenvolk om bewerkt te worden tot honing. Wanneer de bij honger heeft, gaat het ventiel tussen de honingmaag 19_ventielen de eigenlijke maag open. Het nodige voedsel gaat naar de maag, waar het verteerd wordt. De dunne darm haalt de voedingsstoffen uit de voedselbrij en geeft die aan het bloed af. De endeldarm vangt de onverteerbare resten op en daar worden ze bewaard tot de bij de gelegenheid krijgt zich buiten de kast te ontlasten.

3.2. Bloedsomloop

De bijen hebben geen gesloten maar een open bloedvatensysteem met slechts een enkel bloedvat, het hart. Het hart is een dunne buisvormige spier waarin achter elkaar vijf hartkamers liggen. De hartkamers zuigen het kleurloze bloed, hemolymfe genoemd, uit hun omgeving op, en pompen die dan van het achterlijf naar de kop. Verder stroomt het bloed vrij in het lichaam. Zo brengt het bloed de bouwstoffen bij de organen en voert de afvalstoffen af via de Malpighische vaten. De Malpighische vaten zijn als het ware de nieren van de bij en ze bevinden zich tussen de maag en de dunne darm.

3.3. Ademhaling

Bijen hebben ook geen longen. De ademhaling geschiedt niet via de mond of via de neus, maar via talrijke gaten in het bijenlichaam die men de stigmata noemt. Ze staan in verbinding met een haarfijn buizenstelsel, de tracheeën, die de zuurstof via de kleinste vertakkingen naar alle weefsels pompen. Door harmonicabewegingen wordt de lucht beurtelings ingezogen en weer uitgeperst.

3.4. Zenuwstelsel

Het zenuwstelsel bestaat uit zenuwknopen die verbonden zijn door zenuwstrengen, een soort touwladdersysteem dat loopt van de hersenen in de kop tot achteraan het lichaam. Elke zenuwknoop is een zelfstandige eenheid. Zo is er bijvoorbeeld een zenuwknoop die de angel en gifblaas bestuurt: deze blijft werken als de angel uit het bijenlichaam gescheurd is.

3.5. Angel en gifblaas

20_angelAchteraan in het lichaam hebben de bijen twee gifklieren, een gifblaasje en een angel, waarmee ze zich kunnen verdedigen. In rust ligt de angel in de angelkamer, in het achterlijf verzonken. De angel is voorzien van weerhaakjes. Tijdens het steken wordt het lichaam naar beneden gebogen. De angel schiet uit de angelkamer en boort zich in de huid van de tegenstander. De bij vliegt terug op, maar de angel blijft door de weerhaakjes vastzitten en het hele steekapparaat - angel, gifblaas, gifklieren en zenuwknoop - scheuren uit haar lichaam. Weinig later sterft de bij aan haar verwondingen. Als de angel in de huid zit, blijft de gifblaas doorpompen en daarom is een snelle verwijdering van de angel gewenst. Neem de angel niet tussen twee vingers, dan pers je alle gif uit het gifblaasje. Beter is de angel met de vingernagel uit te schrapen.
Als een bij een ander insect steekt kan ze wel haar angel terugtrekken uit de chitinehuid omdat deze niet elastisch is, en bijgevolg blijft ze in leven.
De angel van een koningin heeft geen weerhaken, maar ze gebruikt die uiterst zelden om de mens aan te vallen. Darren hebben geen angel.

3.6. Wasklieren

 21_wasklierenDe werksters hebben tussen de vier laatste ringen aan de buikzijde, vier paar lichtgekleurde vlekken. Het zijn de wasspiegels die boven de wasklieren liggen. Uit die klieren zweten de bijen vloeibaar was die hard wordt en tussen de segmenteringen naar buiten schuift. De wasplaatjes worden met de achterpoten beetgepakt, naar de kaken doorgegeven en er gekauwd om er wasraten mee te vormen.

3.7. Geurklier

Onderaan het lichaam hebben de bijen een geurklier, de Nassanovklier, ontdekt door Nassanov in 1883. De bijen verspreiden de nestgeur door te stertselen: op de vliegplank staan ze met het achterlijf omhoog, te waaieren met de vleugels om zo de nestgeur te verspreiden. Ieder bijenvolk heeft zijn eigen specifieke geur.

3.8. Vetlichaam

Bijen hebben in hun achterlichaam een bijzonder weefsel waarin ze vet en eiwitten opslaan. In de eerste weken van hun bestaan bouwen de jonge bijen een vet- en eiwitlichaam op. Hiervoor moeten ze heel veel stuifmeel eten. In het voorjaar gebruiken ze dit vet- en eiwitlichaam om het eerste broed te voederen.

3.9. Geslachtsorganen

Bij de koningin vullen de twee eierstokken het grootste deel van het achterlijf. Ze zijn peervormig en bestaan uit ongeveer 180 eibuisjes die sterk op parelsnoeren lijken. Hier ontwikkelen de eitjes zich, tot 2000 per dag. Via de eileiders komen de eitjes in de schede.
Boven de schede zit het ronde zaadblaasje met de mannelijke zaadcellen die de koningin tijdens de paring in zich heeft opgenomen. Het afvoerbuisje van het zaadblaasje mondt ook uit in de schede. Telkens wanneer de koningin een eitje in een cel legt, wordt er een zaadcelletje aan toegevoegd.
De werksters hebben ook voortplantingsorganen, maar ze zijn enkel in aanleg. Wanneer er echter lange tijd geen koningin meer aanwezig is in een volk, kunnen de eierstokken toch actief worden en beginnen sommige werksters onbevruchte eitjes te leggen.
Bij de darren bestaan de geslachtsorganen uit een paar testikels die gelegen zijn aan beide zijden in het achterlijf. De geslachtsorganen zijn verbonden met de muskusklieren die uitmonden in een lange, dunne buis die naar de penis leidt. Bij de paring verliezen de darren hun geslachtsorganen, waardoor ze kort erna sterven.

22_dar_koningin

 

COMMUNICATIE

Bijen communiceren met elkaar door hun zintuigen. Ze voelen, ruiken, smaken en betasten elkaar met poten, antennes en monddelen. Ze produceren geluiden die ze met de zenuweinden in de poten en met de gehoorzintuigen op de antennes waarnemen.
Daarnaast hebben ze ook chemische communicatie. Met hun klier van Nassanov verspreiden ze de nestgeur. Bij het gebruik van de angel wordt een alarmstof verspreid die de andere bijen aanlokt en aanzet tot agressiviteit. De feromonen die de moer voortdurend afscheidt, houdt het bijenvolk samen.
Over heel wat van deze aspecten is nog niet alles geweten.

Bijen hebben echter nog een heel bijzondere vorm van communicatie: de bijendans. Professor Dr. Karl von Frisch (1886-1982) ontdekte en ontraadselde de betekenis van deze dansen.
De terugkerende speurbijen vertellen de andere haalbijen waar ze voedsel kunnen vinden door een dans uit te voeren op de raten. Al gauw komen andere werksters meedansen. Tijdens het lopen kwispelen de dansers met het achterlijf en brengen een geluidssignaal voort. De duur van dit signaal geeft de afstand tot de voedselbron aan, terwijl de richting van het lichaam de oriëntatie naar de voedselbron aangeeft. Tegelijkertijd wordt er informatie uitgewisseld over de geur en de smaak van het meegebrachte voedsel.

23_dansWe onderscheiden drie soorten dansen:
• rondedans: de drachtbron ligt binnen een cirkel van 100 meter
• kwispeldans: de drachtbron ligt verder dan 100 meter
• sikkeldans: een overgangsvorm tussen beide dansen.

Rondedans
De werkster draait in het rond, eenmaal linksom, eenmaal rechtsom, en opnieuw linksom, rechtsom.... Naargelang de grootte van de drachtbron wordt sneller of langzamer gedanst. Er wordt tevens informatie gegeven over de aard van de voedselbron, geur en smaak.

Kwispeldans
De werkster maakt hier een achtvormige figuur. Eerst loopt ze een stukje rechtdoor terwijl ze kwispelt met haar achterlijf. Dan maakt ze een kring naar links en loopt opnieuw een stukje rechtdoor. Daarna maakt ze een kring naar rechts, en weer een stukje rechtdoor, kwispelend met haar achterlijf... De dansrichting van het stukje dat ze rechtdoor loopt, geeft de hoek aan tussen de lijnen kast-zon (komt overeen met de verticale lijn op de raat) en kast-drachtbron. Door het veranderen van de zonnestand wijzigt de hoek en doordoor ook de dansrichting. De afstand van de kast naar de drachtbron, wordt aangegeven door de snelheid van de dans. De meedansende bijen nemen de bloemengeur en de hoek ten opzichte van de zonnestand tot de drachtbron over. Tijdens het dansen wordt informatie overgedragen door middel van geluid, geur en smaak.


DE KWISPELDANS

1. De voedselbron, zon en bijenkast bevinden zich op één lijn: de zon, dan de bijenkast en vervolgens de voedselbron. De kwispelgang verloopt loodrecht naar beneden op de raat.
2. De voedselbron bevindt zich tussen de zon en de bijenkast op één lijn. De kwispelgang verloopt loodrecht naar omhoog op de raat.
3. De voedselbron bevindt zich 120 ° naar links van de zon. De werkster maakt haar kwispelgang op de raat eveneens 120 ° naar links ten opzichte van de verticale.
4. De voedselbron bevindt zich 45 ° naar rechts van de zon. De werkster maakt haar kwispelgang op de raat eveneens 45 ° naar rechts ten opzichte van de verticale.

24_orientatie

25_orientatie2

 

Uittreksel uit "Bijenhouden in de 21ste eeuw" door Dirk Desmadryl