{"id":3083,"date":"2020-05-18T00:53:41","date_gmt":"2020-05-17T22:53:41","guid":{"rendered":"http:\/\/jvbsoftware.be\/?page_id=3083"},"modified":"2020-05-18T00:53:41","modified_gmt":"2020-05-17T22:53:41","slug":"duits-bijenmonitoringproject-deel2","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/konvib.be\/?page_id=3083","title":{"rendered":"DUITS BIJENMONITORINGPROJECT DEEL2"},"content":{"rendered":"<div class=\"konvib-article\">\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond<\/strong><\/span><br \/>\n<span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Jaargang: 98<\/strong><\/span><br \/>\n<span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Jaar: 2012<\/strong><\/span><br \/>\n<span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Maand: Juli-Aug<\/strong><\/span><br \/>\n<span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Auteurs: Dr. Von der Ohe, Dr. Dieter Martens<\/strong><\/span><\/p>\n<h2 style=\"text-align: center;\"><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 24px; color: #ff9900;\"><strong>DUITS BIJENMONITORINGPROJECT DEEL2<\/strong><\/span><\/h2>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Het vorige artikel over Gegevens, feiten en achtergronden van het DeBiMo-project wordt vervolgd door de bijdrage van dr. Werner von der Ohe en dr. Dieter Martens over de resultaten van de analyse van de residu\u2019s van plantbeschermingsmiddelen in bijenbrood.<\/span><br \/>\n<span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">\u00a0<\/span><br \/>\n<span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">De door imkers veel besproken hypothese dat residu\u2019s van plantbeschermingsmiddelen\u00a0gedurende massadrachten de oorzaak zijn van winterverliezen was de aanleiding tot deze\u00a0onderzoekingen. Hierbij gaat<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><img loading=\"lazy\" src=\"https:\/\/konvib.be\/images\/stories\/Artikels_maandbladen\/2012_23_Duits2\/23_1.jpg\" alt=\"23 1\" width=\"400\" height=\"326\" class=\"aligncenter\" \/><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">het niet over directe, gemakkelijk herkenbare vergiftigingen van bijen door het ondeskundig gebruik van plantbeschermingsmiddelen, maar over de omvang van de belasting van het binnengebrachte voedsel met plantbeschermingsmiddelen en de mogelijke invloed hiervan op de overlevingskansen van de bijenvolken. De focus wordt vooral gericht op zaadbehandeling en het gebruik van sproeistoffen bij koolzaad.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Verzamelen van gegevens voor residuanalyse<\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Ieder jaar werden van deelnemende bijenstanden honingstalen (doorgaans twee verschillende honingoogsten per jaar) en indien mogelijk twee bijenbroodstalen van de monitoringvolken genomen (na de koolzaadbloei en in de zomer gedurende de ma\u00efsbloei).\u00a0Stuifmeelanalyse van honing en bijenbrood geven een relatief goed beeld van de bijenweide die door de bijen werden bezocht.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Het onderzoek van residu\u2019s werd om twee redenen uitgevoerd op het bijenbrood in plaats van op honing: in de eerste plaats kleven de actieve stoffen van plantbeschermingsmiddelen door hun eerder lipophiele (vetminnend) karakter beter aan stuifmeel dan aan hydrophiele (waterminnende) honing. Ten tweede wordt het bijenbrood over langere tijd gebruikt als voedsel voor de voedsterbijen en larven. Effecten op middellange en lange termijn zijn eerder hier te verwachten dan door de opgeslagen honing.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Detectie- en meetgrenzen<\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Door de projectraad werd beslist dr. Dieter Martens (Landwirtschaftliche Untersuchungs- und\u00a0Forschungsanstalt (LUFA) Speyer) met de onderzoekingen te belasten. In het betrokken instituut werd vervolgens een aan de matrix bijenbrood aangepaste modulaire multi-analysemethode (LC-MS\/MS, GC-MS) ontwikkeld en gevalideerd, voor alle relevante actieve stoffen van plantbeschermingsmiddelen. In het begin werden 258 stoffen gedetecteerd en gemeten, nu zijn het er 368. De meetgrens ligt, naargelang de stof, tussen 3 en 15 \u03bcg\/kg\u00a0bijenbrood.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">De detectiegrens ligt daar iets onder, bijvoorbeeld voor neonicotino\u00efden bij 1 \u03bcg\/kg. Vanaf de meetgrens is het mogelijk de exacte hoeveelheid van een stof te bepalen. De detectiegrens, die altijd lager is dan de meetgrens, is de waarde waarop een stof kan\u00a0gevonden worden, maar de exacte hoeveelheid niet kan bepaald worden.\u00a0De op residu\u2019s onderzochte bijenbroodstalen werden in de bijeninstituten door stuifmeelanalyse, volgens DIN 10760, naar hun botanische afkomst onderzocht.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">De resultaten van de onderzoeksjaren 2005 tot 2010 zijn samengevat in onderstaande tabel.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Meest voorkomende actieve stoffen<\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong><img loading=\"lazy\" src=\"https:\/\/konvib.be\/images\/stories\/Artikels_maandbladen\/2012_23_Duits2\/23_2.jpg\" alt=\"23 2\" width=\"550\" height=\"447\" class=\"aligncenter\" \/><\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">2005-2006: Bijenbroodstalen van 105 bijenstanden werden onderzocht en in het totaal werden 42 actieve stoffen gevonden. De meest voorkomende waren: coumaphos (46\u00a0maal, varroabehandeling), boscalid (35 maal, fungicide) en terbuthylazin (32 maal, herbicide). Het meest voorkomende insecticide was thiacloprid (9 maal, Max. 199 \u03bcg\/kg).<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Tussen de overwinteringsquoti\u00ebnten was geen significant verschil tussen de bijenstanden waar geen pesticiden in het bijenbrood werd gevonden en bijenstanden met hoge\u00a0residuwaarden.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">2007: De resultaten van de 110 bijenbroodstalen (met een bijenbroodstaal van bijna alle\u00a0bijenstanden) verschilden, met betrekking tot het aantal positieve stalen en het aantal gevonden actieve stoffen, niet veel van deze van 2005 en 2006, zoals uit de tabel blijkt.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">2008: 88 bijenbroodstalen, met een groot aandeel van stalen uit de zomer, werden onderzocht en 48 actieve stoffen werden gevonden. Slechts 10 bijenbroodstalen (11,4%) waren volledig vrij van actieve stoffen. De gevonden actieve stoffen lagen meestal onder de meetgrens.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">2010: per monitoringstand werden zoveel mogelijk een voorjaars- en een zomerstaal (n=209) onderzocht. In 189 stalen (90,4%) werden residu\u2019s van plantbeschermingsmiddelen\u00a0gevonden, 30,2% lag onder de 10\u03bcg\/kg en 15,3% lag boven de 100\u03bcg\/kg, alle actieve stoffen in rekening gebracht.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Gevonden actieve stoffen<\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">De frequentie van de gevonden actieve stoffen in de bijenbroodstalen lag tussen 1 en 124 (deze laatste waarde is voor boscalid aangetroffen in 59,3% van de stalen). Gemiddeld\u00a0zijn de gecontamineerde stalen met 6 actieve stoffen belast (van 1 tot 16).\u00a0Bij de insecticiden in 2010 was de actieve stof met de hoogste frequentie thiacloprid, dat\u00a0gevonden werd in 119 stalen (max. 236\u03bcg\/kg). De oorzaak hiervan is het bespuiten van koolzaad. Het gehalte aan thiacloprid en de eveneens voor koolzaad gebruikte fungicide boscalid correleren telkens met het relatief hoge aandeel van koolzaadstuifmeel in de stalen. Deze vaststelling is in lijn met de vorige onderzoeksjaren. In een staal werd 450\u03bcg\/kg\u00a0chlorpyriphos (gebruikt in de teelt van sierplanten) gevonden. De betrokken bijenvolken van deze stalen vertoonden een opvallende zwakke volksontwikkeling.<\/span><\/p>\n<p>&nbsp;<\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Bij de andere bijenvolken, waar eveneens in de bijenbroodstalen hoge concentraties van plantbeschermingsmiddelen werden gevonden, vertoonden geen bijzonderheden\u00a0in hun ontwikkeling. De hoogste belastingen (fungiciden iprodion 12.800 \u03bcg\/kg, fludioxonil\u00a01510\u03bcg\/kg, cyprodinil 568 \u03bcg\/kg, difenoconazol 465 \u03bcg\/kg, boscalid 161 \u03bcg\/kg en insecticide\u00a0thiacloprid 236 \u03bcg\/kg) werden in een stuifmeelstaal gemeten.\u00a0Deze combinatie van actieve stoffen duidt het gebruik van plantbeschermingsmiddelen bij\u00a0asperges-, aardbeien- evenals groententeelt. Dit is in overeenstemming met de ligging van\u00a0de monitoringstanden en het stuifmeelbeeld. Deze volken hebben zich normaal ontwikkeld, bijensterfte werd niet waargenomen.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Neonicotino\u00efden in focus<\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Er werd veel aandacht besteed aan de neonicotino\u00efden, door hun hoge toxiciteit voor bijen. Eerst een verklarende opmerking: de toxiciteit van een actieve stof is afhankelijk van de stof zelf en van de dosering ervan. Zo worden plantbeschermingsmiddelen met actieve stoffen\u00a0uit de groep van de neonicotino\u00efden ook beschouwd als niet gevaarlijk voor bijen, zoals de actieve stof thiacloprid of acetamiprid. Actieve stoffen zoals clothianidin of thiamethoxam\u00a0zijn niet alleen toegestaan voor zaadbehandeling, maar ook in B-1 bijengevaarlijke bespuitingsmiddelen. In de onderzoekingen tot nu toe uitgevoerd werden imidacloprid\u00a0in \u00e9\u00e9n (3\u03bcg\/kg) en clothianidin in twee (max. 2,8\u03bcg\/kg) van de in totaal 512 bijenbroodstalen\u00a0gevonden. Het neonicotino\u00efde thiamethoxam, evenals het fel besproken fipronil, werden in geen enkel staal gevonden.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><strong>Open vragen<\/strong><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">De in het kader van het DeBiMo-project uitgevoerde analysen van residu\u2019s\u00a0van plantbeschermingsmiddelen in stuifmeel (bijenbrood) was het eerste onderzoek van deze aard in Duitsland. De gemeten waarden zijn aannemelijk en weerspiegelen de huidige landbouwpraktijken en eveneens de noodzakelijke varroabehandelingen met acaraciden.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\">Er kon echter geen relatie gevonden worden tussen de contaminatie van het stuifmeel en de volksontwikkeling, meer in het bijzonder de winterverliezen.\u00a0Relatief veel stalen zijn besmet, maar slechts in kleine hoeveelheden en veel lager dan de op dat ogenblik geldende LD50-waarde (waarde waarop 50% van een volk wordt gedood). Weliswaar werden geen direct bijengiftige concentraties gemeten, nochtans geeft het bewijs\u00a0van de aanwezigheid van een cocktail van plantbeschermingsmiddelen in stuifmeel aanleiding de combinatorische en chronische werking van deze stoffen op bijenvolken verder te onderzoeken. Hiervoor zijn echter gerichte experimenten nodig.<\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><em>Verdere details van de resultaten kan men vinden op www.ag-bienenforchung.de<\/em><\/span><\/p>\n<p><span style=\"font-family: 'comic sans ms', sans-serif; font-size: 20px;\"><em>Auteurs: Dr. Werner von der Ohe en Dr. Dieter Martens, in naam van de aan het DeBiMo-project deelnemende bijeninstituten.<\/em><\/span><\/p>\n<\/div>\n<p>&nbsp;<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Bron: Maandblad van de Vlaamse Imkersbond Jaargang: 98 Jaar: 2012 Maand: Juli-Aug Auteurs: Dr. Von der Ohe, Dr. Dieter Martens DUITS BIJENMONITORINGPROJECT DEEL2 Het vorige artikel over Gegevens, feiten en achtergronden van het DeBiMo-project wordt vervolgd door de bijdrage van dr. Werner von der Ohe en dr. Dieter Martens over de resultaten van de analyse [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":163,"featured_media":0,"parent":345,"menu_order":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":[],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages\/3083"}],"collection":[{"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/users\/163"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fcomments&post=3083"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages\/3083\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":3084,"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages\/3083\/revisions\/3084"}],"up":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=\/wp\/v2\/pages\/345"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/konvib.be\/index.php?rest_route=%2Fwp%2Fv2%2Fmedia&parent=3083"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}